Ina Boiten

Een poëtisch gebaar

Ina Boiten, Publieke kunst

Nieuwe dimensies in ruimte en tijd,

voor kunstenaar en publiek

Uitg. skor/nai Uitgevers, 207 blz., ƒ49,50

«Kunst van nu wil weg uit het kunstreservaat, de openbare ruimte in.» Dat is de trendy kwintessens van de onlangs verschenen studie Publieke kunst: Nieuwe dimensies in ruimte en tijd, voor kunstenaar en publiek. De auteur is kunsthistoricus Ina Boiten, die eerder werkte als economisch beleidsmedewerker in dienst van de overheid en het bedrijfsleven.

Niet zonder gevoel voor humor heeft Boiten de dorre term «kunst in de openbare ruimte» vervangen door «publieke kunst», die net als de publieke vrouw «dient te verleiden en te prikkelen». Verleiden en prikkelen: dat klinkt inderdaad spannender dan het kunstbeleidsjargon van achter ordnermappen weggestoken ambtenaren die hun gemeenten willen verfraaien met beeldhouwwerken en grootschalige gevelornamenten.

Publieke kunst wil niet langer een autonoom «ding» zijn dat in de beleving van de buurtbewoner voornamelijk dienst doet als kunstzinnig urinoir of graffitiondergrond. Kunstenaars willen hun werk een «relatie» laten aangaan met de stadsomgeving, zoals wordt geïllustreerd aan de hand van een aantal projecten van Anna Veronica Jannssens, Adriaan Nette, Harmen de Hoop en Jeanne van Heeswijk.

Het viertal wil ingrijpen in de belevingswereld van de stadsbewoner, wiens bewustzijn moet worden geactiveerd. Wég van de esthetische ervaring, op naar het ludieke event, voorval of ingreep in het levende weefsel van de stad, zo laat Boitens essay over publieke kunst zich samenvatten.

Zo eenvoudig als dat klinkt, zo wetenschappelijk verhuld werkt de economisch onderlegde kunsthistoricus haar ideeën uit. Neem nu het Haagse Kikkerbelproject van de Amerikaan John Knight. Door middel van een professionele flyercampagne riep de kunstenaar Hagenaars op hun oude fietsbel in te ruilen voor een door hem ontworpen exemplaar dat het geluid van een kwakende kikker voortbracht. De oude bellen werden door gestuurd naar Cuba, waar ze op beproefd socialistische wijze aan het stuur van uit China geïmporteerde fietsen werden gemonteerd.

Knights project was een aardig neo-fluxus idee dat garant stond voor milde verwarring. In de ogen van Boiten echter, was de man verantwoordelijk voor een veelomvattende sociale sculptuur van diepe betekenis — Joseph Beuys zou zijn vingers er postuum bij aflikken. Fietser, bel en fiets vormden een door de kunstenaar aaneengesmede eenheid, uiteenvallend in een artistieke, psychologische en politieke component: «De zo simpele kikkerbel refereerde aan een belevingswereld die breder is dan het visueel aanschouwen en geestelijk verwerken van pure beeldende kunst. Het op eigen initiatief omstanders ver bazen met het afwijkende geluid van zijn fietsbel sterkte het persoonlijke identiteitsgevoel. (…) Het inruilen van zijn oude fietsbel voor hergebruik in Cuba appelleerde aan zijn verantwoordelijkheidsgevoel als wereldburger.»

Vraag: zouden de Haagse kikkerbelgebruikers Knights publieke kunst niet gewoon als een grappige onderbreking van de dagelijkse sleur hebben gezien?

Boiten in een aanval van messcherpe wetenschappelijke analyseerdrift: «Duidelijk is geworden dat publiek kunst rust op twee belangrijke peilers: het publiek en de omgeving.»

Duidelijk is dat publieke kunst in Nederland nog een lange weg heeft te gaan.

Zo niet in India waar het publiek «kunst in de openbare ruimte» op waarde weet te schatten. Harmen de Hoop schroefde er kapstokhaakjes op onverwachte plekken in de stad. Met Marx Brothers-achtige logica hingen de Indiërs rustig hun jasje aan het haakje, zonder zich een moment het hoofd te breken of het hier een «pseudo-functioneel» gebaar betrof dan wel een «vervreemdende ervaring», die later in de kunstvakbladen zou worden gedocumenteerd.

Échte publieke kunst is een poëtisch gebaar, een dichterlijke puntkomma in de stedelijke grammatica. Daar heb je geen beleid bij nodig. Laat staan een sociologisch angehauchte kunstwetenschapper.