Het nieuwe zwakke geslacht

Een Peter Pan is niet op zijn toekomst voorbereid

Jongens scoren op school al jaren dramatisch slechter dan meisjes. Ook op de arbeidsmarkt zitten mannen in het verdomhoekje. De man dreigt het zwakke geslacht van de toekomst te worden. Tijd voor actie, menen onderzoekers én vaders.

HET EERSTE Christelijk Lyceum Haarlem, donderdagochtend het eerste uur. 3 havo stormt de klas binnen voor de les Nederlands van docent Take Lijftogt. Op de agenda staat vandaag een debat met als onderwerp ‘jongens tegen de meisjes’. De klas wordt onderverdeeld in groepen. De eerste stelling: meisjes zijn slimmer. Terwijl de jongens brullen en elkaar op de schouders beuken, bereiden de meisjesteams fluisterend hun strategie voor. Het blijkt al snel een strijd met ongelijke kansen. Waar het mannelijke team niet verder komt dan een pontificaal 'we zijn het er niet mee eens’ of 'bullshit’, komen hun vrouwelijke opponenten onderlegd uit de hoek.

'Onderzoek heeft uitgewezen dat meisjes zich sneller ontwikkelen dan jongens’, opent Romilda. 'Ze kunnen zich op meer dingen tegelijk concentreren, en jongens zijn drukker.’ Beyza, naast haar, kiest voor de gevatte oneliner: 'Jongens zijn meer geïnteresseerd in de lengte van hun piemel dan in de hoogte van hun cijfers.’ De klas explodeert zowat. Waarop een jongen achter in de klas roept: 'Of wij genieten gewoon meer van het leven.’ Vijay, blauw trainingsjasje, stekels in de gel, mengt zich in het debat met een tegenwerping: 'Meisjes mogen zich dan iets sneller ontwikkelen, dat betekent nog niet dat ze ook een hoger IQ hebben. Later lopen wij die achterstand weer in. En ook zijn wij niet per se minder sociaal. Wij vinden bijvoorbeeld een gsm uit waarmee iedereen kan communiceren.’ Hij komt nauwelijks boven het geraas uit.

De microkosmos van het klaslokaal vol adolescenten biedt een glimp van een probleem waar sociale wetenschappers en politici zich steeds meer zorgen over maken: de onderwijsprestaties van jongens blijven achter bij die van meisjes. 'Jongens dreigen steeds meer een achterstandsgroep te worden’, zegt Jan Latten, hoogleraar demografie aan de Universiteit van Amsterdam en demograaf bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). 'Het betreft vooral de jongere generaties onder de dertig. Cijfers laten zien dat jongens al snel achterstanden oplopen. Het begint in het basisonderwijs en het trekt vervolgens door naar het middelbaar onderwijs en de universiteit. Jonge mannen zijn nu relatief vaker laagopgeleid dan jonge vrouwen. Er zijn veel meer hoogopgeleide vrouwen.’

In 2008 wees het CBS in zijn jaarlijkse emancipatiemonitor voor het eerst op alarmerende cijfers over de achterblijvende leerprestaties. Latten waarschuwde toen dat de ontwikkeling van jongens een sociaal risico vormde. Gebrekkige schoolresultaten, jeugdwerkloosheid en criminaliteit vormden de concrete bedreiging. 'De Nederlandse samenleving gaat ingrijpend veranderen door de scholingsvoorsprong die vrouwen hebben genomen op mannen’, aldus Latten toen.

In reactie op dat onderzoek betitelde Suzanne Dannenburg-Bijl, econometrist en docent wiskunde in het vwo, de vroegtijdige schooluitval van jongens als een 'kolossaal drama’: steeds meer jongens slagen er niet in de eindstreep te halen, en de inhaalmanoeuvre van havo naar vwo is vrijwel onmogelijk geworden. Ze stelde dat er in 1995 een omslag plaatsvond. In dat jaar kelderde het percentage jongens die een vwo-diploma behaalden van ruim vijftien (de norm voor alle jongeren) naar elf. 'De achterstand van jongens op het vwo is nu even groot als de achterstand van meisjes dertig jaar geleden’, concludeerde zij.

Haar verklaring: de onderwijsvernieuwing waarin in groepjes samenwerken, werkstukken maken, sociale vaardigheden en competenties centraal staan. Meisjes kunnen dat op die leeftijd beter dan jongens. Ook speelt de feminisering van het onderwijs een rol. De meester is de afgelopen decennia door de juf verjaagd uit het klaslokaal. Negentig procent in het basisonderwijs is vrouw.

Dit soort analyses stuitte aanvankelijk op hoongelach uit feministische hoek: meisjes zijn eeuwenlang achtergesteld in het onderwijs, dus waarom al die drukte nu jongens daar last van hebben? Maar deze pavlovreactie werd gesmoord door een enquête van het Onderwijsblad onder personeel in het basisonderwijs in 2005. Driekwart gaf aan 'de feminisering van het onderwijs’ te ervaren als een 'groot en structureel probleem’. Leerkrachten gaven ook aan dat ze minder goed raad weten met masculien gedrag en zij onderkenden dat deze attitude de ontwikkeling van jongens remt. Ze betrapten zichzelf erop dat ze de hele dag tegen jongens roepen dat ze stil moeten zitten.

Inmiddels is het benoemen van 'het probleem jongens’ geen steen des aanstoots meer. Daarvoor zijn de signalen te duidelijk. Op verzoek van het ministerie van Onderwijs deed het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen (ITS) aan de Radboud Universiteit vorig jaar een omvangrijk onderzoek. Titel: De onderwijsachterstand van jongens: Omvang, oorzaken en interventies. De onderzoekers van het ITS vonden geen sekseverschillen op het gebied van cognitieve prestaties, maar wel aanzienlijke verschillen in niet-cognitieve competenties. Jongens hebben bovendien minder gunstige schoolloopbanen dan meisjes: zij doubleren meer, verlaten vaker vroegtijdig school en in het speciaal onderwijs en op de lagere onderwijsniveaus is de meerderheid jongen.

Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt in Maastricht kwam in 2010 met vergelijkbare conclusies: meisjes hebben van de onderwijsvernieuwing op de havo en het vwo volop geprofiteerd, en jongens niet. Over het wetenschappelijk onderwijs werd dit jaar gesteld dat niet alleen in de collegebanken vrouwen in de meerderheid zijn, maar ook dat op alle universiteiten in Nederland de mannelijke studenten structureel slechter scoren dan vrouwen - zelfs op de technische universiteiten. Uit onderzoek door de vereniging van universiteiten VSNU naar de prestaties van studenten kwam in 2007 naar voren dat meisjes sneller en beter afstuderen: na vier jaar studie heeft 57,1 procent een bachelordiploma op zak tegen 33,4 procent van de mannelijke studenten. Die cijfers zijn in de afgelopen jaren voor jongens niet positiever geworden, maar er zijn nog steeds geen plannen voor gender-specifieke maatregelen. Het motto is dat álle studenten het tempo moeten bijhouden, anders kunnen ze opkrassen.

Ook Bowen Paulle, socioloog aan de Universiteit van Amsterdam, weet dat problemen in het onderwijs vooral jongens betreffen. Hij deed vergelijkend onderzoek tussen achterstandsscholen in de Bijlmer en in de Bronx in New York. 'Geweld, bedreiging, ordeverstoring. Al dat soort problemen komen voornamelijk voor rekening van de mannelijke leerlingen’, aldus Paulle. 'Meisjes veroorzaken ook problemen, maar die zijn veel minder destructief, zowel voor henzelf als voor de omgeving. Het zijn vooral de jongens die gevangenisstraf of een strafblad riskeren, waarmee de kansen op werk aanzienlijk kleiner worden.’

ALLEEN AL op basis van onderzoeken naar het onderwijs, waarin jongens opgroeien tot de mannen van de toekomst, kun je nuchter constateren dat drie decennia feminisme plus de ingevoerde onderwijsvernieuwing met het studiehuis voor jongens wrange vruchten heeft afgeworpen. Volgens de Britse socioloog Frank Furedi staat het onderwijs daarmee model voor brede maatschappelijke ontwikkelingen die zich sinds de jaren zestig hebben voltrokken. 'De westerse samenleving is sinds de jaren zeventig doortrokken van het ondermijnen van masculiene waarden, zoals zelfcontrole, experimenteren, omgaan met teleurstellingen. Het ging vanaf toen draaien om het socializen van mensen, de ontplooiing van individuen. Het mensbeeld ontwikkelde zich van “flink zijn” naar “toegeven aan emoties”. Dat zie je al vroeg in de opvoeding en dit denken is geïmplementeerd in onze systemen. Het doet zich ook voor op de arbeidsmarkt: alles draait om communicatief zijn, mondig zijn - en daar zijn vrouwen beter in dan mannen.’

Furedi vertelt hoe hij hiermee direct geconfronteerd werd toen hij samen met zijn vrouw op zoek was naar een basisschool voor hun zoon. 'We kregen van de juf te horen: “Hij krijgt zeker grote leesproblemen.” Dat was een aanname waar ik behoorlijk geschokt door was. In mijn jeugd was de veronderstelling: meisjes zijn stom en jongens slim, en nu is dat omgekeerd. Leraren hebben dat hele idee geïnternaliseerd, ze hebben een lagere verwachting van jongens als het gaat om lezen en andere talige capaciteiten. Dat zich zelfversterkende effect begint dus al vroeg.’

Het is duidelijk. De man is een probleemgeval - en dat blijft niet beperkt tot het onderwijs. De lijst met 'mannenproblemen’ is lang. Zo ontwikkelt hun gezondheid zich minder gunstig dan die van vrouwen. Obesitas is hét voorbeeld. De afgelopen tien jaar bleef het percentage vrouwen met overgewicht nagenoeg gelijk, terwijl dat van mannen steeg. Inmiddels is bijna 55 procent van de mannen te dik, ten opzichte van iets meer dan veertig procent van de vrouwen. Of kijk naar regelingen zoals de Wajong. Uit de cijfers blijkt dat mannen oververtegenwoordigd zijn in kwetsbare groepen. Ook wereldproblemen komen op het conto van de man. Volgens bepaalde economen was de economische crisis man-made. Een teveel aan testosteron op de beursvloer en bij de banken zou de verklaring zijn voor de enorme risico’s die de financiële sector nam.

Mannelijkheid vormt volgens sommigen zelfs de grootste last voor onze samenleving. Bijna alle sociale problemen zijn terug te voeren op het deel van de bevolking dat een x- én y-chromosoom draagt, meent socioloog Jan Willem Duyvendak. Eerder deed hij in De Groene Amsterdammer een gooi naar een toekomst waarin 'het einde van de man’ zich aandient. 'Op den duur zullen vrouwen onherroepelijk door resterende glazen plafonds heen breken en de machtige posities, nu veelal nog bekleed door mannen, gaan innemen.’

Duyvendak spreekt over de topposities, maar over de gehele linie komt de werkende man in de knel. Na een schoolcarrière waarin jongens voorbijgestreefd worden door hun vrouwelijke klasgenoten, wacht een arbeidsmarkt waar de problemen vooral voor hen gelden.

'The Decline of the Working Man’ luidde de kop van een recent artikel in The Economist. Het blad constateerde dat een groeiend percentage mannen in hun prime age (25-54 jaar) geen baan had. De Verenigde Staten waren koploper met 75 procent werkende mannen ten opzichte van negentig procent aan het eind van de jaren zestig. Voor de 25 procent die aan de kant staat, dreigt een palet sociale problemen, aldus het blad. Werkloze mannen zijn minder aantrekkelijke huwelijkspartners, komen sneller met criminaliteit in aanraking en hebben vaak een gebrek aan zelfrespect. Het weekblad sprak voorzichtig van een toekomst waarin mannen - althans wat betreft werk - wel eens het zwakke geslacht zouden kunnen blijken.

De belangrijkste reden voor de mannenuitval is de grote verandering van de moderne westerse economieën. Traditioneel mannelijk werk - simpel gezegd: werken met je handen - maakt steeds meer plaats voor hoger geschoold werk. De postindustriële dienstverlenende economie blijkt voor vrouwen een gunstiger klimaat dan voor mannen. De recente crisis heeft dit probleem nog eens versterkt. De klappen troffen vooral arbeiders in de auto-industrie en de bouw. Inderdaad, sectoren waarin vooral mannen werken. Bovendien, zo stelde The Economist, laten mannen hun opleiding versloffen. De groep 25- tot 34-jarigen heeft minder vaak een diploma dan de 45- tot 54-jarigen. Met andere woorden: zonen doen het slechter dan hun vaders.

TOEGEGEVEN, ontwikkelingen in de Verenigde Staten laten zich niet één op één vertalen naar Nederland. Toch zijn er flinke aanwijzingen dat wanneer iemand in Nederland sociaal-economisch op een zijspoor belandt het bovengemiddeld vaak een man betreft. Zo constateerde de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) onlangs dat voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis sociale daling optreedt. Na decennia achtereen waarin kinderen gemiddeld hoger opgeleid waren dan hun ouders lijkt de rek eruit, zo valt te lezen in het rapport Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Opvallend detail: deze ontwikkeling betreft enkel het mannelijke deel van de Nederlandse bevolking. Terwijl vrouwen nog steeds massaal het opleidingsniveau van hun ouders overtreffen, heeft inmiddels bijna twintig procent van de mannen van 26 tot 40 een lager diploma dan de voorgaande generatie. De onderzoekers noemen deze kanteling ronduit 'dramatisch’.

Het debat in de Haarlemse klas laat zien waar de RMO over spreekt. De jongens waren het volmondig eens met de stelling: 'Ouders zijn allesbepalend voor ambitie en kansen op een goede baan.’ De meisjes leken meer overtuigd van de kansen die een open samenleving biedt. Met hun uitspraken belichaamden ze het meritocratische ideaal. 'Mijn vader wilde kok worden en ik wil chirurg worden. Invloed van je ouders is dus niet alles bepalend’, zegt Romilda. Haar klasgenote Sofie: 'Je bent een onafhankelijk individu die een eigen weg kan kiezen.’ De jongens toonden zich minder ambitieus. Zoals één jongen mompelde: 'Ambitie is iets anders dan werk, het kan ook bijvoorbeeld reizen zijn.’

De conclusies van de RMO gaan vooral over hoogopgeleide ouders en hun kinderen, maar ook op de onderste sporten van de diplomaladder komen mannen in het gedrang. Toen het SCP onderzoek deed naar laagopgeleide arbeid in Nederland trok het bureau een positieve conclusie, met een sombere ondertoon. De arbeidsmarktpositie van laagopgeleiden was op bijna alle fronten verbeterd, maar deze verbetering deed zich vrijwel uitsluitend voor onder vrouwen. Ze zijn minder vaak werkloos, hebben een hogere participatiegraad en werken minder vaak onder een flexibel contract dan voorheen. Voor mannen golden die gunstige ontwikkelingen niet, aldus het SCP.

Ook volgens Maurice Gesthuizen, arbeidssocioloog aan de Radboud Universiteit, loopt de carrière van mannen meer gevaar dan die van vrouwen. Uit zijn onderzoek blijkt dat mannen last hebben van wat in vakjargon 'verdringing op de arbeidsmarkt’ heet. Gesthuizen: 'Het openbreken van het hoger onderwijs sinds de jaren zestig heeft het gemiddelde opleidingsniveau in Nederland enorm opgestuwd. Maar de groei in het aanbod van hoogopgeleide banen is daarbij achtergebleven. Het gevolg is dat mensen werk onder hun niveau gaan aannemen. Iedereen schuift dus een trapje naar beneden door. Uiteindelijk zijn het de laagopgeleiden die daar de grootste hinder van ondervinden. Zij worden buitenspel gezet door concurrenten met betere papieren.’

En de verschillende problemen versterken elkaar. 'Het opvallende is dat als mannen in de verdrukking dreigen te komen op school of op het werk, ze eerder teruggrijpen naar traditioneel mannelijk gedrag’, zegt Jan Willem Duyvendak. 'Maar dat werkt contraproductief. Neem het onderwijs. Daar hebben - zo heeft mijn collega Bowen Paulle laten zien - jongens kortstondig veel profijt van die traditionele mannelijkheid. Ze kunnen zich laten horen, anderen eronder houden en scoren bij de meisjes. Maar niemand vertelt ze dat hun schoolprestaties er onder lijden en dat ze in het ergste geval uiteindelijk moeilijk werk kunnen vinden.’

WAAR MOET het naartoe met het alfadier? Eind mei hield de vaste Tweede-Kamercommissie voor onderwijs een overleg over de onderwijsachterstand van jongens. Alle onderzoeken naar gebrekkige prestaties van jongens en mannen passeerden de revue. Maar opmerkelijk genoeg vond minister Van Bijsterveldt het niet nodig om tot interventie pro-jongens over te gaan. Meer algemeen vindt ze de kwaliteit van rekenen en wiskunde een grote zorg, en daar zal een betere aanpak voor álle leerlingen nodig zijn. En: scholen moet er zélf maar voor zorgen dat 'jongens beter bij de les blijven’. Een equivalent van de campagne 'Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’ hoeft dus niemand te verwachten. Wellicht weifelt ze over overheidsingrijpen uit angst voor de negatieve ervaringen uit het verleden met de grote onderwijsvernieuwingen. Terwijl de urgentie er nu wél is om de gevolgen daarvan recht te trekken.

Niet iedereen gelooft in een aanpak zonder aanzien des geslachts. 'We moeten niet koste wat het kost vasthouden aan het idee dat iedereen hetzelfde is’, meent Jan Latten. 'Lange tijd hebben we gedacht dat jongens en meisjes op dezelfde manier behandeld moesten worden in het onderwijs. Nu blijkt dat dit voor jongens vaak ongunstig uitpakt. Het zou niet verkeerd zijn om meer aandacht te besteden aan specifiek jongensachtig gedrag en meer mannelijke docenten te werven.’

Dat vindt ook Bowen Paulle: 'Op scholen van allerlei snit krijgt een minderheid van fysiek dominante jongens de ruimte om het onderwijs te verstoren’, stelt hij. Hij voert deze ontwikkeling terug op het antiautoritaire denken dat opkwam in de jaren zestig: 'Als je kijkt naar de geschiedenis van het onderwijs zie je dat scholen vroeger veel meer werkten aan wat ik een fysiek regime noem. Rechtop zitten, hoe je door de gangen loopt, hoe je je pen vasthoudt, het was allemaal onderdeel van het leerproces. Tegenwoordig is het fysieke regime veel losser, een gevolg van het vrijvechten van traditioneel gezag. Onderwijs draait veel meer om abstracte zaken zoals burgerschapsvorming en identiteitsvraagstukken. Daar is niets mis mee, maar als scholen het fysieke regime niet invullen, doen de leerlingen het zelf.’

Volgens Paulle moeten we opnieuw nadenken over hoe het fysieke gedrag van leerlingen te ordenen: 'Maar dat ligt ongelooflijk gevoelig. Het roept onmiddellijk associaties op met fascisme of met katholieke internaten. Bovendien klinkt het anti-intellectueel. En dus wijst de weldenkende middenklasse het al snel af. Maar kijk wat er gebeurt op scholen. Tijdens de lessen, in de pauzes, meestal is het chaos, ook op de elitescholen.’ We moeten dan ook niet te krampachtig willen vasthouden aan gelijke lesprogramma’s voor jongens en meisjes, meent Paulle: 'Als je ziet dat jongens slecht stil kunnen zitten, laat ze de dag beginnen met een uur heftig sporten. Laat die energie uit die lichamen.’

Wil het goed komen, dan moet de man zelf ook van de bank af komen, meent Furedi: 'Veel volwassen mannen, dertigers, zijn net grote kinderen. Ze gedragen zich als een Peter Pan die eeuwig jong wenst te blijven. Je ziet het om je heen, ze komen vaak tot niks, hangen zappend voor de tv of zitten uren te gamen.’

'Maar’, zegt hij opgewekt, 'het goede nieuws is dat we het niet hoeven te accepteren. Ik zie een tegenbeweging opkomen - via het internet, tijdens lezingen, in de vele boeken en publicaties over dit thema. De tijd is rijp voor nieuwe scholen met méér uitdaging voor jongens, méér verwachtingen en ambities. Een noodzakelijke voorwaarde om de concurrentie met Azië aan te kunnen.’

Meer ruimte voor mannen om man te zijn, daar komen de aanbevelingen van Latten en Paulle kort gezegd op neer. De overvloed aan mannentijdschriften, 'handboeken voor de moderne man’ en films met de plotlijn 'groep mannen wordt onverantwoord dronken en ontwikkelt hechte vriendschap’ zijn de commerciële vertaling van die boodschap. Leuk, maar onvoldoende om het tij te keren. Jongens en mannen dreigen de boot te missen vanwege grote maatsschappelijke ontwikkelingen die in de naoorlogse decennia zijn ingezet: een 'zacht’ onderwijssysteem en een postindustriële economie waarin werk steeds meer draait om sociale in plaats van fysieke vaardigheden. En het ziet er niet naar uit dat die ontwikkelingen zullen keren.

'Het is vooral een traditionele opvatting over mannelijkheid die in het gedrang komt’, stelt Paulle. 'Een samenleving die uitgaat van het idee dat mannen alleen maar mannen zijn als ze, even kort de bocht, met hun handen kunnen werken en uiting kunnen geven hun oerdriften, heeft een probleem. In het onderwijs en op de arbeidsmarkt wordt die traditionele invulling van mannelijkheid steeds minder geaccepteerd.’

NEE, niet de man maar de vrouw moet zich aanpassen! Met deze insteek vond twee weken geleden het symposium 'Vaderschap in diversiteit’ plaats, georganiseerd door het Vader Kenniscentrum in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam. Het krappe zaaltje zat vol mannen - de meesten babyboomers met een licht militante blik in de ogen. En een enkele vrouw, die met hen vindt dat 'de emancipatie is doorgeslagen’. Uit het publiek kwamen verzuchtingen over 'een vechtscheiding’ of een jarenlange strijd met een valse ex over de zeggenschap over de kinderen. Een getergde vijftigplusser zei dat hij niet alleen als vader wordt geknecht maar ook emotioneel is gecastreerd.

Met name bij echtscheidingen voelen mannen zich 'de lul’. Want terwijl 99 procent van de alimentatiebetalingen voor rekening komt van de man, krijgen vrouwen doorgaans de kinderen toegewezen. 'Dat was vroeger misschien wel normaal, maar de verhoudingen binnen het ouderschap liggen al lang anders. Mannen voldoen niet meer aan de klassieke rol van vlees snijden op zondag en met zoons voetballen in de achtertuin’, stelt Louis Tavecchio, emeritus hoogleraar pedagogiek. Hij pleit al jaren voor rechten van de man in de opvoeding, op scholen, in de hulpverlening en bij echtscheiding.

De teneur op deze urenlange zitting was meer dan aanklachtactivisme alleen. Er werd opgeroepen tot een verbreding van de emancipatie naar mannen, met als inzet 'betrokken vaderschap’ en het faciliteren daarvan, onder meer door langer vaderschapsverlof - nu twee dagen - en door een beter machtsevenwicht tussen man en vrouw in het kinder- en familierecht. En ook: meer mannen voor de klas en in de kinderdagverblijven. 'Maar ja, dat ligt nu gevoelig vanwege de vreselijke gebeurtenissen bij de Amsterdamse crèches’, zegt Tavecchio.

Publiciste Charlotte Lemmers, die ooit op de barricades stond voor 'Baas in eigen buik’, is zeer kritisch over de scheefgroei na dertig jaar feminisme. Iedere vorm van rancune jegens mannen wijst zij af: 'Wij wilden dezelfde rechten als mannen op opleiding, werk, betaling en topposities. Helemaal terecht, ik heb er zelf voor gestreden. Maar we zijn opeens niet zo geëmancipeerd als het om betrokken vaderschap en echtscheidingen gaat. Voor de rechter komen er zielige slachtofferverhalen en doen vrouwen zich vaak voor als de heilige moeder. Er zijn net zo veel slechte moeders als slechte vaders, maar de rechter ziet dat nog steeds anders. Het gaat over plichten en nauwelijks over rechten.’

Ze doet een oproep aan feministen, juristen en politici om de zorgzame vaders en hun kinderen te steunen om een gelijke positie te veroveren in het privé-domein: 'Laat de vaders niet bungelen. Want echte mannen zijn goede vaders en verdienen dus ook steun van echte vrouwen en moeders. Het is tijd voor actie, de man is aan zet.’ Er volgt een klaterend applaus.

En onder de oppervlakte broeit het. Door heel Nederland ritselt het van de mannenpraatgroepen - ook specifiek Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse groepen - waar zij hun positie à la de jaren zeventig 'open en eerlijk bespreken’. De Antilliaanse Antonio, die drie dochters heeft, vertelt hoe hij tijdens zo'n sessie heeft geleerd 'hoe leuk opvoeden eigenlijk is’. En hij heeft ook, zegt hij breed grijnzend, geleerd om beter met het vrouwelijk schoon om hem heen om te gaan. 'Vroeger zag ik een vrouw vooral als een stuk vlees. Door samen de opvoeding te doen, zie ik dat anders. Ik hou nu zielsveel van mijn echtgenote.’

Iedereen lacht met zijn aanstekelijke zelfkritiek mee, er heerst een gevoel van bonding. Met de stemming komt het helemaal goed als er gezamenlijk wordt gezongen. 'Where are all those fathers now’, zingt de Antilliaanse Owen Venloo, die geldt als de 'Dutch Nat King Cole’. Schoorvoetend brommen de mannen in de zaal het refrein mee.