Hans en Monique Hagen

Een pluk haar

Hans en Monique Hagen, Marit Törnqvist,
Jij bent de liefste.
Uitg. Querido, 52 blz., ƒ28,50

Marit Törnqvist (1964) pendelt heen en weer tussen twee culturen: Zweedse vader - Nederlandse moeder, geboren in Zweden - opgegroeid in Nederland. Tegenwoordig woont ze in Amsterdam, maar op het Zweedse platteland heeft ze een huisje, tegen het heimwee. Als illustrator heeft ze waarschijnlijk in haar geboorteland een grotere naam dan hier. Als opvolgster van Ilon Wikland verluchtigde ze de laatste boeken van Astrid Lindgren en in Stockholm ontwierp ze Junibacken, een verhalenhuis waarin Lindgrens werk driedimensionale vormen heeft aangenomen en dat tevens is bedoeld om de traditionele Zweedse cultuur levend te houden. In ons land tekende ze heel mooi bij de poëzie van Leendert Witvliet en bij de verhalen van Klaas van Assen (Verhaal voor Hizzel) en Annie Makkink (Helden op sokken). Zelf maakte ze Klein verhaal over de liefde (1995), een grappige prentvertelling waarin een meisje, gezeten op een paal in de zee, het leven in velerlei vorm aan zich voorbij ziet trekken. Alleen de liefde kan haar ertoe bewegen h
aar veilige uitkijkpost te verlaten.

Uit Törnqvists illustraties spreken een liefdevol oog voor de natuur, een zekere hang naar vroeger en een romantische kijk op het kind: elfjesachtig klein, op hoge, gestreepte kousenbenen en met een pluizig koppie haar. Achter dat beeld van de wereld en het kind schemert het werk van Zwedens beroemde prentenboekenmaker Elsa Beskow, dat m ét het verhalenuniversum van Astrid Lindgren de hand van Marit Törnqvist zichtbaar heeft beïnvloed. Dat blijkt ook uit haar nieuwste boek Jij bent de liefste. Het bevat 23 gedichtjes van Hans en Monique Hagen, en de titelpagina meldt: «met tekeningen van Marit Törnqvist.» Voor de goede beschouwer bestaat de uitgave eerder uit 23 uitbundig gekleurde, steeds een dubbele pagina beslaande schilderingen, met gedichten van het echtpaar Hagen.
De kleine verzen spelen zich af binnen de kleuterwereld van schooltje spelen, uit logeren, verlangen naar een hondje, nog even niet naar bed en tranen om een kapotte knie: «soms val ik hard/ dan huilt mijn knie/ tranen van rood bloed.» En heerlijk is het buiten spelen in de zon: «zon kom op/ zet je stralen aan/ dan kan ik naast mijn schaduw staan.» Op elementair niveau is er ook sprake van een zekere beschouwelijkheid: hoe kunnen de wolken blijven hangen in de lucht, de kleine ik ziet de sterren, maar zouden ze haar misschien ook zien en hoe zit dat met zichtbaar en onzichtbaar? Onzichtbaar zijn een zucht, de verdwijnende nacht en de wind, maar «met mijn ogen dicht/ zie ik alles wat mijn hoofd verzint».
Törnqvist heeft de teksten verbeeld in zorgvuldig uitgewerkte prenten die harmonie, veiligheid en warmte uitstralen. De centrale ik-figuur uit de poëzie is een zoet, blond meisje geworden. Ze woont in een rommelig huis, waar ze rondscharrelt achter een rieten poppenwagen en omgeven is door knuffels en beren, boekjes en kartonnen koffertjes. Het kind is er koningin. Moeder is een keer slapend in een ouderwets ledikant aanwezig en van vader is niet meer te zien dan een pluk haar achter de krant. Alleen oma mag echt meedoen, maar dan wel op kleuterhoogte en geheel dienstbaar: kruipend, liggend of voorlezend op de vloer. Er heerst een soort totale liefheid en kindgerichtheid, waar je als volwassene uiteindelijk enigszins wee en vermoeid van raakt. Ik voelde tenminste een groot verlangen opkomen naar een kwaaie hond, een agressief jongetje of desnoods een heks, maar het schokkendste dat ons te wachten staat is een donkere zolder waar een brave muis «piep» zegt.
Sommige platen en vooral die waar het kleurgebruik en het poppengedoe aan banden zijn gelegd, zijn van een prachtig verstilde sfeer. Andere pagina’s daarentegen ontploffen haast door volte, beweging en kleur. Ze lijken mede het resultaat van de pretenties en de dwingende fullcolour-perfectie binnen de internationale wereld van het prentenboek. Eerdere samenwerking tussen de makers van Jij bent de liefste leidde bij uitgeverij Van Goor tot de fraai geïllustreerde en uiterst bruikbare poëziebundeltjes Daar komt de tijger (1988) en Misschien een olifant (1990). De zwierige, vaak geestige lijn in de pentekeningen bood het oog minstens zoveel plezier als de soms behaagzieke kleuren in het nieuwste boek. Bovendien kregen de gedichtjes via een speelse lay-out een verrassende, prominente plek in de prenten en op de pagina. Anno 2000 is het eerder zo dat de tekstblokjes af en toe als stoorzender op de bladzijden optreden, wat de versjes qua kwaliteit beslist niet verdienen.