Een poëtisch spook

DE AMERIKAANSE dichter Weldon Kees stierf halverwege zijn leven. Hij was amper de veertig gepasseerd. Zelfs als hij op die mistige zomerdag in San Francisco in 1955 niet van de Golden Gate Bridge naar beneden was gesprongen en zijn auto alleen maar had achtergelaten om anderen op een dwaalspoor te brengen, stierf daar de man die hij tot dan toe was geweest. Zijn gestalte loste op, verdween van de aardbodem, ongezien en onder onopgehelderde omstandigheden.

Er is een journalist die ervan overtuigd is dat hij enkele jaren na de onopgehelderde verdwijning van Weldon Kees nog een biertje met de dichter heeft gedronken in Mexico. Verder heeft niemand hem na juli 1955 nog gezien. In feite is Kees nooit echt vaak ‘gezien’ geweest. Niet tijdens zijn leven, en ook niet daarna. Het maakt hem een beetje extra tragisch. Kees heeft zijn voortijdige dood niet kunnen inruilen voor grote dichtersroem zoals Rimbaud, Crane of Morrison. Net als het karakter Robinson uit zijn prachtige gedicht 'Aspects of Robinson’ blijft Kees 'the character that always disappears just around the corner’. De man aan de zijkant, die met zijn hoofd net niet op de groepsfoto staat, het klasgenootje met het hoofd buiten beeld. In Amerika zijn nog minder mensen met Weldon Kees bekend dan in Europa. 'Weldon who?’ is de vraag die je onvermijdelijk krijgt als je naar gegevens over of werk van de dichter informeert. 'You mean Keats?’ In de City Lights Bookstore aan Columbus Avenue in San Francisco, de boekenwinkel van dichter-uitgever Lawrence Ferlinghetti, trof ik tussen de schappen geen enkele titel van of over Kees aan. Aanvankelijk wist ook niemand in de Public Library van de stad Lincoln in Nebraska over wie ik het had toen ik informeerde naar gegevens over Kees die daar was geboren en getogen, en er zelfs had gestudeerd. DE CRITICUS Charles Baxter noemde Weldon Kees 'het spook van de Amerikaanse poëzie’; een dakloze asielzoeker in de kunst die nergens rust of onderdak vond, in geen enkele discipline, in geen enkele stad en al helemaal niet in zijn eigen gedaante. Het dichterschap van Kees heeft alles weg van een vlucht, een poging om te geraken uit het Midden-Westen, de omgeving van zijn jeugd. Zijn geboortestreek omschreef hij als een 'stifling place’ waar de mensen enkel bleven omdat ze vastgeroest of hypocriet waren. Kees wilde een bekend schrijver zijn. Of dichter. Of kunstenaar. Of pianist. Of cineast. Een keuze maakte hij niet. Rond 1950 bereikte hij bijna zijn doelstellingen; hij hoefde alleen nog maar de laatste bocht te nemen. Hij had zijn baan als bibliothecaris in Denver opgegeven om naar New York te verhuizen, waar hij zich in het grote avantgardistische kunstenaarsleven had gestort. Zijn gedichten en korte verhalen waren inmiddels in ieder respectabel literair tijdschrift geplaatst en zijn schilderijen hingen in groepsexposities naast werken van Jackson Pollock, Hans Hofmann en Willem de Kooning. In de laatste vijf jaren van zijn leven lukte het Kees echter niet de laatste stappen te zetten. Een doorbraak naar het grote publiek bleef uit. Kees verhuisde naar San Francisco, waar hij zijn talenten verder bleef versnipperen over filmprojecten, fotografie, een dichtersrevue die hij Poets Follies noemde en een avondstudie psychologie aan de universiteit van Berkeley. In het laatste jaar van zijn leven was hij bezig met een film over de Golden Gate Bridge. Het appartement waar Kees toentertijd verbleef, op nummer 1980 in Filbert Street, San Francisco, was het middelste van een drietal armoedige, roze houten huisjes in de Marina, een wijk die boven de oude haven van de stad is gelegen. Het huisje staat er nog steeds. Het heeft witte luikjes achter deur en ramen, en een houten trap met een balustrade van eenvoudig gekruld ijzerwerk. Ik ben er twee jaar geleden een kijkje gaan nemen, benieuwd als ik was of de huidige bewoners wellicht nog iets te maken hadden met Weldon Kees of iets over hem konden vertellen. Maar er bleek helemaal geen bewoner te zijn. Aan het hek van nummer 1980 was een zwart-wit makelaarsbord bevestigd waarop stond: 'Pacific Union - Annie Bone.’ Het huis stond te koop. Uit de brieven die Weldon Kees schreef in zijn laatste periode toen hij in dat huisje in de Marina woonde, spreekt een man die finaal kaput was, die zichzelf geheel had gesloopt. Zijn leven was gebroken in steeds meer stukken, net als zijn talenten. Zijn vrouw Ann raakte tot zijn verdriet steeds verder van hem vervreemd. Ze had een drankprobleem en leed aan psychotische aanvallen waarvoor ze intern moest worden behandeld. Kees’ leven was, zoals hij zelf ook vaststelde in een van zijn brieven, sterk op dat van Dick gaan lijken inTender as the Night, de roman van F. Scott Fitzgerald, waarin de hoofdpersoon zijn geliefde van zich ziet verwijderen door aanvallen van gekte en een barre tocht langs de klinieken. In een brief aan zijn vriend Norris Getty uit New York, gedateerd 8 augustus 1954, schreef Kees: 'For the first time in my life I have been thinking seriously about getting out of this country & into another cultural climate for a change. But I don’t know quite where, or how, as yet.’ In het jaar dat volgde speculeerde hij soms over een mogelijke emigratie naar het zuiden. Tegen een vrouw die hem zeer dierbaar was (Janet Richards) zei hij op een zondagavond in juli 1955 over de telefoon: 'I may go to Mexico. To stay.’ Janet: 'Weldon, for God’s sake don’t go without seeing us.’ 'I won’t’, beloofde hij. Na maandagmiddag 18 juli 1955 heeft niemand de dichter meer gesproken of gezien. DE AUTO van Kees werd aan de noordpoort van de brug gevonden, verlaten, niet op slot. Zijn adresboekje lag nog in het dashboardkastje. In zijn appartement vond men een paar rode sokken die lagen te weken in de afvoerbak. Niets wees op een mogelijke emigratie. In de documentaire die de jonge Engelse dichter Simon Armitage voor de BBC over Kees en zijn schimmige verdwijning heeft gemaakt, vertelt een inmiddels bejaarde Janet Richards hoe Kees’ moeder onthutst door de telefoon riep, toen ze het nieuws te horen kreeg dat haar zoon vermoedelijk van de Golden Gate Bridge was gesprongen: 'But he was never the athletic type!’ De jazzmusicus Michael Grieg vertelde dat Kees hem kort voor zijn verdwijning nog kenbaar had gemaakt dat hij op vrijdag 14 juli van plan was geweest te springen, maar dat hij niet over de reling had durven klimmen 'omdat het helder weer was’. Kees haatte de gedachte dat mensen hem konden zien als hij zou springen. Drie dagen later, toen het mistte in de baai, durfde hij wel. WELDON KEES kon (en kan) gelukkig rekenen op een paar belangrijke behartigers die bewust hebben getracht zijn werk en nalatenschap van de pikzwarte duisternis van het ongeziene te vrijwaren. Malcolm Cowley schreef in november 1954 een aanbeveling op Poems 1947-1954, het laatste boek dat Kees bij leven gepubliceerd zag: 'Dit zijn gevoelige gedichten over gebrek aan gevoel, en vloeibare gedichten over het droge hart van het epoque waarin wij leven.’ Niemand minder dan Joseph Brodsky drong tijdens zijn hoogleraarschap in Amerika herhaaldelijk aan op het aanleggen van een archief over Weldon Kees, iets waartoe Laura Lacy uit Lincoln, Nebraska, zich sinds begin jaren negentig ook daadwerkelijk heeft gezet. In Engeland is er de dichter Simon Armitage, die behalve een mooie televisiedocumentaire vol suspense ook een aantal geslaagde variaties heeft gemaakt op Kees’ intrigerende 'Robinson’-cyclus. In Amerika is er verder nog de ijverige hoogleraar James Reidel die de laatste hand legt aan een uitvoerige biografie waarmee hij de dichter uit de put der vergetelheid omhoog tracht te trekken. Ook Nederland kent zijn behartigers. Bernlef bijvoorbeeld, heeft gedichten van Kees vertaald en in tijdschriften gepubliceerd. Een compacte selectie van zeven gedichten is te vinden in zijn verzamelde poëzievertalingen Alfabet op de rug gezien (Querido 1995). In het verleden zette Bernlef meer gedichten van Kees om in het Nederlands, maar die konden bij nader inzien zijn toets der kritiek niet doorstaan. In de beknopte introductie die aan de vertalingen voorafgaat, uit de schrijver zijn twijfels over de kwaliteit van Kees’ werk. Hij schrijft: 'Van alle dichters die ik vertaald heb, is hij de enige van wie ik denk: echt goed is het eigenlijk niet. Maar toch. Kees heeft eens een gedicht geschreven met de titel “A Good Chord on a Bad Piano” en dat is een goede karakteristiek van zijn eigen gedichten.’ EEN GOED akkoord op een slechte piano, zo luidt ook de titel van de bundel met vertalingen van Kees’ poëzie die vorig jaar bij uitgeverij Wagner & Van Santen is verschenen. Voor het vertaalwerk tekende Jan Eijkelboom. Het feit dat hij zich ertoe geroepen voelde werk van Kees te vertalen mag opmerkelijk heten; zijn voorkeur geldt normaal toch het wat luchthartiger vers. Luchthartig is Weldon Kees, door sommigen bedacht met het epitheton 'de bitterste dichter in de geschiedenis’, allerminst. Volgens de inleiding van Eijkelboom leefde hij 'in een permanente en hopeloze apocalyps’. In Een goed akkoord op een slechte piano staan tweeëndertig gedichten van Kees, telkens in de volgorde: origineel - vertaling, iets wat Bernlef verzuimde in zijn Alfabet op de rug gezien. De vertalingen van Eijkelboom zijn ronder en muzikaler dan die van Bernlef (voor zover ze elkaar overlappen), maar ze doen soms ook wat oubollig aan. Bernlefs vertalingen van Kees’ poëzie zijn meer to the point. DE VERDIENSTE van Eijkelboom is vooral dat Weldon Kees met een verzamelbundel eindelijk recht is gedaan in Nederland en dat het voortaan een stuk makkelijker zal zijn voor poëzieliefhebbers om met het werk van 'het spook van de Amerikaanse poëzie’ kennis te maken. Maar degene die al in enige mate bekend is met het werk van Kees zal met Een goed akkoord op een slechte piano geen genoegen nemen, daarvoor ontbreken er te veel gedichten uit het verzamelde corpus van de Amerikaan. Eerlijk gezegd is het mij een raadsel waarom Eijkelboom de nagelaten gedichten van Kees onvertaald heeft gelaten. Wie die kleine, intrigerende schatkist open wil breken, moet toch weer terecht bij Bernlef. Bijvoorbeeld voor het gedicht 'If this Room Is Our World’, waarin niet alleen een vooraankondiging kan worden gelezen van Kees’ fatale sprong van de brug, maar ook een verwijzing naar de oorlog in Korea: 'Als deze kamer onze wereld is, laat/ Deze wereld dan verloren gaan. Open dit dak/ Voor een laatste alles omvamende vloed/ Om deze vloer, deze stoelen weg te spoelen,/ Dit bed dat mij geen rust vergunt./ Onder de zwarte hemel van ons lot,/ Gemompel van beschonken barometers, staar ik/ Naar verstedelijkt stof dat het glas bevuilt/ Terwijl donder ten onder gaat. Mijlen van hier/ Gaan helden ten onder. Hun bloed vloeit traag weg in het gras,/ Zoet, rusteloos, geklonterd, weerzinwekkend,/ Stroomt het naar de rivieren en de zeeën, de zeeën/ Die de bron vormen voor die alles verslindende golf/ Waarop ik wacht, die mij teniet zal doen.’ EEN DIKKE veertig jaar na de verdwijning van Kees, een koele zomerse zondag in San Francisco. Twee bebaarde mannen houden de wacht in het controlecentrum van de Golden Gate Bridge Highway Patrol. De Golden Gate verdwijnt in flarden mist. Over de baai waait een ijzige bries. Je zou niet zeggen dat het eind juli is. Bewoners van de stad spreken niet voor niets over SF als 'the city of the other summer’. Mark Twain schreef ooit: 'the coldest winter I ever experienced was a summer in San Francisco’. 'Het is wel erg lang geleden, 1955’, zegt een van de patrollers als ik hem vraag of er nog gegevens zijn over mensen die destijds de brug gebruikten als springplank naar de 'allesverslindende golf’. 'De auto’s die blijven staan worden altijd weggesleept’, zegt hij. 'Heeft de familie het voertuig geclaimd? Zijn de stoffelijke resten geïdentificeerd?’ Ik vertel wat ik weet. Dat het lichaam van Weldon Kees nooit is aangespoeld, dat er geen spoor meer van hem is gevonden. De kerels knikken. Een houdt aandachtig zijn blik op de monitoren waarmee de brug vanuit verschillende hoeken op zelfmoordenaars wordt gecheckt. 'Of een lichaam opgevist wordt, hangt af van de stroming en het getij’, zegt de jongste brugwachter. 'Soms gaan de lichamen twee weken onder en spoelen dan alsnog aan. Soms komen ze niet meer boven. De lijken die gevonden worden zijn meestal sterk aangevreten. Niet alleen door de haaien. Ook door gewone vissen die eraan knabbelen. Misschien is die Kees wel aangespoeld maar was-ie volstrekt niet meer identificeerbaar. Dat kan.’ Op mijn vraag hoeveel mensen er per jaar springen, reageren beide wachters uiterst terughoudend. 'Daar kunnen we niet op ingaan. Hoe meer we erover loslaten, hoe meer mensen we op het idee brengen. Vandaag hadden we een naakte kerel die op de reling klom. Hij aarzelde en deed het uiteindelijk niet.’ Buiten staan twee kleine witte elektrische voertuigjes gereed om uit te rukken in het geval van alarm. De wagentjes maken een zoemend geluid en gaan nog langzamer dan een elektrische rolstoel. Het duurt zeker tien minuten voor het gevalletje zich naar de overkant heeft gezoemd. 'Zijn er mensen die de sprong overleven?’ vraag ik. De twee baardagenten schudden van nee. 'De klap van zo'n honderdtwintig meter hoogte komt nog harder aan in water dan wanneer je op vaste grond te pletter zou vallen. Je bereikt een snelheid van zo'n honderdvijftig kilometer per uur. De meeste springers sterven direct aan inwendige bloedingen. Je lichaam explodeert als het ware van binnen. De organen springen kapot.’ Een lichaam dat inwendig explodeert, organen die kapotspringen. Niet bepaald iets wat je je voorstelt bij 'one small step off the face of the planet’, zoals Simon Armitage zich de dood van Kees voorstelde in zijn documentaire. Franz Kafka schreef in zijn manuscript Amerika de intrigerende regels: 'Vanaf een zeker punt is er niet langer een weg terug. Dat is het punt dat moet worden bereikt.’ De meeste mensen gaan door, al weten ze dat de grootste kansen achter hen liggen. Al voelen ze dat het beste van het leven is geweest. Ze sluiten met de toekomst een compromis. Weldon Kees nam zijn lot in eigen hand. Het had hem al te lang tegengewerkt. Hij verdween geruisloos, onzichtbaar; zoals de meeste dieren verdwijnen.