Een park van rotterdamse allure

Vijf musea rond een park. Een fraai bezit voor een stad met pretenties. Maar werkelijk bloeien doet het niet, daar in Rotterdam. Zei Wim Beeren niet ooit dat het zijn grootste wens was directeur van het Boymans te zijn in AMSTERDAM?

HET MUSEUMPARK: de jongste aanwinst van Rotterdam. Nog geen vijf jaar geleden de natuurlijke habitat van cruisende homo’s, prostituees en junks, nu veranderd in een kleine cultuuroase. Een wandeling door het park, ontworpen door de Franse tuin- en landschapsarchitect Yves Brunier, duurt niet langer dan een kwartier. Niets is aan het toeval, weinig aan de natuur overgelaten. Naast Museum Boymans-Van Beuningen staan temidden van schelpen en grint strakke rijen appelboompjes. Erachter ligt een evenemententerrein van asfalt. Via een pad van blauwe stenen bereikt men de brug die naar de Kunsthal en het Natuurmuseum leidt.
Het park vormt het bindend element tussen vijf culturele instellingen: het Chabotmuseum, Museum Boymans-Van Beuningen, de Kunsthal, het Natuurmuseum en het Nederlands Architectuurinstituut. Nu is het nog wat stil en verlaten, maar volgens sommigen heeft het potentie om uit te groeien tot een bruisend fenomeen. In ieder geval voor een maand. De Stichting Rotterdam Festivals en de parkinstellingen hebben een uitgebreid programma samengesteld voor september.
KUNST IN ROTTERDAM - de stad van hard werken, de stad van het volk. Een optimale combinatie lijkt het vooralsnog niet te zijn, maar dat weerhoudt Rotterdam er niet van een prestigieus en competitief cultuurbeleid te voeren. Jaarlijks reserveert de stad 150 miljoen gulden voor de kunsten en ze gaat geen gevecht uit de weg om de landelijke politiek ervan te overtuigen dat dit de juiste plek is voor de vestiging van culturele instellingen.
Aan het einde van de jaren zeventig ontstond het idee om een vruchtbare omgeving te creeren voor Museum Boymans-Van Beuningen, dat te kampen had met te weinig aanloop en aandacht. Van der Staay, toen directeur van de Rotterdamse Kunststichting, stelde voor om een ‘Volkspark voor de Cultuur’ aan te leggen. De bestaande musea legden dat plan naast zich neer, maar met de komst van de Kunsthal, eind 1992, kwam het alsnog tot een park.
Geen Volkspark, maar een Museumpark. Tussen die twee zit een wereld van verschil. Het eerste hoort bij het imago van de hardwerkende havenstad waar de overhemden met opgerolde mouwen in de winkel liggen. De stad van Lee Towers, Feyenoord en het volk. Het tweede sluit aan bij alles wat men graag wil worden - een metropolitisch en cultureel centrum. Een stad waar intellectuelen en rijken willen werken en wonen. Kunst en cultuur moeten allure en ambiance leveren, iets waar het Rotterdam volgens velen nog aan ontbreekt. Met kunst en cultuur kan de stad zich profileren.
HET MUSEUMPARK verbindt vijf instellingen die vooral gewend waren alleen te opereren. Nu is onderlinge communicatie opeens van essentieel belang. Komt er wel of geen gemeenschappelijk toegangsbewijs? In welke mate moeten de tentoonstellingen op elkaar worden afgestemd? Wordt er wel of niet samen geadverteerd?
Titi Grootveld-Parree, initiatiefneemster van het Chabotmuseum, omschrijft de samenwerking als moeizaam: 'Het oprichten van de stichting was zo gebeurd, maar het eerste wat de stichting deed, was een secretaresse aanstellen om vergaderingen over entreebewijzen en advertenties te notuleren. Ik denk dat er eerst verschillende inhoudelijke gesprekken hadden moeten worden gevoerd. Wil je de eenheid of juist de diversiteit benadrukken? Programma’s op elkaar afstemmen of niet? Dat gesprek is er nooit geweest.’
Willem Jan Renders, hoofd communicatie van de Kunsthal, acht de mogelijkheden van samenwerking beperkt: 'Als we een aantal gezamenlijke manifestaties organiseren en ons in dat kader profileren, dan doen we al meer dan aan het Amsterdamse Museumplein gebeurt. Misschien komt er ooit een gemeenschappelijk entreebewijs en wordt de programmering wat meer op elkaar afgestemd, maar ik denk dat je het dan wel hebt gehad.’
Adri Duivesteijn, tot oktober nog directeur van het Nederlands Architectuurinstituut en voorzitter van de Stichting Museumpark, vindt dat er op een positieve manier naar de mogelijkheden moet worden gekeken: 'Het park werkt, het moet alleen nog wat geoptimaliseerd worden. Maar je moet je verwachtingen wel afstemmen op Rotterdam. Het is hier niet vanzelfsprekend om naar een cultuurinstelling te gaan. Het zal hier, net als in Den Haag, altijd rustig blijven. Het moet hier ook geen Leidseplein worden, bij voorkeur niet.’
Ook vergelijkingen met buitenlandse parken zijn volgens Duivesteijn onzinnig. 'Dit park is een rustige en vriendelijke plek om doorheen te wandelen van het Nederlands Architectuurinstituut naar de Kunsthal. Als je geluk hebt, is er ook nog een fantastische activiteit en daar houdt het mee op. Al die pretentieuze vergelijkingen creeren enkel verwachtingen en mislukkingen.’
Jelle Reumer, directeur van het Natuurmuseum, verwacht meer van het park: 'Mijn droom is dat het hier overdag zwart ziet van de mensen. Het moet een bruisend centrum van het culturele leven worden. Nu loopt het gewoon nog niet lekker. De uitstraling is niet erg vriendelijk, de beplanting is mager. En er zijn nog steeds junks en prostituees. Overal kun je condooms en spuiten vinden. Je kunt ook zien dat hier gekozen is voor goedkope oplossingen. Die asfaltvlakte had een gigantisch gazon moeten zijn. Maar ja, er moest vervuilde grond worden opgeslagen en afdekken met asfalt is goedkoper dan een transport naar een of ander depot in de provincie.’
Ook interim-directeur Johan ter Molen van Museum Boymans is niet helemaal tevreden met de ambiance van het park. 'Van het evenemententerrein wordt maar weinig gebruik gemaakt en daardoor valt die asfaltvlakte wel heel erg op. Het ontwerp pakt in de praktijk minder goed uit. De bedoeling was dat onder de brug een zee van bloemen zou groeien. Die zee is er nooit geweest. De blauwe blokken in de beek waren heel sprookjesachtig. Helaas zijn ze stuk voor stuk gestolen. Blijkbaar pasten ze precies in een fietstas.’
Hans Kombrink, wethouder kunstzaken, is terughoudend met zijn oordeel over het park: 'Goed, ik heb er gemengde gevoelens over, maar ik blijf liever wat op de vlakte. Overigens wil ik benadrukken dat de hoeveelheid bezoekers aan de instellingen niet alleen afhankelijk is van de inrichting van het park.’
Een waarheid als een koe. Wim Crouwel, voormalig directeur van Museum Boymans-Van Beuningen, zag Rotterdam als een stad met een handicap. 'Dat volkse’, zei hij vlak voor zijn vertrek, 'is de sores van de culturele wereld. Rotterdam heeft een schrale cultuur.’ Hij was ervan overtuigd dat zijn museum in Amsterdam makkelijk twee keer zoveel bezoekers zou trekken.
JAN VAESSEN, directeur van het Openluchtmuseum in Arnhem, onderzocht in opdracht van Rotterdam in hoeverre de plaatselijke musea kunnen samenwerken. Zijn voorstel om vier musea te laten opgaan in een 'geprivatiseerd’ Museum Rotterdam, stuitte op veel verzet en is inmiddels van de baan. Hans Kombrink is nog steeds een uitgesproken aanhanger van Vaessen: 'Wat ik wil is dat er voldoende wordt nagedacht over hoe je het publiek kunt bereiken. Waar Vaessen terecht op wijst, is dat in het oude type organisatie de invloed van de conservatoren overheerst - de conservator heeft alle mogelijkheden om zijn hobby’s uit te leven. Ik vind dat iedere instelling over flinke sommen overheidsgeld mag beschikken, maar als de bezoekersaantallen teruglopen, kan de reactie niet zijn: “Jammer, we kunnen er niets aan doen, geef maar meer geld.” Als je geld krijgt, moet je verantwoording afleggen. Dat is mijn probleem met de heer Van Krimpen, directeur van de Kunsthal. Hij zegt dat de subsidiegever geen bal te maken heeft met het inhoudelijke beleid. Dan zeg ik: “Nee, meneer Van Krimpen, daar hebben we juist wel wat mee te maken. Subsidie is geen blanco mandaat.”’
Willem Jan Renders vindt de opmerkingen van Kombrink onbegrijpelijk: 'De Kunsthal heeft 750 duizend gulden extra gekregen op voorwaarde dat we gaan samenwerken met het Boymans en die samenwerking komt er. Dat betekent dat we aan alle voorwaarden hebben voldaan. En verder leggen we verantwoording af. Ons jaarverslag is aan de gemeente gepresenteerd, ook aan Kombrink.’
Het Nederlands Architectuurinstituut koos voor Frits Becht (de man achter het Mondriaan- en Van Goghjaar) als opvolger van Adri Duivesteijn. Volgens Duivesteijn heeft hij het niveau om boven de materie te staan en de sprong naar het grote publiek te maken. De Kunsthal is nog nooit met iets anders dan het publiek bezig geweest en dat zal wel zo blijven ook. Het geloof in de combinatie van cultuur en het grote publiek is er volgens Willem Jan Renders nog steeds: 'Opmerkingen als “het volkse is de sores van de cultuur” gaan voor ons niet op. Anders zouden we toch nooit een tentoonstelling over Feyenoord maken.’
MUSEUM BOYMANS-Van Beuningen is zich er als oud-strijder in het museumkwartier van bewust hoe moeilijk het is het publiek te bereiken. Onder leiding van Wim Crouwel zijn de bezoekersaantallen sterk toegenomen, maar ook hem viel het zwaar. De toekomst van het museum, zo zei hij voor zijn vertrek in een interview, zag hij somber in: 'Er komen vele bedreigingen op ons af: verzelfstandiging, overheidsbezuinigingen. Daar staan mogelijkheden tegenover, maar ik ben niet optimistisch over de leukheid van de komende jaren. Toekomstige museumdirecteuren zullen een harde dobber krijgen aan het kwalitatief overeind houden van de musea. Niet al te veel meedrijven op de populariteitsgolven, maar toch mensen binnen krijgen. Ik denk wel eens: geef mijn portie maar aan Fikkie.’
Niet bekend
Willem Jan Renders noemt de gang van zaken vreemd: 'De benoeming in het Museumpark wordt dus geregeld door het Museumplein.’ Maar volgens Adri Duivesteijn is dit allemaal dorpspolitiek: 'Het Boymans heeft zo snel mogelijk een fantastische, extraverte directeur nodig. Straks zit hier een Frits Becht en misschien ook wel een Jan Hoet. Over een half jaar is men dat geneuzel over die aanstelling allemaal vergeten.’
De kans op de komst van een extraverte Jan Hoet is niet groot. Hoewel niemand concrete uitspraken over het profiel wenst te doen, lijkt noch de gemeente, noch Boymans gecharmeerd van het idee dat er een inhoudelijke directeur komt. Volgens interim-directeur Johan ter Molen mag de nieuwe directeur iets meer een kunsthistoricus zijn met wat meer inhoudelijke affiniteit, maar in grote lijnen zal hij/zij het beleid van Crouwel voortzetten. Ter Molen: 'Hij zal een goed programma moeten samenstellen zonder daar zelf een al te bepalende rol in te spelen. Bij een museum als dit staat de directeur op de achtergrond. Maar het lijkt wel alsof iedereen een stem in het geheel wil. Ja, het lijkt Duivesteijn leuk als Hoet hier komt. Zo heeft hij ook eens gezegd dat de conservatoren hier maar eens terug in hun hok moeten en niet zo'n grote mond moeten opzetten. Ik vind dat een merkwaardige houding.’
Ook Kombrink zegt voorzichtig dat hij niet pleit voor een directeur die zich zuiver met de inhoud zal bezighouden. 'Ik zou een directeur willen die kaas heeft gegeten van het management van een museum in de breedste zin van het woord. Daar passen naar mijn idee geen eenzijdigheden bij, zeker niet als je daar ook nog voor moet betalen.’
BIJ HET AFSCHEID van Wim Crouwel als directeur van Museum Boymans hield Joop Linthorst, voormalig Wethouder Kunstzaken, een voordracht over Rotterdam en de hardnekkigheid van de cliches die over deze stad bestaan. Hij noemt het opvallend hoe vaak de beschouwingen over Rotterdam in eendimensionale typeringen blijven steken. Linthorst: 'Er is sprake van een zekere gemakzucht en soms zelfs merkbare onwil om op basis van nadere analyses het beeld verfijnder, complexer, kortom veelzeggender te maken. (…) In de praktijk betekent dit dat Rotterdam vaak zelf veel energie moet steken in het bestrijden of corrigeren van z'n eigen imago.’
Crouwel noemde het volkse van de stad de sores van de cultuur en in zijn Boymans-periode zei Wim Beeren ooit dat het zijn grootste wens was om directeur van het Boymans te zijn in Amsterdam. Kombrink stelt een adviescommissie samen waarin drie Amsterdamse museumheren zoeken naar een Rotterdamse directeur. De strijd tegen het negatieve Rotterdam-beeld zal dus op hoog niveau moeten worden uitgevochten.
Met dank aan Frank van Dijl.