Harde cijfers over vierkante meters

Een plek onder de zon

De goedkoopste huurwoningen staan in Groningen, de duurste in Limburg. Op jaarbasis wordt ruim 45.000 kilometer aan vloerbedekking verkocht. En nog veel meer dingen die iedereen moet weten die woont.

Medium groene huur koop

Miljoenen woningen
Er zijn in Nederland 7,1 miljoen zelfstandige woningen. Bijna de helft staat in het westen en 15 procent staat in de vier grote steden.
Ruim de helft van de woningen is na 1971 gebouwd, 29 procent na 1945 en de overige 21 procent is vooroorlogs. Er zijn dus relatief veel nieuwe huizen. Frankrijk en Engeland, om een vergelijking te maken, hebben veel meer vooroorlogse huizen.
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (vroeger VROM) maakt een onderscheid tussen eengezinswoningen (71 procent, oftewel 5 miljoen) en meergezinswoningen. Dat betekent niet meer dan één gezin in een huis, maar slaat op flats, appartementen, bovenwoningen, et cetera, plekken waar meer units in één gebouw zitten. Daarvan zijn er ruim 2 miljoen.
Het aantal kamers per woning is de laatste jaren iets toegenomen. De meeste huizen hebben ten minste vier kamers. De één- of tweekamerwoning - populair in urbane gebieden - is eigenlijk een kleine minderheid.

Medium groene buitenruimte

Iedereen wil buitenruimte
In Nederland hoeft bijna niemand ongewild binnen te zitten: slechts 4 procent heeft geen enkele ‘buitenruimte’. Een kwart heeft een balkon en liefst 70 procent heeft een tuin. Gelukkig maar, want naast locatie en indeling vinden Nederlanders de aanwezigheid van een ‘buitenruimte’ het belangrijkste criterium bij het vinden van een huis.
Het soort buitenruimte hangt wel af van het type woning. Van alle eengezinswoningen heeft 95 procent een tuin. Ook de helft van de overige vijf procent kan naar buiten als de zon schijnt. Die heeft toegang tot een binnenplaats of een gemeenschappelijk erf.
Bij meergezinswoningen ligt het anders. Slechts vijftien procent heeft een tuin, bijna driekwart een dakterras of balkon. In totaal hebben ongeveer 150.000 van de 2,2 miljoen appartementbewoners geen enkele buitenruimte. Dat zijn vooral huurwoningen in oude stadscentra of in compact gebouwde, naoorlogse wijken, aldus het Centraal Bureau voor de Statistiek. Veel van dat soort woningen staan in Noord- en Zuid-Holland en worden bewoond door studenten. Het gebrek aan buitenruimte hoeft uiteindelijk geen probleem te zijn. 57 procent van de Nederlanders zegt zich het meest gelukkig te voelen in de huiskamer, tegen 11 procent in de tuin.

Medium groene grafiek

Kopen of huren
Sinds een jaar of tien hebben meer mensen een eigen huis dan een huurhuis. Al jaren neemt het aantal koopwoningen procentueel langzaam toe, ten koste van het aantal huurwoningen. Was het in 1985 nog 41 procent koop tegen 59 procent huur, nu is dat precies omgekeerd. Het 50/50-moment was ergens in 1998. Toch is het aandeel koopwoningen in Europees perspectief nog laag. Alleen Duitsers, Scandinaviërs en Tsjechen kopen nog minder. In Spanje, Portugal, Griekenland of Engeland heeft driekwart een eigen huis.
Het is wel zo dat het aandeel koopwoningen in steden veel lager ligt dan op het platteland. Gemiddeld scheelt dat 19 procent, berekende het CBS/Compendium. Het grootste verschil tussen stad en platteland in de omgeving is in Amsterdam en Delft. In Amsterdam is in 2008 slechts een vijfde deel van de woningen koopwoning, terwijl dit in de omgeving bijna 60 procent is. Andere regio’s met meer dan 25 procentpunten verschil tussen stad en platteland zijn Maastricht, Groningen, Rotterdam en Nijmegen. In de regio’s Apeldoorn, Haarlem, Enschede en Den Haag zijn er relatief kleine verschillen tussen stad en het platteland (minder dan 10 procentpunt).
Toch zijn er nog altijd bijna 3 miljoen huurwoningen. De gemiddelde prijs voor een kale woning is ongeveer 450 euro, maar een flink deel is goedkoper dan 350 euro. De goedkoopste staan in Groningen, de duurste in Limburg. Er zijn in Nederland 455 woningcorporaties, die in totaal 2.376.000 woningen beheren. Dat zijn bijna allemaal sociale huurwoningen. In totaal zijn er in Nederland ruim drie keer zo veel sociale als particuliere huurwoningen.

Medium groene grafiek1

Hoe ouder, hoe huurder
De crisis heeft de aanschaf van een eerste huis makkelijker gemaakt. Sinds 2007 heeft 1 op de 3 starters op de woningmarkt een woning gekocht. In de voorgaande periode van 2004 tot en met 2006 was dat nog 1 op de 4.
Het aantal verkochte woningen is natuurlijk wel gedaald. Vrij spectaculair zelfs. In 2005 werden 206.629 woningen verkocht, in 2009 slechts 127.532.
Of iemand huurt of koopt hangt uiteraard af van de levensfase en -stijl. Onder de 25 jaar zijn weinig kopers, terwijl bijna driekwart van gezinnen met kinderen een koopwoning heeft.
Samen hebben de woningbezitters een hypotheekschuld van bijna 618 miljard euro, zo becijfert De Nederlandsche Bank. Dat is gemiddeld 185.000 euro per hypotheek. Dit bedrag groeit al jaren explosief. Ter vergelijking: begin 2007 stond er totaal voor iets meer dan 536 miljard aan hypotheken uit. In 1996 was dat nog circa 160 miljard. Verklaringen: de lage rentestand, stijgende huizenprijzen, de toename van het woningbezit en de groei van het aantal aflossingsvrije hypotheken.

Medium groene grafiek2

Zeeuwen zijn scheefwoners
Soms krijg je de indruk dat half Nederland scheef woont. Tijdens de campagne voor de Tweede-Kamerverkiezingen was de scheefwoner in elk geval uitgebreid onderwerp van discussie. Zijn profiel: een hoger opgeleid persoon met een riant inkomen die blijft plakken in een goedkope sociale huurwoning, die eigenlijk bedoeld is voor iemand met een laag salaris. Zo'n 75 procent van de scheefwoners is jonger dan 35 jaar. Meestal gaat het om alleenstaanden of stellen zonder kinderen.
Maar is het ook zo, zijn er zo veel scheefwoners? Het korte antwoord: dat valt wel mee, vooral als je heel Nederland beschouwt. Het gecompliceerde antwoord: het hangt ervan af waar je de inkomensgrens trekt. Want wanneer woont iemand eigenlijk scheef? Oftewel: bij welk inkomen word je niet meer geacht in een sociale huurwoning te blijven?
De meningen hierover verschillen, maar hoe lager de grens, hoe meer scheefwoners. Het vorige kabinet legde de grens bij 40.000 euro; dan is slechts 4 procent van de huurders een scheefwoner. Het CBS trok de grens bij € 21.450 als alleenstaande, of € 29.125 voor samenwonenden. In dat geval is er ruim 15 procent scheefwoners in Nederland. En dat kost, indirect, een hoop geld. Het Centraal Planbureau becijferde dat in totaal 7,75 miljard van de subsidiëring van de Nederlandse huurwoningmarkt terechtkomt bij huurders met midden- of hoge inkomens. Dat is bijna de helft van het totaalbedrag dat de staat kwijt is aan de hypotheekrenteaftrek. Zo bezien is het dus wel degelijk een probleem.
Het kabinet wil er dan ook iets aan doen: door de huren voor mensen die meer dan 43.000 euro verdienen sterker te laten stijgen, en ze zo het goedkope huurhuis uit te jagen.
O ja, Zeeuwen, en dan met name Bevelanders, zijn de meest notoire scheefwoners, met 42 procent volgens de maatstaf van het CBS.

Medium groene grafiek3

Meer vierkante meter per persoon
Na de Tweede Wereldoorlog werden de huizen kleiner. Voor 1945 was een eengezinswoning gemiddeld 156 vierkante meter. Zelfs al waren de gezinnen in die tijd groter, er was over het algemeen voldoende ruimte. Na de oorlog werd er steeds kleiner gebouwd, gemiddeld 30 m2 minder per woning. Pas in de jaren negentig kon het allemaal weer wat ruimer en waren nieuwe huizen gemiddeld groter dan de vooroorlogse woningen.
Toch profiteert daar maar een deel van de bevolking van. In Nederland woont de helft van de huishoudens in een woning tussen de 70 en de 150 m2. 28 procent is ruimer behuisd dan 150 m2 en 22 procent moet het stellen met een woning kleiner dan 70 m2.
Onder de ruimbehuisden zijn veel Drentenaren. Die wonen met gemiddeld 209 m2 per persoon het meest riant en hebben ruim twee keer zo veel ruimte als mensen in Zuid-Holland. Die wonen het krapst.
Het aantal vierkante meter per woning zegt niet alles over de ruimte per persoon. Immers, we wonen met steeds minder mensen per huis (inmiddels 2,2 gemiddeld, een dieptepunt; in 2050 zal 44 procent van de woningen slechts 1 bewoner hebben). Logisch dat het gemiddelde woonoppervlak per persoon tussen 1996 en 2006 toenam, van 136 naar 139 vierkante meter.

Medium groene ruim wonen

Maar wel verhuizen
Hoe jonger, hoe mobieler. Aan de verhuisbehoeften te zien klopt dit. In 2009 was 69 procent van de Nederlanders met een verhuiswens jonger dan 44 jaar. Gezinnen met kinderen verhuizen liever (23 procent) dan alleenstaanden (15 procent) of ouders zonder kinderen (9 procent). Overigens is er een verschil tussen droom en daad, met name bij jongeren. Slechts 35 procent van de jongeren onder de 24 met verhuisplannen zette ook daadwerkelijk de stap. Blijkbaar is een nieuwe studentenkamer moeilijk te vinden of het ouderlijk nest toch wel warm.
De belangrijkste reden om te verhuizen was ontevredenheid met de woning zelf. 24,8 procent gaf dat als reden op. Nederlanders verhuizen niet graag voor hun werk. Slechts 7,2 procent van de gevallen betrof een werkgerelateerde verhuizing. Forenzen we dan liever? Inderdaad. Van alle Europeanen zijn Nederlanders de meeste tijd kwijt aan woon-werkverkeer. Gemiddeld reizen Nederlandse werknemers vijftig minuten per dag.
Andere redenen om te verhuizen zijn de woonomgeving (13 procent), behoefte aan zorg (7 procent) of dichter bij familie (5 procent). Het beëindigen van een huwelijk is zelden een verhuismotief. Slechts 0,5 procent van de verhuizers gaf een scheiding op als reden. Op een totaal van 599.034 verhuizingen binnen Nederland zou dat om ongeveer 2995 gevallen gaan. Vreemd. Het CBS registreerde in 2009 een totaal van 31.700 ontbonden huwelijken. Blijven de meeste gescheiden stellen toch samenwonen? Waarschijnlijk niet. De cijfers zijn door het voormalig ministerie van WWI verkregen aan de hand van zelfrapportage. De meeste pas gescheiden verhuisden vulden waarschijnlijk liever ‘de woning zelf’ of ‘anders’ (19,3 procent) in.

Medium groene verhuizen

Omzetverlies in woonland
In 2009 gaven Nederlanders 7,9 miljard euro uit aan hun interieur. Dat is veel, maar wel 10 procent minder dan het jaar daarvoor. De economische crisis heeft er flink ingehakt, bij de woonwinkels, keukenboeren en doe-het-zelfzaken. Mensen kopen minder, en kopen goedkopere producten. Gevolg: omzetverlies in woonland. De recessie is het sterkst zichtbaar bij keukens (-13 procent) en vloeren (-11 procent) maar ook de verkoop van meubels, vloerbedekking en ‘raambekleding’ daalt, blijkt uit de cijfers van de CBw- MITEX Consumentenmonitor.
Maar toch geven we desondanks een hoop geld uit aan de binnenkant van ons huis. Aan grote meubelen (banken, kasten, tafels, stoelen en bedden) ruim 3 miljard. Oftewel 433 euro per huishouden per jaar. Daarna komen de keukens (2,4 miljard) en vloerbekleding (1,1 miljard). Op jaarbasis wordt ruim 45.000 kilometer aan vloerbedekking verkocht (textiele vloerbedekking, hout/laminaat en vinyl/linoleum). Het minst geven we uit aan ‘bedtextiel’ (kussens, dekbed, dekbedovertrek, lakens, molton).
Al dat geld geven we steeds minder uit bij speciaalzaken. In 2003 hadden die nog 75 procent van de markt in handen, inmiddels is dat ruim 10 procent minder. Grote woonketens (discounters), woonwarenhuizen (Ikea) en bouwmarkten winnen marktaandeel. Er zijn trouwens nu 750 bouwmarkten in Nederland, met een gezamenlijke omzet van bijna 3 miljard euro en in totaal 22.000 werknemers.