Een poes is iemand

Ted van Lieshout, Stilleven; een tentoonstelling. Uitg. SUN, 64 blz, Ÿ 34,50. Midas Dekkers, Wat is een kat? Uitg. Waanders, 32 blz, Ÿ 29,50. ..LE Kinder-kunstboeken zijn vaak een soort geschiedenisboeken: hoe verliep het leven van de kunstenaar, hoe zag de wereld om hem heen eruit, waarin was zijn werk anders dan dat van voorgangers of tijdgenoten. Soms bieden ze een cursus kijken, met uitleg over zaken als perspectief, compositie en materiaalgebruik.

In Stilleven; een tentoonstelling heeft dichter/illustrator Ted van Lieshout een beetje van allebei gestopt. Per dubbele pagina confronteert hij twee schilderijen met elkaar, signaleert hij verschillen en legt hij verbanden. Dat een muurschildering uit Lasceaux Potters stier oproept, ligt tamelijk voor de hand, maar het is bijvoorbeeld verrassend dat Mondriaan en Saenredam qua kleuren en geometrische vormen familie blijken te zijn.
Geordend van a tot z vormen de 52, technisch goede reproducties het alfabet van Van Lieshouts schilderkunstige voorkeuren. Met zevenmijlslaarzen legt de auteur een min of meer chronologisch traject af van Griekse beschilderde vazen tot de virtuele werkelijkheid van de computer. Binnen de beperkte en niet per se kunsthistorische opzet komen veel grote namen langs en daarnaast is er aandacht voor de invloeden van foto en film, voor de functie van kunst en moeilijke begrippen als oorspronkelijkheid en creativiteit
Heel eigen is Van Lieshouts nadruk op de rol en de autonomie van de kijker, op de relatie die kunstwerk en beschouwer al of niet aangaan. ‘Ik kan zelf fantaseren wat ik zie, en dat mag. Ook de schilderijen vinden het goed, want er is nog nooit iemand het ziekenhuis in geslagen door een kunstwerk dat iets anders bedoelde dan de toeschouwer zag. Schilderijen hangen niet voor niks zo stil te leven; wat ze willen zijn lieve ogen die naar ze kijken.’
Met deze benadering lukt het de schrijver om de Kunst te ontdoen van haar hoofdletter van kennis en gewichtigheid, wat beginnende museumbezoekers hem waarschijnlijk in dank zullen afnemen. Tegelijkertijd leidt deze democratiseringsdrang iets te vaak tot een didactisch en aartsvaderlijk toontje.
Onorthodox is de aanpak van Midas Dekkers in Wat is een kat?, dat verscheen bij de tentoonstelling van Henri‰tte Ronners zoete poezenportretten in de Rotterdamse Kunsthal. Niet als kunsthistoricus, maar als bioloog en onvoorwaardelijk kattenvriend maakt hij duidelijk dat een beeldend kunstenaar in de kat ook nog iets anders kan zien dan een vertederende pluizebol met hoge aaibaarheidsfactor. Volgens Dekkers is het een hele klus om een poes op papier te krijgen: '1 staart, 2 lieve ogen, 4 poten met 18 nagels, een stuk of 25 snorharen en 13628331 haren elders op zijn lijf.’
En toch zijn er mensen die met drie vegen de ziel van de kat hebben weten te vangen. Zijn het de oren, de ogen of de snorren, is het de houding, de felheid, de soepele beweging of het uitzonderlijk vermogen tot niksen? Naar die mogelijke poezeziel is de auteur op zoek, eigengereid van visie en toon, vindingrijk in zijn taalgebruik. Uiteenlopende katten illustreren het betoog: de mysticus van Bram van der Leck, de moordenaar van Pablo Picasso, de steracteur op laarzen van Gustave DorÇ en de schoonheidskoningin van Morris Hirschfield. Allemaal anders, allemaal poes, want luidt de conclusie: 'Een poes is geen wat maar een wie. Een poes is iemand. Dat zie je zo.’