Interview met socioloog Willem Schinkel

‘Een paranoïde patiënt zonder zelfvertrouwen’

Nederland kampt volgens socioloog Willem Schinkel met een ‘Michael Jackson’-syndroom. Het integratiedebat toont een ‘hypochondrische maatschappij’ die op het hoogtepunt van haar welvaart geobsedeerd is door vermeende aandoeningen.

‘Jongens, wat een pretenties. Als dat maar goed gaat’ – zo eindigt het eerste hoofdstuk van Denken in een tijd van sociale hypochondrie. De 31-jarige theoretisch socioloog Willem Schinkel schrijft ronkend en gebruikt gruwelijk grote woorden, maar is zelf de eerste om dat toe te geven. In de voorafgaande pagina’s heeft Schinkel aangekondigd niet alleen een unieke analyse van het integratiedebat en ’s lands toestand in het algemeen te willen geven, maar en passant ook een nieuwe sociologische theorie uit de doeken te doen. Daarbij neemt hij in navolging van de Franse socioloog Pierre Bourdieu een positie in ‘niet links, niet rechts, maar links van links’, voorbij de geijkte kaders dus. En ja, het is toevallig ook een aardige variatie op Rita Verdonks tot in den treuren herhaalde motto.

De vette knipoog bij dit alles zal niemand ontgaan. Waar het om gaat, legt Schinkel gezeten achter zijn onder de boeken en papieren bedolven bureau op de Rotterdamse Erasmus Universiteit uit, is gewoon een beetje lef te tonen. Branie, intellectuele durf. Links heeft zich te lang in het verdomhoekje laten drukken. En te veel Nederlandse sociologen krijgen het voor elkaar om als het over integratie gaat ‘voor geen millimeter méér conceptuele verheldering te zorgen dan kroegbazen’, zoals hij het noemt.

Daar stelt u een analyse tegenover van Nederland dat zou lijden aan sociale hypochondrie. Leg uit.

Willem Schinkel: ‘Neem de debatten rond moslims. We hebben het over het verbieden van boerka’s, voordat iemand er bij wijze van spreken een gezien heeft. We maken ons druk over dubbele nationaliteiten van staatssecretarissen, over een moslim die vrouwen geen handen schudt. Een maatschappij die daarover al in rep en roer raakt, is een zieligerd. Nederland gedraagt zich als een paranoïde patiënt zonder zelfvertrouwen, die overal om zich heen bedreigingen ziet van zogenaamde radicale elementen of vreemde smetten. Het is de hypochonder die zijn billen spant, de broekriem aanhaalt, zijn ogen samenknijpt en zich ondertussen alleen maar zieker en kwetsbaarder voelt. Een zelfde overreactie zie je bij de discussie over terrorisme. Er is niet één wetenschappelijke definitie van terrorisme waar de moord op Theo van Gogh onder valt. Al-Qaeda, dat is terroristisch. Die groep maakt bewust willekeurige slachtoffers. Met als gevolg dat ook als jou of mij niets is overkomen, we toch het gevoel hebben dat we slachtoffer hadden kunnen zijn. Die angst onder de bevolking zorgt voor druk op de politiek. Zo hoopt een terrorist zijn doel dichterbij te brengen. Mohammed B. heeft een afschuwelijke moord begaan. Maar terrorisme? Dat is typisch de conclusie van een patiënt die zichzelf een rol toedicht in het wereldhistorische gebeuren van de clash of civilizations. Zo van: wij doen ook mee, we horen er ook bij.’

Vanwaar juist die opmerkelijke metafoor om de Nederlandse situatie te analyseren?

‘Onze maatschappij is door de hele geschiedenis heen gedacht als een organisme, lijkend op het menselijk lichaam. Dat organicistische denken zie je al bij Plato, die het lichaam van de polis onderverdeelde in filosofen-regenten aan het hoofd en boeren en handwerkslieden in de lagere regionen. Maar als de maatschappij een lichaam is, is zij ook sterfelijk. Die gedachte is niet te verdragen. Net als de mens heeft de maatschappij daarom strategieën om haar sterfelijkheid te negeren. Aan het einde van de maatschappij stond in het verleden niet de dood, maar de socialistische heilstaat, de werkelijk liberale maatschappij of het laatste oordeel. Kenmerkend voor onze postmoderne tijd is dat zulke verhalen aan plausibiliteit hebben ingeboet. Natuurlijk zijn er nog gefragmenteerde, tegengestelde verhalen. Maar er is geen consensus meer over de richting die we opgaan. De maatschappij heeft als het ware geamputeerde benen; ze is niet langer op weg ergens naartoe. Wij weten niet meer wie wij zijn, waar we voor staan. Niet voor niets hebben we een speciale commissie nodig voor de canon en een nationaal museum. Het laatste soort doel dat ons rest, is groei. Het ideaal van onze maatschappij is in feite de dikzak. Groeien om wille van de groei.’

U spreekt in uw boek over Operatie Obesitas. De bijbehorende schaamte uit zich in overdreven zorg om fitheid, slankheid, gezondheid en schuldgevoelens ten opzichte van de minder bedeelden en het milieu. Maar, schrijft u, in tijden van economische laagconjunctuur kan ook die groei niet langer het einde doen vergeten.

Willem Schinkel: ‘Op zo’n moment komt de maatschappij tot stilstand. Dan gaat ze zichzelf bevoelen. Ze constateert dat ze een lichaam is met allerlei kwaaltjes en pijntjes. Maakt zich zorgen over de vergrijzing. Ze gaat zichzelf voortdurend monitoren, evalueren. Want wie alleen maar denkt aan zijn ziekte, denkt in ieder geval niet aan de dood. Dat is de conditie van sociale hypochondrie, de laatst mogelijke negatie van de dood.

Dat komt nergens zo duidelijk tot uiting als in het integratiedebat van de laatste jaren. De enige manier waarop wij onze identiteit nog kunnen vaststellen, is door het verschil te benadrukken tussen onze maatschappij en een groep daarbuiten. Dan gaat het niet alleen over migranten. Allochtonen, werklozen, criminelen: alles wat buiten de samenleving staat, moet integreren of reïntegreren.’

U neemt het de sociologie kwalijk dat zij hieraan meewerkt. U hekelt de stroom aan onderzoeken waarin sociologen en adviesraden integratie onder allochtonen meten en spreekt van een ‘integratie-industrie’. Waarom?

‘Sociologen maken integratieanalyses, maar hebben nooit een analyse gemaakt van dat rare verschijnsel van een maatschappij die constateert dat sommige delen van zichzelf niet goed geïntegreerd zijn. De sociologie prostitueert zichzelf aan het maatschappelijk lichaam. Het achterliggende probleem is dat de sociologie zelf afscheid denkt te hebben genomen van het organicistisch denken, waarin de maatschappij beschouwd wordt als een lichaam. Maar onbewust heeft ze uit dat denken voortkomende begrippen als maatschappij en integratie overgenomen. Dat is problematisch. Thatcher had in zekere zin gelijk toen ze opmerkte dat er no such thing as society was. Je kunt niet over de maatschappij praten als een vaststaand gegeven, waarbinnen je zaken analyseert. De maatschappij is het resultaat van een sociaal proces. Zij wordt voortdurend opnieuw gedefinieerd. In het verleden zag zij er heel anders uit, en zij kan dus ook in de toekomst heel anders worden. Het idee om de maatschappij vast te leggen als joods-christelijk of humanistisch is daarom bizar.

Zo’n visie op de maatschappij lijkt abstract, maar heeft grote gevolgen voor het integratiedebat. Want waarin moet wie integreren? Sociologen doen wel alsof de maatschappij of de samenleving een neutraal gegeven is, maar het zijn morele termen. Carl Schmitt heeft eens gesteld: “Wie mensheid zegt, wil bedriegen.” Ik betoog: “Wie maatschappij zegt, wil bedriegen.” Interessant in dat opzicht is de reactie van Verdonk op de vraag of Mohammed B. volgens alle gangbare criteria niet gewoon geïntegreerd was. “Kennelijk niet”, was haar antwoord. Dus op het moment dat iemand een moord pleegt, blijkt hij al die tijd niet bij de maatschappij te hebben gehoord. Blijkbaar is de maatschappij vrij van moorden. Alle bedreiging wordt waargenomen als afkomstig van buiten. De samenleving is een lichaam dat gezond is, gezuiverd van virussen, bacteriën en Franse toestanden. Dat is uiteraard een fictie. Denk ook aan de inburgeringscursussen. Daarin wordt de vraag gesteld wat je doet als de buurvrouw jarig is. Tja, wat doet de gemiddelde Nederlander dan? Negeren en hopen dat je geen geluidsoverlast hebt van het feestje. Maar nee, je moet een bloemetje geven. Zo pusht de regering een beeld van een maatschappij die al lang niet meer bestaat.’

Als u het debat op die wijze deconstrueert, lijkt het alsof er helemaal geen problemen zijn rond zaken als criminaliteit, de positie van allochtone vrouwen of de opkomst van een fundamentalistische versie van de islam.

Willem Schinkel: ‘Er zijn zat problemen. Maar die moet je op de goede manier diagnosticeren, niet vanuit het huidige cultureel-racistische perspectief – culturisme noem ik dat. Daarin worden integratieproblemen in toenemende mate voorgesteld als culturele problemen. Dat is onproductief. Als je zegt dat criminaliteit voortkomt uit cultuur, wat kun je daar nog aan doen? En trouwens, hoe verklaar je dan dat de eerste generatie migranten niet zo crimineel was? Ik wil mensen echt niet verbieden te praten over bijvoorbeeld Marokkaanse probleemjongeren. Het is alleen de vraag of het zin heeft. Als je problemen signaleert – en die ontken ik geenszins, het is interessant dat je dat tegenwoordig expliciet moet herhalen – wil je ze ook oplossen. De beste recepten daarvoor zijn nog altijd arbeid en scholing. Maar als je dat tegenwoordig roept, ben je politiek correct. Dan is dat verouderd denken, hoor je bij de linkse kerk en noem je de dingen niet bij de naam. Maar het alternatief is sinds de Fortuyn-revolutie vooral retorisch gebleken. We hebben jarenlang een kabinet gehad dat van de daadkracht was. Er gebeurde niets! Ja, er is een inburgeringswet gefabriceerd. Daar deed men vier jaar over en het is een draak van een wet die niet werkt. (lachend:) Ik ben voor meer daadkracht!’

Hoe beoordeelt u de rol van links in het integratiedebat?

‘Links heeft zich door die retorische trucjes in de hoek laten drijven. Linkse politici zijn opgeschoven en spreken nu ook in termen die vijftien jaar geleden nog als racistisch werden waargenomen. En rechtse en conservatieve politici hebben het ineens over vrouwenemancipatie en homorechten. Hirsi Ali was wat dat betreft een perfect mouth piece voor hen. Hier was een vrouw die deze onderdrukking aan den lijve had meegemaakt, dus ze konden haar alles laten zeggen. Maar ze diende enkel om het discours open te breken. Toen de parameters van het integratiedebat eenmaal naar rechts waren verschoven, was ze overbodig. Dezelfde partij die haar eerst omarmde, liet haar nu keihard vallen. Het was links dat haar toen heel consistent bleef steunen. Trouwens, nog iets anders: in alle kabinetten die het gehekelde “multiculturele” beleid maakten, was het cda de constante factor, niet links.’

Wat is uw alternatief? Is er een nieuw einddoel nodig, een Groot Verhaal, ter bestrijding van de sociale hypochondrie?

‘Ik denk dat we daarnaar snakken en dat de huidige politici dat niet bieden. Maar het is niet de taak van de sociologie om dat perspectief aan te dragen. Het is haar taak scherpe analyses te bieden van hoe de situatie nu is. Wat dat betreft wil ik een steen in de vijver gooien. Ik wil ontwrichtend denken. Inhakken in de muur van de sociale werkelijkheid, daar doorheen meppen, om een doorkijkje te geven voorbij die muur. Als je als sociologen begrippen uit de common sense niet analyseert maar overneemt, draag je alleen maar bij aan de legitimering van die common sense. En er is al zoveel gewauwel.’

Willem Schinkel, Denken in een tijd van sociale hypochondrie: Aanzet tot een theorie voorbij de maatschappij, Klement, 520 blz., € 37,95