Een peuk van churchill

OP HET SCHRIJNEND mooie album I Don’t Want What I Haven’t Got uit 1989 van Sinéad O'Connor staat een nummer waarin zij haar verontwaardiging uit over de krokodilletranen die Margret Thatcher vergoot toen de opstand op het Plein van de Hemelse Vrede werd neergeslagen. Alsof Engeland zo'n paradijs was, met zijn massawerkloosheid, ontelbare daklozen en racisme: ‘England’s not the mythical land of madame George and roses./ It’s the home of police who kill black boys on mopeds.’ Dat de zangeres het gevoel voor verhoudingen kwijt was, en het graaien-wat-je-graaien-je-kunt-bewind van Thatcher op een lijn stelde met het totalitaire postmaoïstische China, is enigszins te begrijpen. Ieren hebben zo hun redenen om Groot-Brittannië met wantrouwen gade te slaan.

Dat andere Europeanen de afgelopen twee eeuwen vaak met een heel andere, niet zelden roze bril naar Engeland keken, blijkt uit het nieuwste boek van Ian Buruma, Voltaire’s Coconuts or Anglomania in Europe. Als zoon van een Nederlandse vader en een Engelse moeder groeide Buruma in de jaren vijftig en zestig op in de deftige, uitgesproken anglofiele Haagse wijk Benoordenhout. In het eerste hoofdstuk, ‘Churchill’s cigar’, geeft hij een prachtige schets van deze snobistische omgeving, waarin zakenlieden zich door middel van tweedjasjes, club ties en brogues, en een achteloos in de jaszak gestoken Daily Telegraph, trachten te profileren als Engelse gentleman. Dat deze maatschappelijke elite, die voor een niet onaanzienlijk deel zo'n twintig jaar eerder met ontzag had opgekeken naar alles wat Deutsch was, zo dweepte met Engeland, had te maken met het feit dat Engeland ons bevrijd had. Nu hadden de Amerikanen een veel groter aandeel in die bevrijding gehad, maar hun democratische en egalitaristische samenleving bezat voor de Haagse elite, die zich graag wilde onderscheiden van iedereen die niet tot 'ons soort mensen’ behoorde, veel te weinig snob-appeal. Vandaar dat een Haagse sigarenhandelaar Buruma’s Engelse grootvader vol ontzag een sigarepeuk liet zien die was opgerookt door Winston Churchill. DE IDENTIFICATIE van Engeland met het begrip 'vrijheid’ was niet nieuw. Buruma begint zijn historisch overzicht van de opkomst en ondergang van de anglofilie met Voltaire. Voor Voltaire, die er na de affaire-Rohan in 1726 zijn toevlucht had gezocht, was Engeland de bakermat van de vrijheid. Het politieke bestel van Engeland was volgens hem ideaal en diende ook elders ingevoerd te worden. Als het mogelijk was om kokosnoten te laten groeien in een ander klimaat dan waar deze vandaan kwamen, waarom zou dat met politieke en maatschappelijk instituties dan niet kunnen? Dat in zijn eigen Engelse landschapstuin - ook zo'n fenomeen dat door talloze anglofielen werd bewonderd en nagevolgd - de ananassen een kwijnend bestaan leidden, daaraan verbond Voltaire geen ideologische conclusies. Terwijl Voltaire in Frankrijk als auteur steeds afhankelijk was geweest van edellieden, die hem desgewenst straffeloos een pak slaag konden geven, kon hij in Engeland het leven van een onafhankelijke intellectueel leiden. Hij vergeleek de Engelse samenleving vaak met een vat bier: schuim aan de bovenkant, op de bodem droesem, maar in het midden excellent. Voor veel continentale anglofielen was vooral de Engelse middenklasse bewonderenswaardig. André Malraux noemde de gentleman de kroon der schepping. Maar zijn landgenoot Taine had er reeds op gewezen dat er een groot verschil was tussen de Engelse gentleman en de Franse gentilhomme. De laatste onderscheidde zich door zijn afkomst, elegantie, finesse en bestudeerde stijl. De Engelse viel op door zijn plichtsbesef en integriteit. Hoewel hij van adel kon zijn was het belangrijkste aan de gentleman niet zijn afkomst maar de manier waarop hij in het leven stond. Tocqueville signaleerde een essentieel verschil tussen de Engelse aristocratie en die van bijvoorbeeld Frankrijk of Duitsland. De Engelse aristocratie was geen gesloten kaste. Zonder noemenswaardige problemen nam zij mensen op die met succes de maatschappelijke ladder hadden beklommen. In Frankrijk en Duitsland daarentegen bleef altijd een kloof gapen tussen mensen die vermeld stonden in de Almanach de Gotha en leden der bourgeoisie. Zelfs als die de eersten in rijkdom voorbij waren gestreefd, werd de Engelse elite voortdurend aangevuld met ambitieuze en talentvolle nieuwkomers. Buruma’s eigen familie is een voorbeeld van die enorme sociale mobiliteit. Zijn overgrootvaders van moederskant waren Duitse joden die zich ruim een eeuw geleden in Engeland vestigden. Terwijl een van hen in het Duitse leger geen officier kon worden omdat hij jood was, werd hen in Engeland niets in de weg gelegd. Uiteraard kende ook Engeland antisemitisme, maar vergeleken met het vasteland stelde dat weinig voor. In welk Europees land had in de negentiende eeuw een jood als Disraeli premier kunnen worden? Het laatste hoofdstuk van Buruma’s prachtige boek is getiteld 'The Last Englishman’. Het beschrijft de herdenkingsdienst van de man die, met enige overdrijving, door Buruma wordt gezien als het meest uitgesproken voorbeeld van de Engelse gentleman, het archetype van de Oxford-geleerde. Het gaat hier om de in Riga geboren jood Isaiah Berlin. Buruma wijst erop dat een niet onaanzienlijk deel van de culturele elite van Engeland bestaat uit mensen die in de vorige en deze eeuw naar Engeland zijn gevlucht. In tegenstelling tot het door autoritaire en racistische regimes beheerste Europa was Engeland een, om in de woorden van de door Buruma niet genoemde Sir Karl Popper te spreken, 'open society’. Deze openheid, dit kosmopolitisme is volgens Buruma vooral onder het conservatieve bewind van Thatcher en Major sterk achteruit gegaan. Uiterst vilein is zijn beschrijving van de bekrompen Thatcherites, voor wie een Eton tie, het juiste accent en maatschoenen van Lobb middelen waren om zich te onderscheiden van mensen die in de race naar de top minder mazzel hadden gehad. Aan de openheid van Engeland hebben deze snobs, wie de multiculturele samenleving een gruwel is, geen boodschap. NU IS ENGELAND ook dikwijls bewonderd door buitenlanders die heel andere motieven hadden dan Voltaire of Isaiah Berlin. Buruma besteedt namelijk ook aandacht aan een soort Engeland-verheerlijking die niets te maken heeft met de anglofilie van bovengenoemde heren. Het gaat hier om wat Buruma het 'ossianisme’ noemt, de verering van de Keltische bard die nooit bestaan heeft, het dwepen met de nevelige mystiek van Schotland en Wales. Tegenover het Verlichtingsdenken, dat in Engeland het model zag van een vrije en op redelijkheid gebaseerde samenleving, is dit ossianisme volgens Buruma een romantische aberratie. Een Duitse anglofiel die niet betrapt kon worden op sentimenten als die van Voltaire en Berlin, en die zich dus ontwikkelde tot een rabiate anglofoob, was de Duitse keizer Wilhelm(II. Als kleinzoon van koningin Victoria en bewonderaar van de Engelse vloot had hij jarenlang gedweept met alles wat Engels was. Toen hij op 9 november 1918 als asielzoeker in Nederland arriveerde, was het eerste wat hij bestelde Engelse tea met scones. In de jaren daarna hield hij zich echter niet alleen bezig met de ontbossing van Doorn en omgeving, maar verdiepte hij zich tevens in de oorzaken van zijn val. En omdat het steken van de hand in eigen boezen geen moment bij hem opkwam, en de oorzaken ook niet gezocht konden worden in het heilige Duitsland, moest het wel het door joodse zakenlui en joodse intellectuelen beheerste Engeland zijn, dat de zaak verpest had. Vier jaar na zijn dood in 1941 gooiden die verdomde Engelsen weer roet in het eten.