30 jaar val van de Muur: Schuldcultuur of patriottisme

Een paleis voor het volk

De val van de Muur betekende het begin van een lange zoektocht naar de identiteit van het nieuwe, verenigde Duitsland. Deze zoektocht wordt nergens zo duidelijk als op het Berlijnse slotplein, schrijft Merlijn Schoonenboom in zijn boek Een kleine geschiedenis van de grootste Duitse worsteling.

Demonstratie voor het Palast der Republik in voormalig Oost-Berlijn vlak voor de val van de Muur. 4 november 1989 © Mehner / Ulltein Bild / Getty

Bijna nacht is het in het midden van de Duitse hoofdstad en een groep twintigers danst vrolijk op de nieuwste elektronische wereldmuziek. Veel van hen spreken Engels of Spaans, Zuid-Amerikanen zijn er, een paar Afrikanen zelfs.

Het is een maand voor de extreem-rechtse aanslag op de synagoge in Halle, maar hier in dit gloednieuwe museum in Berlijn lijkt er geen weltoffener land te zijn dan Duitsland. Monika Grütters (cdu), de staatsminister voor Cultuur, benadrukt vandaag in een statement dat wat haar betreft deze locatie een tegenwicht voor ‘racistische en nationalistische ideeën’ gaat worden.

Het Humboldt Forum, zo heet dit museum dat voor zeshonderd miljoen euro de afgelopen jaren in het midden van Berlijn is verrezen. De inhoud zal bestaan uit ‘wereldcultuur’; aan de ene kant toont het etnografische objecten uit Azië, Afrika en andere niet-westerse gebieden, aan de andere kant dient het ruimte te geven aan moderne presentaties over de ‘dialoog der culturen’, inclusief aandacht voor koloniale misstanden.

Het museum is genoemd naar de gebroeders Von Humboldt, die in de eerste helft van de negentiende eeuw in Berlijn leefden. Alexander was wereldberoemd ontdekkingsreiziger, de geleerde Wilhelm was de oprichter van de universiteit en medeoprichter van het museumeiland dat aan de overkant van het stadsslot ligt. Ze zijn door hun nieuwe rol ineens de twee ‘voorbeeld-Duitsers’ voor het huidige Duitsland geworden, zoals een biograaf het ironisch noemt; moreel onbevlekt en heel kosmopolitisch.

Eigenlijk zou het prestigieuze Humboldt Forum afgelopen september officieel openen, maar wegens bouwtechnische problemen is het een jaar uitgesteld. In plaats daarvan vierde men de 250ste verjaardag van ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt. Het forum leverde daarmee deze herfst de eerste vuurproef af van wat de komende jaren zonder twijfel een van de meest besproken projecten van Duitsland zal worden.

Het forum wordt door de verantwoordelijke politici graag als niets minder dan een symbool voor een nieuwe ‘Duitse identiteit voor de 21ste eeuw’ gezien. Duitsland, zo laten de aanwezige hoogwaardigheidsbekleders ook tijdens het verjaardagsfeest weer graag horen, is ‘bunt’ (kleurrijk) en ‘weltoffen’ (open tegenover de wereld). Of dit museum echt zo’n stimulerende rol voor een ‘veelkleurige’ Duitse identiteit zal gaan spelen, is natuurlijk afwachten. Maar de enorme inspanning en de gewichtige taal die erbij wordt gebruikt zijn tekenend. Het laat het cruciale belang van deze locatie in de Duitse geschiedenis zien. Het plein rond het stadsslot is met name de afgelopen 150 jaar steeds weer seismograaf van de maatschappelijke gevoeligheden geweest. De visie van de politieke elite van het land komt er in iedere periode tot uitdrukking, maar ook de aanvallen van haar tegenstanders.

Het is daarom zelfs mogelijk dat exact dezelfde locatie op ditzelfde moment óók gebruikt kan worden door de meest fervente tegenstanders van de ‘dialoog der culturen’. Het Humboldt Forum bevindt zich namelijk in het herbouwde Berlijnse stadsslot, een barok gevaarte dat tot 1918 de residentie van de laatste Duitse keizer is geweest en nu weer is opgebouwd, inclusief gouden kroontjes en Pruisische adelaars boven de ramen, en een christelijk kruis bovenop. En deze buitenkant roept weer heel andere ideeën over de Duitse identiteit op dan de binnenkant.

In januari 2017 staat er een jong uitziende midveertiger in slimfit pak in een bierkelder in Dresden en houdt een toespraak voor een groep joelende twintigers. Het is de voormalige geschiedenisleraar Björn Höcke, die als rechtsbuiten van de nieuwe rechtse partij AfD op dat moment landelijke bekendheid heeft verkregen. De toespraak die hij deze dag houdt is berucht geworden door de harde aanval die zij bevat op de Duitse Erinnerungskultur rond de Tweede Wereldoorlog, die volgens de AfD ‘de ruggengraat van Duitsland heeft gebroken’.

Het stadsslot zou volgens Höcke een remedie daarvoor kunnen zijn. ‘Godzijdank wordt het weer opgebouwd’, zegt hij. De trots op het glorieuze verleden is namelijk een teken van een zelfbewust land, vindt hij. Het enige waar het nu nog om gaat is het met de juiste inhoud te vullen. ‘Wereldcultuur’ bedoelt Höcke daarmee niet, maar: ‘De geest van een nieuw, eerlijk, vitaal, diep gegrond en zelfbewust patriottisme. Want we weten: zonder zulk patriottisme kan geen burgerlijke maatschappij overleven.’

Höcke’s idee van Duitse identiteit staat haaks op dat wat het Humboldt Forum wil uitstralen. De komst van de AfD in het Duitse parlement in 2017 heeft het debat over de nationale identiteit dan ook radicaal veranderd, precies zoals andere nieuwe rechtse partijen dat ook in andere westerse landen doen. De verschillen tussen de culturen, de omgang met de goede én slechte kanten van de eigen geschiedenis; het zijn de thema’s die vanaf nu ook in Duitsland de debatten beheersen. Maar door de vele historische gevoeligheden van dat land lijkt dit debat er nog net iets grimmiger te worden gevoerd.

Duitsland is daarom een uitstekende spiegel voor dezelfde vragen die in andere landen spelen – en nergens wordt de zoektocht naar identiteit zo symbolisch samengebald als in dit midden van de Duitse hoofdstad. De huidige zoektocht in Duitsland is namelijk helemaal niet zo nieuw als wel wordt gesuggereerd. Hij begon exact dertig jaar geleden, toen de Berlijnse Muur viel en de vraag naar de invulling van het midden van de stad samenviel met de vraag wat de identiteit van de nieuwe ‘Berlijnse Republiek’ zou moeten worden.

De opstand begint ’s middags, opnieuw op dezelfde locatie in het midden van Berlijn. Het is 7 oktober 1989, de dag waarop de top van de socialistische wereld in Oost-Berlijn samenkomt om veertig jaar ddr te vieren. Op het slotplein staat dan nog het Palast der Republik, een donkere kolos van zwart glas en beton dat de ddr op deze locatie heeft laten bouwen, nadat ze het historische stadsslot in 1950 als afrekening met het ‘Pruisische militarisme’ heeft laten opblazen.

Als het staatsbanket in dit socialistische paleis begint, met uiteenlopende gasten als Michael Gorbatsjov en Yasser Arafat, leest ddr-leider Erich Honecker een briefje voor, staand voor draaiende camera’s. ‘Het socialisme staat op een stevige basis. Laten we het glas heffen!’ zegt hij met ietwat overslaande stem. Maar het is al te laat, buiten wordt een keten van tot dan toe ondenkbare acties in gang gezet.

Een groep genodigden voor het feest staat na het diner binnen voor het raam en kijkt naar beneden, waar dan al de eerste opstootjes zijn begonnen. Een paar duizend ddr-burgers hebben zich voor het Palast verzameld: ‘Vrijheid, geen geweld!’ en ‘Stasi raus!’ schreeuwen ze. Een cordon van de Volkspolizei schermt het paleis af. Agenten in burger grijpen demonstranten, de eersten worden weggesleept, de massa fluit de agenten uit.

De gebeurtenissen op 7 oktober worden door historici inmiddels als het begin van het einde gezien. Twee dagen later wijkt het ddr-leger voor het demonstrerende volk in Leipzig; een maand later, op 9 november, valt in Berlijn de Muur. De Duitse eenheid volgt een jaar later. Nog weer een jaar later wordt officieel besloten het parlement uit Bonn weer terug naar Berlijn te verhuizen. Opnieuw, de vijfde keer binnen iets meer dan een eeuw, is er een nieuw Duitsland ontstaan: de Berlijnse Republiek.

Een van de laatste daden van de democratisch gekozen overgangsregering van de ddr was de sluiting van het Palast der Republik. Asbest zou het gebouw volgens de nieuwe westerse standaard niet meer bruikbaar maken, al zullen veel Oost-Duitsers hierin later een voorwendsel van het Westen zien om met de Oost-Duitse symbolen af te rekenen.

Het nieuwe Duitsland heeft daarmee letterlijk, maar zeker ook figuurlijk een ‘lege plek in zijn midden’, zoals de historicus Jan Plamper het omschrijft. Het herenigde Duitsland is het grootste land van Europa geworden, te midden van een nieuwe chaotische wereldorde. Als een reactie op het wegvallen van de vertrouwde grenzen vindt een herbezinning plaats op de vraag wat de gemeenschap eigenlijk bindt. De gestage verandering van de Duitse samenleving in een multiculturele maatschappij is de tweede katalysator hiervoor.

De zoektocht wordt direct bemoeilijkt door een felle links-rechts-polarisatie. Degenen met het luidste antwoord op de veranderingen zijn, ook dan al, de rechtsradicalen.

De eerste jaren na 1989 komen meer dan een miljoen asielzoekers Duitsland binnen, en een reeks aanslagen op asielzoekerscentra en migranten volgt, een aantal met dodelijke afloop. Voor extreem-rechts, dat het actiefst is in het oosten van Duitsland, is de identiteit van het herenigde Duitsland namelijk duidelijk: de hereniging is voor hen de bevestiging van het ‘völkische principe’: iedereen die van Duits bloed is mag blijven, de rest moet weg. Het is een gedachte die niet ver afstaat van het idee van veel Duitse conservatieven dat Duitsland per se geen ‘immigratieland’ is, dat op dat moment nog ruim vertegenwoordigd is in de politiek en de media.

Hoe meer aandacht er komt voor de ‘zwarte kanten’ van de Duitse geschiedenis, des te meer neemt de vraag naar ‘positief patriottisme’ toe

De eerste reactie van progressieve zijde hierop is om maar van iedere definitie van ‘de natie’ af te zien, want dat sluit alleen maar degenen uit die niet in de definitie zouden passen. Maar gaandeweg, uit zorg voor de rechtse inlijving van ‘de natie’, gaat ook de progressieve kant van de Duitse cultuur op zoek naar een eigen invulling, schrijft Aleida Assmann, de bekendste historica van de Duitse herinneringscultuur.

Interieur van het Humboldt Forum in aanbouw tijdens Still young at 250!in Berlijn. 13 september © David von Becker / SHF

Het eerste ijkpunt wordt na 1990 de eigen geschiedenis. Het is niet de vooroorlogse geschiedenis of de ddr, maar de misdaden van Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog waar in de jaren negentig de meeste aandacht naar uitgaat, met een intensiteit die nog niet eerder is voorgekomen. Ook deze ongekende ‘schuldcultuur’, zoals Aleida Assmann het noemt, wordt bepaald door de politieke polarisatie. De discussies over de oorlogsschuld komen samen in de planning voor het Holocaustmonument, dat in 1988 voor het eerst wordt geopperd. De emotionele besluitvorming rond de 2710 betonnen stenen die nu naast de Brandenburger Tor staan duurt uiteindelijk twaalf jaar.

Het monument wordt met name door conservatieve politici en denkers hard bekritiseerd. Zij vinden onder andere dat het niet gezond is voor een land om de schuld als belangrijkste symbool in het centrum te plaatsen. Uiteindelijk hakt de nieuwe bondskanselier Gerhard Schröder, een sociaaldemocraat, in 2000 de knoop over het monument door.

Schröder legt datzelfde jaar echter ook de basis voor dat andere symbolische project in het midden: de wederopbouw van het stadsslot. Ten dele is het toeval dat deze projecten in dezelfde periode vallen, maar achteraf gezien ook weer niet. In de harde debatten over identiteit van de jaren negentig horen beide projecten bij elkaar: aan de ene kant van het nieuwe regeringscentrum de uiting van de ‘negatieve’ identiteit, zoals het Holocaustmonument ook wel wordt genoemd, aan de andere kant die van een ‘positieve’.

De wederopbouw van het stadsslot is een plan dat direct na 1990 in met name conservatieve kringen direct al weerklank vindt. Hoe meer aandacht er komt voor de ‘zwarte kanten’ van de Duitse geschiedenis, des te meer neemt in de conservatieve hoek de vraag naar ‘positief patriottisme’ toe. De woede is hierover dan weer in linkse kringen enorm: ze verdenken de voorstanders ervan dat ze met de wederopbouw van het slot de littekens van het Duitse verleden willen wegpoetsen.

Maar ook Schröder is actief op zoek naar uitingen van ‘positief patriottisme’ voor het land. Hij heeft als representant van de ‘derde weg’ niet veel met de strenge moralisten uit zijn eigen progressieve kamp. Schröder wil ‘het volk iets voor de ziel’ geven, zegt hij. Het stadsslot noemt hij ‘een paleis voor het volk’, dat ‘gewoon mooier’ is dan iets moderns of dan het behoud van het Palast der Republik.

Bijna twee derde van de Bondsdag kan van de wederopbouw van het keizerlijke paleis worden overtuigd door een vondst voor de inhoud. De Berlijnse musea zoeken op datzelfde moment heel praktisch naar een locatie voor hun collectie etnografie, maar ze weten dat in een mooi ideologisch verhaal te verpakken. De wereldcultuur in het centrum van Duitsland zou uitstekend passen bij ‘het verhaal van de 21ste eeuw’, zoals de bedenker het noemt: de ‘dialoog der culturen’. De dialoog der culturen moet het antwoord worden van een nieuw progressief Duitsland op de Duitse reactionairen en hun ideeën over etnische exclusiviteit. Het stadsslot zou daarmee tevens herinneren aan de fase van kosmopolitisme van de vroege negentiende eeuw, de tijd van de Von Humboldts, met andere woorden: aan de goede kant van de Duitse geschiedenis.

En zo krijgt Duitsland een progressief ideaal in een door conservatieven voorgesteld bouwwerk in zijn midden. Onder Schröder is het besloten, maar onder Angela Merkel wordt deze paradoxale constructie pas echt uitgevoerd. En achteraf past dat ook wel. De verzoening tussen de progressieve en conservatieve kampen kenmerkt Merkels eerste jaren. Van de heftige polarisatie van de jaren negentig lijkt in het Merkel-Duitsland geen sprake meer te zijn; zelfs de conservatieve cdu omarmt onder haar leiding ineens het idee van de ‘Weltoffenheit’ – en heel Duitsland lijkt het ermee eens te zijn.

T ien jaar duurt het, deze schijnbare consensus van het Merkel-tijdperk. Maar vanaf de vluchtelingencrisis, wanneer Merkel met de welkomstcultuur de ‘dialoog der culturen’ in feite tot een nationale opgave verheft, is het voorbij.

De parallellen met de periode na 1990 zijn in deze jaren na 2015 niet te overzien: opnieuw komen er een miljoen asielzoekers, opnieuw komen er aanslagen van rechtsradicalen, en de opkomst van een nieuwe rechtse beweging heeft het debat over de nationale identiteit in zijn greep.

Als reactie daarop keert progressief Duitsland zich tegen ieder thema dat ‘rechts’ zou kunnen zijn. Met als verschil met de jaren negentig dat dit progressieve geluid nu veel alomtegenwoordiger is dan destijds, wat de rechtse woede alleen nog maar groter lijkt te maken.

In feite verlopen de discussies over nationale identiteit daarmee volgens steeds hetzelfde patroon, zegt de filosofe Thea Dorn. Bij rechts kiest men voor ‘de verstening van het bestaande, het vroegere, de “essentie”’, en bij links voor het ‘wolkenmeer van postmoderne multi- en hyperculturaliteit’. De hernieuwde politieke polarisatie maakt het volgens haar daarom nauwelijks meer mogelijk zinvol over het thema identiteit te discussiëren.

Dorn wil het thema niet aan beide uitersten overlaten. Ze is een van de hedendaagse Duitse dichters en denkers die de afgelopen jaren op zoek zijn gegaan naar andere wegen. Het succes van rechts betekent immers niet dat de vraag naar de identiteit op zichzelf opzij moet worden gezet, zoals aan progressieve zijde vaak te horen is. Het gaat er juist om hoe het ‘eigene’ kan worden bewaard, zónder zich af te sluiten voor het ‘andere’; hoe de eigen cultuur kan blijven bestaan zónder de dynamiek van de traditie te ontkennen.

De grimmigheid van de discussies rond de culturele identiteit in Europa wijst er in eerste instantie op dat de conflicten hierover zullen toenemen. Diverse bezorgde denkers wijzen op de toegenomen fragmentatie, op de verbrokkeling in plaats van een samenleving waarin een nieuwe eenheid kan ontstaan. De optimisten wijzen erop dat de debatten ook een overgangsfase kunnen zijn, van de ene status quo naar de andere. Aan het eind van die turbulente fase kunnen dan culturele vormen opduiken waarin het historisch gegroeide ‘eigene’ aangepast wordt, met nieuwe elementen aangevuld.

De vraag is natuurlijk hoe sterk dit proces van bovenaf gestuurd dient te worden. De discussies over het stadsslot doen daarom wel wat denken aan die rond Zwarte Piet, die in Nederland in de afgelopen jaren is uitgegroeid tot omstreden symbool van nationale identiteit. Zowel het stadsslot als Zwarte Piet roept de vraag op hoe de hedendaagse samenleving met haar oude tradities in een nieuwe multiculturele realiteit dient om te gaan.

In Nederland is na de felle Zwarte Piet-discussies een pragmatische oplossing bedacht: een Zwarte Piet zonder krullen en oorbellen, maar met roetvegen. Het is een typisch Nederlandse middenweg waar geprobeerd wordt beide kanten van het debat tevreden te stellen. Duitsland probeerde eerder al ook zo’n middenweg: een voormalig keizerlijk paleis met een christelijk kruis erop, dat tegelijkertijd ‘de dialoog der culturen’ dient te stimuleren.

Het doel is duidelijk: in het midden van Berlijn moeten de tegengestelde kampen in de Duitse gepolariseerde cultuur verzoend worden. Maar lukt dat? Een ding is zeker: de paradoxale constructie op het slotplein zal de komende jaren aanleiding zijn voor een lange stroom nieuwe debatten over het thema identiteit.

Het is de vraag of dat wel zo erg is. Een nationale identiteit is immers niet iets dat vaststaat, zei Nietzsche al, die zich graag over het thema boog. Precies omdat de gemeenschap steeds verandert, dient de vraag naar de identiteit steeds opnieuw gesteld te worden – zeker in Duitsland. ‘Het kenmerkt de Duitsers dat de vraag naar wat Duits is nooit zal uitsterven’, zoals het beroemdste citaat van Nietzsche over het thema luidt.

In die zin is de voortdurende confrontatie van de tegendelen een passende dynamiek voor het midden van Berlijn – al zal het een stuk minder harmonieus zijn dan de politici zich begin 21ste eeuw hadden voorgesteld.


Merlijn Schoonenboom, Een kleine geschiedenis van de grootste Duitse worsteling: De zoektocht naar identiteit in het machtigste land van Europa, Querido, november 2019