Beeldende kunst - Hendrik Werkman

Een paradijs van stempels en sjablonen

Net als veel andere kunstenaars van zijn tijd wilde Hendrik Werkman ontkomen aan een wereld die hem te veel was geworden. Kunst werd zijn toevluchtsoord.

Medium werkm

Hendrik Nicolaas Werkman was een van de grootste Nederlandse kunstenaars van de twintigste eeuw. Wie was hij? Daarop geven niet alleen zijn werk, zijn beroemde druksels, maar ook zijn gepubliceerde brieven en de verhalen van familie en vrienden een vaak ontroerend antwoord. Een van de meest indringende verhalen over Hendrik Werkman is afkomstig van zijn dochter Fie. Zij vertelde mij het zelf en het werd in 1995 ook opgeschreven door Aukje Holtrop in een interview met Fie in Vrij Nederland.

Het was de zomer van 1930. Fie had haar eindexamen gedaan. Zij woonde toen bij haar tweede moeder, die haar en haar broer en zusje met liefde en aandacht had opgevoed. Maar Fie trok naar haar vader. ‘Dat was een heel moeilijke keuze, ik zat tussen die vader en moeder. En je wilt loyaal zijn. Maar ik hoorde bij mijn vader, ik vond dat ik daar moest zijn’, vertelt ze. Zij fietste weg met het zeildoeken schooltasje waarin al haar bezittingen zaten. ‘Ik had niks. Ja, een druksel van mijn vader dat ik hem gevraagd had toen ik bij hem wegging om in mijn kamertje op te hangen… Dat druksel kon natuurlijk niet in dat kleine tasje, dat heb ik later opgehaald. En zo fietste ik weg met dat tasje. Ik heb mijn moeder een hand gegeven, het halfbroertje was erbij. Ik was beladen met schuldgevoel. Maar ik heb er nooit spijt van gehad.’

Holtrop vraagt: ‘Was uw vader blij dat u kwam?’ Fie antwoordt: ‘Dat neem ik wel aan, hij was op mij gesteld. Maar hij liet dat niet merken.’ Dan geeft Fie met lichte aarzeling toe dat ze daar wel een hekel aan heeft gekregen, aan dat zwijgen van haar vader. ‘Hij uitte zich in zijn werk. Maar tegen zijn kinderen zei hij niet veel.’

De stilte om hem heen, daarvan vertelden mij toen ik nog een schooljongen was Werkmans kunstenaarsvrienden van de Vereniging De Ploeg. Toen ik meteen na mijn afstuderen een publicatie over Werkman voorbereidde en die Ploegers interviewde, kwamen zij steeds terug op dat zwijgen. De Ploegers van toen, Job Hansen, Wobbe Alkema en Jan Altink, waren trouwens ook niet erg van de tongriem gesneden. Van een bezoek aan Werkmans beste vriend, Job Hansen, kwam ik niet zelden thuis na een gezellig uurtje zwijgen. Maar Werkmans stilte was zelfs voor Job iets bijzonders.

Maar toch had die stille man een grote uitstraling. Hij was onmiskenbaar prominent aanwezig in het Groningse kunstenaarsmilieu. In 1923 was hij voorzitter van De Ploeg en in 1932 werd hij zelfs tot erelid benoemd, omdat hij zich stevig voor de vereniging had ingezet. Die eer dankte hij zeker niet aan zijn sociale vaardigheden. In zijn werk is niet voor niets communicatie tussen mensen gethematiseerd. In 1938 maakte hij twee ongewoon grote schilderijen, een over mensen in gesprek en het andere over een verstoord gesprek. In kunst maakte Werkman aan zichzelf duidelijk hoe een gesprek eruitzag en hoe het onderbroken kon worden. Hij was zelf geen deelgenoot van die geschilderde wereld, maar hij keek ernaar via zijn kunst.

Die houding van creatieve reflectie is een essentieel gegeven om zijn werk te kunnen begrijpen. Uit die bron komen ook zijn eerste druksels voort: in 1923 staat hij bij zijn drukpers op de zolder van het pakhuis aan de Lage der Aa. Hij heeft geen werk meer en kijkt naar de drukpers en het zetmateriaal waarvoor hij nu geen emplooi meer heeft. Dan begint hij ermee te spelen. Door het afdrukken van allerlei kantig materiaal uit de zetkast – houten en metalen blokjes – ontstaat een beeld van daken en schoorstenen geïnspireerd op de wereld die hij vanuit de ramen van zijn zolder waarneemt. Stilte, spelen, onbevangen kijken, dat hoort allemaal bij Werkman.

Misschien was het zijn ingekeerdheid die de wens om stilte te doorbreken met kunst zo intens maakt. Werkman schrijft er veel over in brieven aan zijn vrienden en in zijn reeks avant-gardistische publicaties, de Next Calls, kondigt hij in september 1923 met een roze pamflet aan dat eindelijk de stilte doorbroken moet worden: ‘Aangezien wij dus overtuigd zijn dat het nog niet te laat is, zullen wij spreken.’ En dat spreken gaat door middel van kunst, want ‘kunst is overal. Zij wordt de mens als het ware door de vogels op de jas geworpen.’ En de laatste zin van dat merkwaardige geschrift luidt: ‘Wacht niet tot na het ontbijt, uit vrees dat Uw opgewarmde koffie koud zal worden.’ Hoe hoog Werkmans teksten ook mogen draven, zijn gevoel voor humor maakt dat van de avant-gardistische pamfletten uit die tijd die van Werkman ook nu nog toegankelijk zijn.

Maar voor zijn mede-Ploegers die dat roze pamflet in de bus kregen was dat niet het geval. ‘We wisten niet wat we ervan moesten denken’, vertelden zij mij vijftig jaar later. En dat gold ook Werkmans Next Calls. Voor vernieuwing van de typografie is deze reeks van negen nummers van onschatbare waarde geweest. Daarom is misschien aan de inhoud van de teksten zelf minder aandacht besteed. In nu eens felle, dan weer poëtische uitingen neemt Werkman de wereld van de gezeten burgerij onder vuur. Hier en daar geeft hij speels de contouren aan van een nieuwe samenleving. Hij richt zelfs een typografisch monument op voor Lenin – zeker het kleinste en misschien wel het mooiste monument dat ooit voor de man is gemaakt.

‘Kunst is overal. Zij wordt de mens als het ware door de vogels op de jas geworpen’

Voor mij heeft altijd de negende Next Call het meest betekend, omdat de teksten erin opeens heel persoonlijk zijn en niet polemisch. Die laatste Next Call ziet er ook anders uit dan de vorige: hij is veel groter (135 x 42 centimeter) en heeft een opdracht aan de achterkant: aan de Servische avant-gardist Lloubomir Mitzich. Wanneer je Next Call 9 openlegt en de binnenbladen verwijdert, zijn naast elkaar twee teksten te zien. Met de tekst links belijdt Werkman dat hij niet weet wat te doen. Strijden is doelloos en dan volgen alle varianten op dit neerslachtige motto die hij maar kon bedenken. Idealen zijn verloren geraakt. Het is daarom in je eigen belang om met leuzen en uitvluchten te komen. Anders wacht zwaarmoedigheid.

In 1926 geeft zijn maatschappelijke en financiële situatie daar ook alle reden toe. Mede door die zware letters wordt zijn wanhoop voor de lezer voelbaar. De woorden die extra groot zijn gedrukt hebben in die context iets onontkoombaars. Het is één lange verzuchting met een heel andere toon dan de teksten van de acht eerdere Next Calls. Daar ging het om polemiek, poëzie of hartenkreten als: ‘Een ziel doorklieft/ het lijf dat vreest/ de vrijheid van de geest’. Daar is sprake van verwachting van een nieuwe maatschappelijke orde. Maar op de laatste Next Call, dit document van doelloosheid, is geen vervolg, dit is het einde.

Aan die neerslachtigheid ontspringt toch een verlangen. Een hunkering naar een paradijs van ooit: ‘Damals als die Erde noch nicht rund war. Damals als die Kunst noch keine Kunst war. Damals als die Ameise noch nicht fleiszig war. Damals als er noch jung war. Damals als sie noch klein war. Damals als meine Mutter noch sang. Damals als es Sommer war. Damals als es noch vorgestern war. Damals als gestern noch nicht heute war.’ Het is een litanie over ‘destijds’ – ‘over een verloren wereld’. Het is ontroerend om te lezen wat Werkman in die ongerepte ‘wereld van ooit’ projecteert, van de mier die ooit nog niet vlijtig was tot zijn moeder die zong.

De behoefte om een goed heenkomen te zoeken in het verleden voor het harde leven in het heden komt bij Werkman alleen hier duidelijk tot uitdrukking. Veel vaker spreekt hij van een verre plék waar hij zou kunnen ontkomen aan een wereld die hem te veel was geworden. Net als vele andere kunstenaars van zijn tijd wil hij ergens anders naartoe, waar kunst nog geen kunst is, waar onze beschavingsidealen nog niet tot strakke disciplinering hebben geleid. Hij zegt in 1932 zelfs het lidmaatschap van De Ploeg op, omdat hij wil emigreren. Maar Werkman blijft en vindt in zijn kunst de mogelijkheid ver weg van de werkelijkheid te zijn. Vanaf 1936 is het verbeelden van het aards paradijs een steeds terugkerend thema in zijn werk.

Naar aanleiding van de serie druksels Vrouweneiland schreef hij op 12 juli 1942 aan Julia Henkels: ‘De druksels van het paradijs, niet het bekende paradijs, maar het onbekende, ergens in een werelddeel dat nog door geen mens uit de cultuurstaten is ontdekt – daarheen ben ik gevlucht omdat het in onze wereld haast niet meer te houden is.’ En drie dagen later schrijft hij aan zijn vriend Paul Guermonprez: ‘Het is in elk geval een landstreek waar nog nooit een blanke een voet heeft gezet. Ik kan er dus ook geen verklaring voor geven, maar ik kan je wel zeggen, dat ik er altijd erg naar verlangd heb en blij ben het eindelijk te hebben gevonden.’ Werkman kon werkelijk in zijn verbeelding wonen, in het paradijs dat hij zichzelf schiep met stempels, sjablonen en de inktrol.

Sjablonen zijn uit papier gesneden vormen. Daarmee schiep Werkman in de jaren dertig nieuwe mogelijkheden voor zichzelf. Toen gingen ook figuren zijn druksels bevolken. Onlangs vroeg ik me af hoe ik in vredesnaam al zestig jaar lang dagelijks naar zijn voorstellingen van de chassidische legenden heb kunnen kijken zonder dat ze ooit zijn gaan vervelen. Dat heeft alles te maken met de manier waarop Werkman van die sjablonen gebruik maakt. Hij snijdt figuren uit die hij vervolgens met de inktrol kleur geeft. Die golvende figuren zijn anoniem. Alleen in de legenden hebben ze namen, niet in de beelden. Daar zijn ze van iedere individualiteit ontdaan en tot algemene gestalten geworden. Daardoor kun jij je er gemakkelijk mee identificeren: met wat ze doen of met wat er met hen gebeurt. Bij welk verhaal ze horen ben je al lang vergeten.

Ten slotte kom ik terug bij Fie. Na de moord door de SD op haar vader in het bos bij Bakkeveen heeft zij haar leven en haar kunstenaarschap ondergeschikt gemaakt aan de herinnering aan haar vader. Dankzij een tip van mijn vriend Joost van Bodegom kwam het Groninger Museum op het spoor van een grote collage die zij ooit heeft gemaakt als herinnering aan haar vaders dood. Het werk hangt in de kerk De Mande in Bakkeveen. Nu wordt het getoond in de tentoonstelling in het Groninger Museum.

Het lijkt een sjabloon à la Werkman, maar het is een collage. Werkmans sjablonen geven een figuur een zekere algemene betekenis; het zijn geen specifieke menselijke figuren maar gestalten. In dezelfde trant heeft Fie niet de moord op haar vader laten zien. En ze heeft ook niet zijn dode lichaam in beeld gebracht. Een gestalte valt voorgoed. Hij is ons ontvallen. Werkman heeft ooit een tekst gemaakt met de titel Ars longa, vita brevis, de kunst heeft duur, ons leven is kort. Daar is deze gestalte een indrukwekkende getuigenis van.


De tentoonstelling H.N. Werkman (1882-1945) Leven werk is t/m 1 november te zien in het Groninger Museum

Beeld: H.N. Werkman, Chassidische legenden I: De gedwongen terugkeer_, 1942. Sjabloon en rol op papier, 51,1 x 33 cm (Marten de Leeuw / Collectie Groning er Museum)_