Een perfect ronde cirkel

De hoofdpersoon van Thierry Baudets novelle verlangt naar het herstel van een liefdevolle Europese idylle. Het onbehagen over de aanval op de eigen ‘heelheid’ wentelt hij af op de immigrant en de geëmancipeerde vrouw.

Small 16 06 18 baudet van elk waarheen bevrijd

Philippe Gautier, hoofdpersoon van Thierry Baudets novelle Van elk waarheen bevrijd, is in zijn jeugd slachtoffer geweest van geestelijke en fysieke mishandeling. We maken kennis met hem in hedendaags Parijs, waar hij als gepensioneerd cellist af en toe nog lesgeeft. Hij kijkt terug op zijn leven en stelt vast dat hij in zijn jeugd onherstelbaar beschadigd is. ‘Ik wilde heelheid’, denkt hij, om te constateren dat alles alleen maar meer kapot is gegaan. Op zijn veertiende begon zijn vader hem te slaan, soms met de hand en soms met de riem. Philippe vermoedt dat zijn emancipatie bij de vader agressie opriep: ‘Dat ik iets voor mezelf wilde (…) dat ik zélf begon te voelen: het wekte onhandelbare angst die onderdrukt moest worden.’ Hij onderkent dus dat zijn vader een autoritaire man was die het nodige verdrong en onderdrukte. De zoon beschouwt zichzelf als een hond die door zijn vaders sadisme vals is gemaakt.

Maar wát precies werd er door de vader verdrongen? Philippe is een babyboomer, wat betekent dat zijn vader een volwassen man was tijdens de Tweede Wereldoorlog – maar we lezen nergens waar de vader stond in de oorlog. Toch brengt Philippe zijn vaders gewelddadigheid in een cryptische formulering in verband met het Europese oorlogsverleden. Ook op zijn veertiende – het is duidelijk een sleuteljaar – bezoekt Philippe met zijn ouders een uitvoering van de Metamorphosen van Richard Strauss, gecomponeerd vlak na het bombardement op Dresden. Volgens Philippe is het stuk een rouwklacht voor de negentiende-eeuwse Europese wereld die met dat bombardement definitief kapot is gemaakt. Dramatisch stelt Philippe dat het bombardement op Dresden nog altijd voortduurt. Europa kan alleen bestaan als ze continu ‘zelfmoord’ pleegt, zichzelf moreel bombardeert met schuldgevoel. Geen ‘liefde voor de grootse Europese cultuur’ zou meer toegestaan zijn, alleen maar boetedoening dat ‘we heel erg fout waren geweest’.

En dan koppelt hij dat inzicht aan zijn vaders boosheid: de generatie van de vader ‘was ten minste nog boos geweest over het einde van het Europese leven, had tenminste nog agressie gehad’. Hier gaat de schrijver heel snel: natuurlijk was niet de gehele generatie van Philippe’s vader boos over het veronderstelde naderende einde van het Europese leven. Een specifieke groep met een welomlijnde politieke ideologie voorzag de ondergang van het Avondland en voelde zich gelegitimeerd dat Avondland te verdedigen door een geweldscultus te ontwikkelen.

De moeder was net als de vader een kampioen in het afwentelen van eigen leed op de kinderen. Haar echtgenoot ging voortdurend vreemd, maar in plaats van in opstand te komen reageerde ze zich op passief-agressieve wijze af op haar zoons, die ze een verstikkende preutsheid opdrong. Voor Philippe viel zijn seksueel ontluiken samen met de beginnende mishandelingen van zijn vader: op zijn veertiende. Toen kreeg hij op vakantie voor het eerst seksuele gevoelens voor een meisje, maar hij durfde niet tot handelen over te gaan – hij wijt dat als volwassen man nog steeds aan zijn geremde moeder (en dus niet aan die mishandelende vader). Hoe vreemd hij als puber stond tegenover zijn eigen seksualiteit mag blijken uit zijn omschrijven van de eerste schaamharen, die voor hem voelen als ‘maden in zijn onderbroek’. Seksualiteit is zo eerder een manifestatie van dood, verderf en schaamte dan van zelfontplooiing.

Philippe is afgunstig op het sadisme van zijn vaders generatie, die nog agressief kon en mocht zijn. Zij waren nog heersers

Al wilde Philippe zich verzetten tegen zijn ouders, hun reflexmatige angst voor ‘ondergeschikten’ die zich emanciperen en een eigen wil tonen, heeft hij van ze overgenomen. Dat blijkt alleen al uit zijn verhouding tot vrouwen, die hij alleen in zijn omgeving verdraagt als hij ze kan infantiliseren. Hij valt als oudere muziekdocent voor de achttienjarige Davide, die ‘nog niet echt seks in het figuur’ heeft. Dat is precies waarom hij tot haar aangetrokken is: ‘Zo had hij ze het liefst: jong, mooi en timide.’ Zijn rol tegenover haar: ‘haar vader, haar minnaar’. Ook tegenover zijn echtgenote Sylvia is Philippe een vader. Zij heeft geen eigen ambities, geen eigen geestelijk leven, maar vult haar dagen met het bewonderen van haar echtgenoot, zijn kinderen baren, zijn huishouden op orde houden. Ongemakkelijk: Philippe gebruikt voor zijn pasgeboren dochter én voor de moeder van zijn kind een identiek koosnaampje, ‘diertje’. Zowel Davide als Sylvia wordt uitsluitend met verkleinwoordjes beschreven (schoudertjes, handjes). De lichaamsdelen die bij een vrouw tekenen zijn van een volgroeide seksualiteit en zich dus niet laten verkleinen – borsten en heupen – worden kuis overgeslagen.

De keuze tussen echtgenote Sylvia en minnares Davide ziet Philippe als een keuze tussen ethiek en esthetiek. Maar over welke ethiek hebben we het hier? Voor een ethische relatie is de onderkenning van de ander als ander nodig. Philippe heeft een emotioneel leven waarin iedere confrontatie met het anders-zijn van de vrouw direct leidt tot gekwetstheid en terugtrekking. Zelfs de ultiem aanhankelijke huissloof Sylvia kan Philippe niet de heelheid van het volmaakte huwelijk bieden, want er is seks en daar komen kinderen van. Die kinderen maken van Sylvia een moeder en daarmee kan Philippe haar niet meer volledig voor zichzelf opeisen: haar toewijding aan de kinderen ervaart hij als trouweloosheid. Een soortgelijke ervaring zorgt ook voor de breuk met Davide. Tijdens een vrijpartij merkt hij dat zij geniet van de seks en hij op dat moment niet. Haar genot is voor hem een teken dat hij geen contact meer met haar krijgt en hij houdt vervolgens direct op haar te idealiseren. Het einde van de relatie valt samen met de ontdekking van een zelfstandig vrouwelijk genot, waarin Philippe even niet naar zichzelf kan kijken.

Ook de migrant roept angst en weerzin op, tenzij deze dienstbaar is. Philippe beschouwt de grote groepen immigranten als een dodelijke aanslag op de schoonheid van Parijs. Zij moeten daarom door de gendarmerie uit het centrum geweerd worden, maar hij vreest het moment waarop de laatste stukken stad ten prooi gaan vallen aan de ‘beleidsmatige gevolgen van het oorlogstrauma’. Wederom een cryptische zin. Hét oorlogstrauma? Het gaat hier evident niet om het oorlogstrauma van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en ook niet om de trauma’s van de slachtoffers van de Franse koloniale oorlog. Philippe is de collaborerende generaal Pétain nog altijd dankbaar, want zo is Parijs gespaard gebleven van bombardementen. Kortom: Philippe doelt hier op het oorlogstrauma van de Fransen, dat wil zeggen de traumatische wetenschap ooit met de Duitsers gecollaboreerd te hebben. Dit trauma zou na de oorlog hebben geleid tot het verlammende besef fout te zijn geweest, waardoor uit schuldgevoel niemand in Parijs meer iets tegen massa-immigratie zou durven doen.

Later troost hij zich met de wetenschap toch echt geen racist te zijn, wanneer hij in een restaurant bediend wordt door een zwarte ober. Deze voorvoelt perfect ieder verlangen van Philippe en bedient hem met groot raffinement. Dan identificeert Philippe zich volledig met hem. Ze zijn beiden mannen die een dienstbaar beroep (muziekdocent, ober) tot in de puntjes beheersen, mijmert hij. Maar deze sympathieke spiegeling aan de zwarte man vindt plaats onder specifieke condities: ‘Ja, deze mooie zwarte man was welkom hier, in Philippe’s Europa.’ Dit is niet echt een correctie op zijn xenofobe angst voor de mensen in de banlieue, maar een voortzetting van wit superioriteitsdenken. Het is immers aan hem te besluiten welke zwarte mannen welkom zijn in een Europees cultuurcentrum dat fundamenteel van hém is. Positieve identificatie slaagt hier bovendien onder de voorwaarde dat de immigrant zijn beschaving inzet om de Europeaan op zijn wenken te bedienen.

Zo raakt een poging tot ontworsteling aan de erfenis van patriarchaal geweld in deze novelle verstrikt in allerlei tegenstrijdigheden. Philippe onderkent dat het sadisme van zijn vader voortkwam uit een angstige reflex op de emancipatoire drang van zijn zoon. Hij doorziet dat zijn moeders lijdzaamheid tegenover haar echtgenoot ertoe geleid heeft dat ze haar zoons niet liefdevol kon opvoeden. Daarmee wordt de autoritaire vader afgewezen en het streven naar vrijheid van vrouwen en kinderen als iets positiefs (en zelfs noodzakelijk) gezien. Tegelijkertijd echter is Philippe juist afgunstig op het sadisme van zijn vaders generatie, die nog agressief kon en mocht zijn. Zij waren nog heersers, terwijl Philippe zichzelf niet hoger inschat dan een vals gemaakte hond. Over het revolutionaire streven van zijn generatiegenoten oordeelt Philippe vernietigend. De linkse babyboomers zouden in naam van een persoonlijke bevrijding diepe vleeswonden hebben toegebracht aan de Europese beschaving. In de liefde zoekt hij een vrouw die hem geheel ter dienst staat. Philippe wijst de vader dus af als autoritaire opvoeder, maar identificeert zich ideologisch tóch volledig met diens positie.

Die tweespalt structureert ook Philippe’s verhouding tot het verleden. Baudets hoofdpersoon dweept met een sterk geïdealiseerd Europees verleden, maar is nauwelijks bij machte de werkelijke historische positie van zijn ouders onder ogen te komen. Zo lijkt het erop dat Philippe uit een gezin komt waarin het geweld van generatie op generatie wordt doorgegeven, omdat niemand bij machte is de eigen verantwoordelijkheid onder ogen te komen. De vader behoorde tot een generatie die nog agressief was, concreter dan dat wordt de schrijver niet, maar via Pétain wordt er duidelijk gezinspeeld op een geschiedenis van collaboratie. In het Europa van na de oorlog komt deze vader niet tot inkeer, maar hangt de grote vrouwenversierder uit en ranselt thuis gefrustreerd zijn eigen zoon af. Hoe de grote politieke geschiedenis nu precies ingewerkt heeft op de privé-verhoudingen in het gezin Gautier, Baudet werkt het niet uit. De auteur verdringt samen met zijn hoofdpersoon de kern van de zaak: het persoonlijke trauma wordt aan het zicht onttrokken, terwijl met grote gebaren aan de gehele Europese cultuur een trauma wordt toegeschreven.

Baudets grote aantrekkingskracht is dat hij aan al die andere gekwetste zonen definitieve genezing van de kwetsuur belooft

Baudet lijkt in zijn estheticisme evenmin ver verwijderd van zijn hoofdpersoon. De titel Van elk waarheen bevrijd is afkomstig uit een laat Rilke-gedicht getiteld Musik. Rilke wordt in het verhaal uitsluitend opgevoerd als vertolker van een tijdloos esthetisch verlangen. Maar daarmee wordt ook een hoop overgeslagen, immers: hoe afschuwelijk Rilke de loopgraven ook vond, hij beschouwde de Eerste Wereldoorlog eveneens als een kans voor de mensheid om een nieuw metafysisch waarheen te vinden. Juist het verlangen een nieuw doel te vinden op weg naar een heelheid die ‘ons’ ooit ontnomen zou zijn, leidt keer op keer tot een blinde vlek voor de manier waarop zogenaamd ‘richtinggevend’ oorlogsgeweld de heelheid enkel verder kan vernietigen. Over de relatie tussen het estheticisme van Rilke’s generatie en het toen breed gedeelde oorlogsenthousiasme reflecteert Baudet niet.

Veelzeggend is bovendien dat Baudet in zijn schrijven probeert de kloof tussen tekst en lezer te dichten. Veel woorden staan cursief of hebben een accentstreepje meegekregen, om zo duidelijk te maken wat nadruk moet krijgen. De lezer wordt zo pagina na pagina in de positie van de dociele leerling geplaatst waar tégen gepraat wordt. Ook hier een streven naar heelheid (tussen de intentie van de auteur en de interpretatie van de lezer), dat iedere mogelijkheid tot literair genot al bij voorbaat verstikt.

De politicus Baudet deelt met Philippe het verlangen naar heelheid: ‘Het project van mijn leven bestaat eruit dat ik de heelheid van de wereld wil herstellen: de heelheid die er voor de Eerste Wereldoorlog was.’ Zijn partij, Forum voor Democratie, noemt hij de ‘partij van de liefde’. Daar wordt vaak met gelach op gereageerd: alsof deze manier van spreken uitsluitend ironisch kan zijn, en hoe dan ook toch nooit zal uitgroeien tot een serieus te nemen politieke kracht. Maar het is Baudet wel degelijk ernst met de liefde.

Om te begrijpen wat hier op het spel staat, biedt het werk van filosofe Sarah Kofman een interessant perspectief. In haar boek Paroles suffoquées stelt zij in navolging van Empedocles dat liefde een verbindende kracht is tussen van elkaar verschillende elementen, een kracht ook die de heterogeniteit intact weet te laten. Haat daarentegen verbindt het gelijke met elkaar en maakt ook zaken aan elkaar gelijk. Vanuit die filosofische reflectie op de relatie tussen liefde en heterogeniteit analyseert ze een kafkaëske parabel van Maurice Blanchot, De idylle (1936). Daarin komt een koppel voor dat denkt dat zij volmaakt zijn in hun liefde, omdat zij identiek zijn in hun denken en in hun verlangens. Het echtpaar is verantwoordelijk voor de opvang van vreemdelingen. In het kamp dat zij hebben ingericht, is er sprake van een ‘liefdevolle’ opvang, met goed eten en andere vormen van verzorging.

Het liefdevolle beleid omvat echter ook martelingen die soms tot de dood leiden. Als de vreemdeling niet wil integreren in de liefdesidylle, maar staat op zijn eigen vreemd-zijn, worden maatregelen getroffen. Die martelingen zijn niet het resultaat van een bewust uitgeleefde xenofobe agressie, maar worden door het echtpaar voorgesteld als een tragisch maar noodzakelijk kwaad: de vreemdeling mag de heelheid van de idylle niet verstoren. Er is dus sprake van structureel geweld, maar op een gesublimeerde manier en in de besloten ruimte van wat zichzelf begrijpt als een streven naar liefde. Het stel meent te handelen uit liefde, maar het vergist zich, aldus Kofman. Het onbekende willen reduceren tot het gelijke is ultiem een verbintenis gebaseerd op haat. Zo is het leven van het echtpaar ten prooi gevallen aan de perfecte rondheid van de narcistische cirkel. Die cirkel kan volgens Kofman niets anders opleveren dan ‘de leegte van de dood’. De vreemdelingen horen hoe ’s nachts in het huis van het gelukkige echtpaar gruwelijke ruzies gemaakt worden – al het geweld dat verdrongen moet worden komt via de kieren naar buiten sijpelen.

Philippe’s verlangen naar heelheid wordt voorgesteld als het verlangen van een gevoelige, schoonheid minnende ziel. Het geweld sijpelt er evengoed in door. Nostalgisch zoekt hij in Parijs een negentiende-eeuws verleden dat zijn innerlijk volmaakt weerspiegelt, zonder dat er aan de horizon stoorzenders uit de moderniteit mogen opduiken, zoals moderne architectuur en immigranten. Zodra die er wél zijn, schakelt hij onmiddellijk over op oorlogsretoriek: de ondergang nadert, de gendarmerie zou de laatste resten beschaving desnoods met geweld moeten verdedigen.

Ook de politicus Baudet belooft het herstel van een Europese cultuur waarin de witte bovenklasse haar vermeende verhevenheid weerspiegeld zal zien. In zijn streven naar het herstel van wat hij aanziet voor een liefdevolle Europese idylle is hij zeker geen excentrieke eenling. Hij boort daarmee een verlangen naar assimilatie en eenvormigheid aan dat in Nederland onmiskenbaar met de dag sterker groeit. Het is immers beslist niet alleen Baudet die het onbehagen over de vermeende aanval op de eigen ‘heelheid’ direct afwentelt op de immigrant en de geëmancipeerde vrouw. Het gaat mij hier dus niet enkel om het begrijpen van deze ene politieke figuur of deze ene novelle: eerder is hij degene die dat verlangen ongecensureerd onder woorden brengt.

Tekenend is hier dat het verschil tussen Baudet en Wilders precies het verschil is tussen de vader en de zoon. Wilders toont expliciet zijn agressie: hij schept zichtbaar genoegen in het verbaal afstraffen van zijn tegenstanders en maakt pvv-spotjes waar het bloed vanaf druipt. Baudet verschilt in zijn anti-migratiestandpunt nauwelijks van de pvv-leider, maar toont zijn fragiliteit. Literatuur schrijven, in het Latijn speechen, het zijn manoeuvres die in Nederland al snel tot hoongelach leiden en dus de politieke leider als kwetsbaar tonen. Het maakt hem een aantrekkelijke figuur voor jonge mannen. Baudets grote aantrekkingskracht is dat hij aan al die andere gekwetste zonen de definitieve genezing van de kwetsuur belooft door ‘in opstand te komen’ tegen de gevestigde orde, terwijl tegelijkertijd de patriarchale positie volledig intact wordt gelaten.


Saskia Pieterse is docent en onderzoeker Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht