Europese Literatuurprijs

Een piano om de draak in slaap te sussen

Een schrijver hoeft de geschiedenis niet als een verlammende last mee te torsen, hij kan haar ook als een onuitputtelijke bron van speelse, niet al te serieuze creativiteit beschouwen. Dat was in Duitsland heel lang ongebruikelijk, grofweg – als het om het noemen van een keerpunt gaat – tot de komst van Daniel Kehlmann (1975), die vanwege zijn eruditie, verbeeldingskracht en subtiele gevoel voor humor lange tijd als een literair wonderkind werd beschouwd. Zijn meesterproef legde Kehlmann af met Het meten van de wereld (2005), een filosofisch getinte avonturenroman van twee contraire boegbeelden van de Duitse Verlichting, de wiskundige en astronoom Carl Friedrich Gauss en de universele ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt, ‘de uitvinder van de natuur’, volgens zijn recente biograaf Andrea Wulf.

Daniel Kehlmann drijft, als eigentijdse Uilenspiegel, met al zijn figuren de spot © Billy & Hels

Zijn nieuwste boek, Tijl, is gebaseerd op Tijl Uilenspiegel, hoewel die bij hem weinig of niets te maken heeft met de historische Tijl, gesteld dat die al bestaan heeft. De oudste gedrukte verhalen van deze rondtrekkende potsenmaker stammen uit het begin van de zestiende eeuw, latere auteurs laten hem vrijelijk in heel andere tijden en omstandigheden optreden. De beroemdste, onder meer tot diep in Rusland populaire versie is die van de Franstalige Belg Charles de Coster, die hem in La Légende et les Aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d’Ulenspiegel et de Lamme Goedzak (1867) omtovert in een Vlaamse vrijheidsstrijder die zich tijdens de opstand tegen Spanje bij de Geuzen voegt – volgens Stefan Zweig (en Luc Devoldere) het begin van de Belgische literatuur.

Kehlmann verplaatst zijn Tijl naar het begin van de zeventiende eeuw, waar hij getuige is van verschillende episoden uit de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Zijn boek wordt geafficheerd als roman, maar dat lijkt moeilijk vol te houden. Het gaat om acht op zichzelf staande, dus ook heel goed los van elkaar te lezen verhalen in niet-chronologische volgorde. Uilenspiegel speelt in al die verhalen een rol, maar vrijwel altijd in de marge, niet als drager van de gebeurtenissen, soms lijkt het alsof Kehlmann hem er op het laatste moment heeft ingesmokkeld om het geheel onder de titel roman te kunnen uitgeven. Overigens is het hem beslist niet om een historisch verantwoorde weergave van die gebeurtenissen te doen; wie meer wil weten over de langste en bloedigste godsdienstoorlog uit de geschiedenis wordt aanzienlijk beter bediend door Der Dreissigjährige Krieg, een recente, adembenemende studie van Herfried Münkler.

Wat allemaal niet wegneemt dat enige kennis van die tijd voor de lezer van Tijl geen kwaad kan. Het wemelt in het boek van de personages waarvan gevreesd moet worden dat ze niet tot de canon van ons geschiedenisonderwijs behoren. Von Wolkenstein en Wallenstein, Gustaaf Adolf en Frederik V, Francis Bacon en John Donne: ze doen allemaal mee zonder introductie; de Nederlandse lezer kan even opveren als Liz (Elisabeth Stuart) en haar ‘onzekere Frederik’, ‘de risee van Europa’, na hun vlucht uit Praag in Den Haag belanden (in een armzalige villa ‘die ze hun residentie noemden’) of als dezelfde Liz een portret van Rubens had willen kopen maar dat tot haar chagrijn niet kon betalen, aangezien ‘deze sombere man’ in ‘niets anders geïnteresseerd leek dan in geld’. Maar veel context, vrees ik, is terra incognita, in elk geval voor mij.

Historische, psychologische en emotionele geloofwaardigheid doet er bij Kehlmann volstrekt niet toe

Kehlmann drijft, als eigentijdse Uilenspiegel, met al zijn figuren de spot, het meest van al met de twee geleerde jezuïeten Oswalds Tesimond en Athanasius Kircher, de een ‘doctor in de medicijnen en de theologie, bovendien chemicus, gespecialiseerd in drakologie’, de ander ‘houdt zich bezig met occulte tekens, kristalkunde en het wezen van de muziek’. Maar al lang voor deze heren in het tweede en langste verhaal hun opwachting maken is het duidelijk dat alle personages in dit boek zetstukken zijn in een spel dat Kehlmann, vaak geestig en virtuoos, soms ook te uitgemolken, met hen speelt, en dat historische, psychologische en emotionele geloofwaardigheid er volstrekt niet toe doet. Allerlei soorten wreedheden en oorlogsgruwelen worden in detail uit de doeken gedaan zonder dat je daar als lezer ook maar een moment van opkijkt, wel valt er – tongue in cheek – heel wat te lachen.

Kircher – in zijn tijd een beroemd auteur van geleerde en doldwaze, quasi-geleerde boeken in het Latijn op elk terrein – zoekt een geneesmiddel tegen de pest en denkt dat ‘onomstotelijk’ te hebben gevonden ‘in echt drakenbloed’. Dus is hij met zijn maat Adam Olearius, hofwiskundige uit Gottorf, in Holstein op zoek naar de laatste levende draak van het noorden. Dat niemand het monster ooit heeft gezien is geen bewijs voor zijn niet-bestaan, integendeel, want een draak ‘die je ziet, zou een draak zijn die de belangrijkste eigenschap van draken mist – namelijk zich onvindbaar maken’. De logica wordt nog volop beheerst door de spitsvondigheden van de middeleeuwse scholastiek.

Kircher weet ook al precies wat ze moeten doen als ze het beest straks vinden: zijn Musurgia universalis bevat onder veel meer een ontwerp voor een kattenpiano met behulp waarvan de draak in slaap gesust kan worden: ‘Een piano die klanken voortbrengt door het pijnigen van dieren. (…) Men slaat een toets aan en in plaats van een snaar wordt een klein dier (…) een goed gedoseerde hoeveelheid pijn toegediend, zodat het dier een geluid laat horen. Rangschik je de dieren naar stemhoogte, dan kun je de apartste muziek maken.’ Op de vraag of dieren kwellen niet tegen Gods wil is, antwoordt de geleerde dat het echt niet uitmaakt of hij klanken ontlokt aan een waterzuil of aan een katje, dieren hebben immers geen onsterfelijke ziel? ‘Dan zou het in het paradijs een drukte van jewelste zijn.’ Ach ja, natuurlijk, dat ik daar nu niet aan had gedacht.