PORTRET VAN IVO POGORELICH 

Een pianist met een doel

Een paar keer per eeuw duikt een pianist op die conventies aanvalt en meesterwerken kan ‘ontsmetten’. Zo iemand was Glenn Gould; zo iemand is ook Ivo Pogorelich.

Op een dag heb je alles al een keer gedaan, zelfs Ivo Pogorelich interviewen. Dat deed ik ook, en ik zal het niet snel vergeten. Met impresario Marco Riaskoff haalde ik hem van Schiphol af, opdat het vraaggesprek al onderweg naar Amsterdam kon aanvangen. Ik had mijn uiterste best gedaan om naar mijn destijds groezelige maatstaven presentabel voor de dag te komen. Al die zelfbeheersing leek voor niets te zijn geweest, toen de beroemdheid eindelijk in zicht kwam. Hij was een oudere jongere in een sweater en een oude spijkerbroek, een godenzoon met het gezichtsvet van de dertiger die wel eens een dag representatie overslaat. Een, die zijn slonzigheid met de behendigheid van sterren niettemin had weten op te trekken tot iets onmiskenbaar exclusiefs, smart grunge.

Het kwam mij voor dat zijn vertoon van nonchalance even symbolisch was als de dandyeske bontjassenglamour van zijn Oscar Wilde-fase, toen hij met opgeheven kin en nurkse blik de onbereikbare klavierleeuw ensceneerde. Zo zout hadden we zijn genre sinds de oude Horowitz niet meer gegeten.

Zijn immense populariteit bewees dat zijn toneel voorzag in een behoefte. Mensen haten die poeha. Maar ze kunnen hem niet missen, getuige de immense populariteit die Pogorelich in de jaren tachtig nog ten deel viel. In de Grote Zaal van het Concertgebouw zag je bij de eerste soloavonden met Pogo het type glansjeugd dat je, vechtend tegen je eigen vooroordelen, taxeerde op een platenkast vol Bowies, Simple Minds en Talking Heads. Pogo was lifestyle toen, noblesse oblige voor hippe mensen. Met die strategisch verwaaide new wave-coiffure van zijn vlegeljaren had hij in een sikkeneurig Engels Rietveldbandje kunnen spelen. Daarom waren veel critici waarschijnlijk ook zo kwaad op hem. Schoonheid = ijdelheid = oppervlakkigheid. En dan nog zo mal spelen ook, traag als een slak of taktaktak. Een querulant, dat kon niet missen.

Ik keek naar zijn hoofd. Het was ouder geworden. De kop van een gewezen playboy met een ommuurde persoonlijkheid, getekend door een permanent geworden irritatie over zijn wurgende verhouding met de buitenwereld. Het was alsof die schone jongeling van ooit zichzelf uit ergernis over zijn lot had uitgewist en voor de heremietenpose had gekozen. Dat had hij knap gedaan dan. Als voorbijganger zou ik hem hooguit vaag hebben herkend als iemand die ik lang geleden ergens had ontmoet. Hij had van alles kunnen zijn. Hollywoodacteur. Sportschoolhouder. Eigenaar van een glamoureus driesterrenrestaurant in Saint-Tropez. Iemand met geld. Geen pianist. Dat was hij wel. En uit heel ander hout dan je zou denken. Een vreemde, boze, serieuze jongen die in 1980, het jaar van zijn triomfale Poolse nederlaag, voor een uit yuppenoogpunt onverklaarbaar huwelijk koos met de veel oudere Russische pedagoge Aliza Kezeradze, die in zijn studietijd in Moskou voor hem werd wat ze tot haar dood voor hem zou blijven: goede geest en muzikaal geweten. Toen ze in 1996, enkele jaren na mijn ontmoeting met haar echtgenoot, aan kanker overleed, was Pogorelich naar verluidt zo van de kaart dat hij de vleugel vrijwel links liet liggen en zich, zoals ik nu in zijn opgefriste bio lees, liever onledig hield met het ontwerpen van sieraden.

Van de conversatie in de auto herinner ik me niets, behalve dat die interessant was. Er was iets manisch eenkennigs aan de man, dat me tegen wil en dank bijzonder voor hem innam. Daarna belandden we in de lobby van het Amsterdamse Barbizon-hotel om het op kopij berekende vraag-antwoordspel te spelen. Een interview van niks was het. Ik was te zenuwachtig om er wat van te kunnen maken. Met Pogorelich was het sowieso bijna onbegonnen werk. Nog voor de eerste vraag gesteld was, voelde ik dat zijn diepe, begrijpelijke weerzin tegen mijn branche een voor mij onneembare barricade was. Wat ik ook voelde: de verlegenheid van iemand die het niet kan zeggen. En die piano is gaan spelen om het niet te hoeven. Ik vrees dat ik hem aardig was gaan vinden, als het had geklikt.

Hij was – en is – om drie redenen bijzonder. Hij was een ster, wat er niet veel zijn. Ten tweede speelde hij zeer ongewoon piano. Ten derde had hij dat van meet af aan gedaan, zodat je aan moest nemen dat het menens was en niet, zoals hem in de openbare controverse rond zijn Beethovens en Brahmsen vaak verweten werd, een demonstratie van bestudeerde excentriciteit.

Ivo Pogorelich was al volstrekt zichzelf toen hij, nu 28 jaar geleden, als obscure 22-jarige Joegoslaaf in Warschau de derde ronde van het Chopin-concours werd uitgeknikkerd en het gedaan kreeg dat, as often told, jurylid Martha Argerich ‘uit protest’ uit de jury stapte, onder het voorwendsel dat Pogo geniaal was.

En?

Van Pogorelich’ Chopin-interpretaties in de Poolse concoursarena bestaan beeld- en geluidopnamen die koren op de molen zijn van vriend en vijand. Zijn uitvoeringen van de Tweede pianosonate, de Etude Op. 10/10 of het Derde scherzo doen al verrassend sterk denken aan de opnamen die hij later voor het label Deutsche Grammophon zou vastleggen. Op het eerste gehoor zijn het de even flamboyante als overgecultiveerde exercities van iemand die per se geen steen op de andere wil laten. Ze worden getekend door een ademloos atletisch expressionisme, dat van de gloedvol kwijnende Chopin een soort pre-industriële Prokofjev maakt. Dit is de eerste Chopin, dacht ik toen, van wie de ritmische structuur veel interessanter is dan de melodische. De vraag is dan meteen: moest dat nou?

Er zijn twee antwoorden. Ja, want de kunst is een vrijplaats en uitvoerende musici zijn kunstenaars, geen kopieerautomaten. En: nee, dat moet niet, de letter is de geest. De intrinsieke deemoed van het nee trekt van oudsher aan het langste eind. Respect voor de muze dicteert een principiële loyaliteit aan het notenbeeld en de geest van een oeuvre. Het gevaar is standaardisatie, het ontstaan van tradities die maken dat grote pianisten repertoirestukken min of meer hetzelfde spelen, de een hooguit wat beter dan de ander. Dat is in de haak zolang het niet tot stereotypering leidt. Maar vaak gebeurt dat wel, en dan zijn harde maatregelen gewenst. Complicerende factor is dat de aanval op conventies grote moed en grote gaven vergt. Maar een paar keer in de eeuw duikt er in de muziek iemand op met het voorstellingsvermogen en de drive die nodig zijn om meesterwerken te ontsmetten. Zo iemand was Glenn Gould, en zo iemand was enkele niveaus lager de jonge Joegoslaaf die zijn Canadese voorganger diep vereerde en in zijn muzikale attitude zeer krachtig door hem werd beïnvloed, ook in repertoire dat Gould links liet liggen.

Zoals Pogorelich Chopin speelt, denk je dat Gould het had gedaan, wanneer die taal zijn stiel zou zijn geweest. Wat je hoort is tot constructie gemuteerde romantiek met de adembenemend razende, ratelende exactheid van Goulds Bach, iets waarvoor het woord briljant had moeten worden uitgevonden als het niet bestaan had.

In een interview met David Dubal doet de jonge Pogorelich enkele belangrijke uitspraken. ‘A great interpretation must sound inevitable’, zegt hij: ‘But to make that occur, you must be the creator of a whole set of musical circumstances, in which the actors are rhythm, timing, agogics, accentuation, phrasing, pedaling and so forth, as well as an understanding of the aesthetics of the score. The musical line, the essence must be inevitable.’ Dat hij ritme, timing, agogiek, accentuering en frasering prioriteert lijkt me geen toeval: klank, is de indruk, valt bij Pogorelich onder het motto ‘and so forth’ in de categorie bijzaken.

Het knappe is dat het vaak niet eens stoort. Zijn cleane, soms bijna steriele brille – talent voor ruige seks is hem als kunstenaar niet gegeven – compenseert een manco dat in andere kernstukken op Pogorelich’ repertoirelijst des te sterker aan het licht zal treden: zijn gebrek aan toon. Dat die blinde vlek hem uitgerekend in de zangrijke romantiek van werken van Chopin of, later, Skriabins Tweede pianosonate geen parten speelt is een verbazingwekkend fenomeen, omdat hij zich wel degelijk manifesteert in de kille, blikkerende fortes en een voelbare aversie tegen de muzikantenzwendel met omfloerste mezzotinten. Maar al die tekortkomingen worden weggevaagd door de onnavolgbare precisie van zijn dictie en de demonie van zijn voordracht, tenminste als hij voldoende noten mag verstouwen in een als het even kan uitdagend tempo. Hij moet namelijk wel iets te doen hebben; in Ravels Scarbo of de finale van Prokofjevs Zesde sonate is hij letterlijk en figuurlijk onnavolgbaar. Ook daarom is de snelle Pogorelich me liever dan de langzame. Het is alsof zijn persoonlijkheid te ongedurig en agiel is voor de minzame reflectie, het kalme verwijlen. Brahms’ Intermezzo Op. 118/2: onsterfelijk vervelend. Chopins beroemde treurmars in de Tweede sonate: grotesk autisme. Chopins Préludes: alleen draaglijk in de vijfde versnelling. De miniaturist Chopin belemmert zijn armslag: de Nocturne Op. 55 is een desolaat landschap. Dit is geen schilder maar een etser, zelfs een Escher: iemand die laat kloppen wat niet kan. Zijn liefde voor Prokofjevs prachtige verkramptheid spreekt boekdelen.

Genie? Jawel.

Net als ik op hem uitgekeken dreig te raken, verschijnt in de jaren negentig zijn opname van Bachs Engelse suites Twee en Drie. Dat is het keerpunt. Daar valt alles op zijn plaats door de enorme spanning die toonvorming, tempokeuze en frasering tot barstens toe onder druk zet, zonder de muziek onder de last te laten bezwijken. De muzikale orde houdt een bijna perverse gretigheid binnen de perken. Pogorelich’ Haydn-opname is om dezelfde reden net zo fascinerend.Daarmee heb je ze wel, de hoogtepunten. Een paar Chopins, Haydn en Bach. De bewondering strekt zich niet uit over de volle breedte van zijn muzikale panorama. Gould is groter, sterker, subversiever. En Pogorelich is uiteindelijk ook geen partij voor de paar reuzen die, zonder enige hang naar interpretatieve contramine, met alle ups en downs gewoon een leven lang geweldig spelen. Richter, en toch Horowitz, ondanks zijn show. Gilels. Gieseking.

Toch kunnen we Ivo Pogorelich niet missen. Hij is een pianist met een doel. Hij heeft een onmiddellijk herkenbaar idioom. Zulke provocateurs hebben we nodig. Het is bewondering met een voorbehoud: het spel bevestigt steeds de indruk die ik van de man had. Koud en bezeten, ongenaakbaar; bang voor vieze nagels, vuile handen. Maar volmaakt in zijn soort, zo onalledaags begaafd dat je hem niet zou willen missen. Nu maar hopen dat zijn indrukwekkende techniek niet heeft geleden onder zijn ontwerpershobby.

Ivo Pogorelich, Beethoven, sonates Op. 78 en 111; Brahms, Intermezzo Op. 118/2; Rachmaninoff, Sonate Nr. 2.

9 mei, Eindhoven; 10 mei, Rotterdam