Biografie Heiner Müller

Een panorama van verboden teksten

In zijn biografie van de Oost-Duitse toneelschrijver Heiner Müller schetst literatuurwetenschapper Jan-Christoph Hauschild een literaire «mentaliteiten geschiedenis» van de DDR. Het is een oproep om Müller, die in zijn land slechts werd getolereerd, weer te lezen. En te spelen.

«Teigbirne» werd-ie in zijn jeugd in Saksen genoemd; «slapjanus» zouden wij zeggen, of in modieuzer tongval «softie». Hoe dan ook, zijn klasgenoten stuurden het zwakke en bangig uitgevallen kereltje Heiner Müller altijd als eerste het ijs op, om te kijken of het hield, en hij signaleerde later: «ängstlich trat ich als Kind auf die knackende Fläche und hab mich alles gemerkt». Quasi held tegen wil en dank. Ook in die cruciale scène uit 1933, als Heiner vier is en zijn vader, een overtuigd sociaal-democraat, wordt opgehaald «door vreemden, met bruine uniformen aan». De jonge Müller houdt zich uit angst slapend.

Samen met moeder bezoekt Müller zijn vader in een kamp, een schrijnende scène achter ondoordringbaar gaas (beschreven in het korte verhaal Der Vater). Na de oorlog krijgt vader opnieuw problemen, nu met de bureaucraten van de kersverse DDR. In 1951 vlucht het gezin Müller naar het Westen, zonder Heiner. Müller zag zijn vader nog één keer terug, achter het glas van een isoleerafdeling in een ziekenhuis, Charlottenburg, Berlin-West — de geschiedenis herhaalde zich wreed, ze konden elkaar opnieuw niet aanraken. Heiner Müller heeft zijn achter blijven in de communistische heilstaat altijd uitgelegd als vadermoord.

Toen Heiner Müller op 30 december 1995 stierf, werd hij vooral herdacht als de kroniekschrijver van de communistische revolutie. Maar dat is hij nooit geweest. Müller was van meet af aan een hardhandig chroniqueur van het onontkoombare slachtveld dat geschiedenis heet. In de inleiding bij een bundeling van zijn teksten, in 1990 verschenen onder de titel Het eiland van het grote bloedbad, staat: «Elke revolutie vraagt onmenselijke offers van haar revolutionairen, waardoor het doel van die revolutie — een betere wereld — bij voorbaat onmogelijk is geworden. Het is het mechanisme waardoor marxisme degenereert tot stalinisme, de bloedige kringloop waarin alleen het rücksichtslos onder ogen zien van de feiten enige hoop biedt. Een constructief defaitisme, zoals Müller het noemt.»

Of de apparatsjiks van de DDR hem liever zagen gaan dan blijven is een vraag die door de feiten is beantwoord: Heiner Müller werd getolereerd. De schrijfster Christa Wolf zei eens tegen een partijfunctionaris van de communisten dat als ze Müller ook het land uit zouden pesten, zíj niet meer zou weten waar de DDR toe diende. De functionaris antwoordde: «Die Müller stoort ons niet. Wat die man schrijft begrijpt niemand.»

In zijn Müller-biografie Das Prinzip Zweifel bedrijft de literatuurwetenschapper Jan-Chris toph Hauschild gelukkig geen tekstexegese, hij forceert geen door analyse afgedwongen begrijpen. De biograaf doet in feite wat Müller in zijn werk ook steeds probeerde: het verbinden van particuliere ervaringen met historische (met name keerpunten in de Duitse geschiedenis), het omvormen van een natuurlijke chaos tot een esthetische. Hau schild volgt Müllers leven en loopbaan als een bezetene, wat geen slechte eigenschap is voor een biograaf. Hij heeft ijverig gespeurd naar gebeurtenissen die zijns in ziens essentiële impulsen zijn geweest voor Müllers belangrijkste werken en hij plundert daartoe rijkelijk Müllers autobiografische boek Krieg ohne Schlacht: Leben in zwei Diktaturen. In feite heeft Hauschild (tot nu toe bekend als specialist in grote Duitsers als Georg Büchner en Heinrich Heine) niet alleen de door hem bewonderde auteur goed geportretteerd, maar ook een literaire «mentaliteitengeschiedenis» van de DDR geschreven.

Bij Heiner Müller biedt die geschiedenis een panorama aan verboden teksten, waaruit blijkt dat de auteur dan misschien geen held is geweest, maar ook niet bang was uitgevallen. Tekenend voor Müllers botsingen met de DDR-bureaucraten was de zogenoemde «Umsiedlerin-affaire», nu bijna veertig jaar geleden. In het toneelstuk Die Umsiedlerin, door de schrijver zelf «eine Geschichtskomödie» genoemd, behandelt hij de landhervormingen en de gedwongen socialistische collectivisering van de bouwgrond in de DDR. Allemaal zeer liefdevol opgetekend vanuit het perspectief van een aantal eenlingen die met verbijstering de discrepantie tussen de communistische utopie en de alledaagse waanzin van het «reëel bestaande socialisme» aan den lijve ondervinden.

Die Umsiedlerin is een stuk over ongeduld, in feite de uitwerking van een korte tekst die Heiner Müller in 1950 schreef over zijn grootvader: «Ik ben altijd een goede arbeider geweest, zei grootvader vaak, dan moet ik nu toch goed af zijn in een arbeidersstaat. Hij begreep niet dat je geduld moet hebben om de gevolgen van geduld weg te werken. Te velen hadden te veel te lang geduld. Ik zie hem nog voor me, met zijn gerimpelde kindergezichtje, volmaakt tevreden en later, toen het op zijn eind liep, verstarrend in de korzelige grimas van een afgeschminkte komediant. Hij, mijn grootvader, arbeider uit Saksen, gestorven in 1946, vijfenzeventig jaar oud, ongeduldig, tengevolge van geduld.»

Het stuk Die Umsiedlerin beleefde de eerste try-out op een internationale manifestatie van studententheater, 30 september 1961, anderhalve maand na de bouw van de Berlijnse Muur, en werd een op ovaties onthaald publiekssucces. Meteen de volgende dag werd het stuk verboden, het theater gesloten, alle manuscripten ingenomen (en in het ministerie voor Cultuur verbrand), de medewerkers aan de opvoering werden aan een inquisitieverhoor onderworpen. Regisseur Tragelehn kreeg een beroepsverbod opgelegd en Müller werd voor de duur van twee jaar uit de schrijversbond gezet, wat in feite een publicatieverbod betekende.

In de ruim 28 jaar die volgden tot de val van de Muur zou Müller uitgroeien tot het geweten van de Duitsers drüben, op de West-Duitse en Europese podia steeds vaker gespeeld, in zijn eigen land op z'n best gedoogd, slechts zeer mondjesmaat op de DDR-podia uitgevoerd.

De Müller-tekst die het langst door publicatie- en speelverbod getroffen bleef, is misschien wel zijn bekendste, één van zijn kortste, en volgens velen zijn beste, én zijn meest hermetische: Die Hamletmaschine, een stuk dat in 1977 ontstond, enkele maanden na de dood van zijn vader. Müller speelde al geruime tijd met de gedachte aan een variant op het verhaal van Hamlet: als zoon van een slachtoffer uit de stalinistische zuiveringen in de jaren vijftig. De werktitel luidde Hamlet in B. (Boedapest, Boekarest, Berlijn?). Müller schreef schriften vol maar kreeg de personages niet met elkaar aan de praat. Toen besloot hij tot een drama over het eind van het drama, een Hamlet die niet meer wil optreden: «Ik ben Hamlet niet. Ik speel geen rol meer. Mijn woorden hebben mij niets meer te vertellen. Mijn gedachten zuigen het bloed uit de beelden. Mijn drama zal niet meer plaatsvinden. Achter mij wordt het decor opgebouwd. Door mensen die niet geïnteresseerd zijn in mijn drama, voor mensen die het niets aangaat. Mij interesseert het ook niet meer. Ik doe niet meer mee.»

Hamlet als intellectueel die te lang met zijn neus in de boeken heeft gezeten en de verhoudingen om hem heen niet meer begrijpt (een idee dat Brecht al eens had geopperd), die tot de orde wordt geroepen door Ophelia («Ik gooi de deuren open zodat de wind en de schreeuw van de wereld naar binnen kan»). Ophelia houdt een ferm pleidooi voor de ultieme opstand, die van de dood. Ze besluit haar naam te veranderen, vanaf nu heet ze Elektra: «Ik neem de wereld terug die ik gebaard heb tussen mijn dijen. Ik begraaf ze in mijn schaamstreek. Weg met het geluk van de onderwerping. Leve de haat, de verachting, de opstand, de dood. Als zij met slagersmessen door jullie slaapkamer loopt, zullen jullie de waarheid kennen.»

De tekst werd een wereldsucces, onder meer door twee ensceneringen van Robert Wilson (Californië en Hamburg), maar bleef in de DDR not done, vanwege het voor een staatssocialistische dictatuur onverdraaglijke cultuurpessimisme. Müllers zoveelste aanvraag om de tekst in Oost-Duitsland gespeeld te krijgen, voorzag hij van een citaat van Ilja Ehrenburg, zijn favoriete motto: «Als het communisme heeft gewonnen en alle economische problemen zijn opgelost, begint de tragedie van de mens: de tragedie van zijn sterfelijkheid.» Helpen deed het niet, Die Hamletmaschine bleef voor de DDR-apparatsjiks onverteerbaar.

Tot de arbeidersstaat zelf begon te wankelen en Müller op het briljante idee kwam zijn tekst te mengen met Shakespeare’s origineel. Wat uiteindelijk leidde tot de fascinerende theatergebeurtenis Hamlet/Hamletmaschine, een requiem voor de staat die Müller haatte maar die hij nooit kon achterlaten. Première: 24 maart 1990, vier maanden na de val van de Berlijnse Muur.

Heiner Müller oder das Prinzip Zweifel van Jan-Christoph Hauschild documenteert deze en andere gebeurtenissen op een indringende manier. Wie de beelden erbij wil, moet het prachtige, bijna vijfhonderd pagina’s tellende fotoboek Heiner Müller 1929-1995: Bilder eines Lebens raadplegen, dat bij Schwarzkopf & Schwarzkopf voorbeeldig is uitgegeven. En dan zijn er natuurlijk nog de teksten. Niet: «Geen mens of theater zal er meer naar grijpen. Die teksten zijn as, waar niks meer op groeit», zoals bij Müllers dood in 1995 in het weekblad Die Zeit werd geschreven, maar een uitdaging. Of zoals een Duitse criticus van de Müller-biografie signaleerde: «Na het lezen van dit boek kun je je opeens weer voorstellen dat een theatermens op het Müller-materiaal stoot, ernaar kijkt als een toevallig opgeraapt gevonden voorwerp. En er vervolgens mee aan het werk gaat.»

Jan-Christoph Hauschild, Heiner Müller oder Das Prinzip Zweifel

Uitg. Aufbau-Verlag, 619 blz., ƒ68,90