Edward van de Vendel

Een poëtische samenballing

Edward van de Vendel, Wat ik vergat

Uitg. Querido, 128 blz., ƒ25,35

Op het zuurstok-roze omslag van Edward van de Vendels nieuwste boek Wat ik vergat prijken twee lelijke, half afgesneden figuren die een jolig soort kinderboekigheid uitstralen. Hoorde ik tot de doelgroep van ongeveer elfjarigen, dan zou ik er niet mee gezien willen worden. Dat is jammer, want achter die verkeerde kaft schuilt een mooi verhaal. Het heeft niet zo duidelijk één thema. Eerder raakt het van alles even aan wat je als doorsnee kind anno 2001 weleens kunt tegenkomen in het bestaan. Het gaat over familiebanden, een demente opa en een moeder die haar zoon alleen opvoedt. Het gaat over school, vriendschap en voetbal, over blozen, verliefd zijn en een jointje roken. Het gaat over het geheugen en een prachtig gedicht, over zeggen wat je op je hart hebt en over het lef om iets te ondernemen, in plaats van mokkend te blijven zitten wachten tot het leuker wordt. Over al die dingen gaat het verhaal een beetje, zonder zwaarte en haast terloops.

Op een dag verschijnt er een nieuw meisje bij Elmer in groep acht. Ze heet Zosja Maria Londerseel en ze komt van oorsprong uit Polen, uit een grote familie waar iedereen zich met iedereen bemoeit. Zosja is onconventioneel, extravert en altijd zichzelf. De verteller Elmer is in veel opzichten haar tegendeel: gesloten, op zijn hoede, enig kind, vaderloos en afhankelijk van zijn moeders stemmingen. Het tweetal is vanaf hoofdstuk één onafscheidelijk. In hun vriendschap spelen een rode kop en een eerste zoen wel een rol, maar is verder weinig tijd voor geflikflooi. Dat ligt ongetwijfeld wel in het verschiet, maar nu zijn er dringender zaken aan de orde. In Elmers familie tekent zich namelijk een geheim af rondom de in zijn dementie onbereikbare grootvader. Er duikt een oude bandrecorder op, met een vrouwenstem die voor opa een Frans gedicht over de liefde voordraagt. Op een van grootvaders schilderijen valt een telefoonnummer te ontcijferen. Zou dat bij die vrouwenstem horen?

Elmer aarzelt of hij erachteraan zal gaan. Het geheim intrigeert, maar er is ook beduchtheid voor wat onthuld zou kunnen worden. Hij kan in zijn veilige hol blijven zitten, maar zijn motortje loopt al. Zosja zwengelt het steeds verder aan en bovendien wordt de kleinzoon gedreven door het ongemakkelijke gevoel dat hij opa te veel aan zijn lot heeft overgelaten in het verpleeghuis. In een roerende slotscène, waarin alle verhaallijntjes mooi aan elkaar worden geknoopt, lukt het uiteindelijk om de oude man een reactie te ontlokken. Niet door het bewuste gedicht, maar door een kinderversje dat ook nog op de band blijkt te staan, gezongen door Elmer als kleuter bij opa op schoot. Uit de mistflarden van de geheugens van zowel grootvader als kleinzoon duikt een troostend beeld van wederzijdse genegenheid op dat voor de jongen bevestigt dat zijn actie zin heeft gehad.

Van de Vendel heeft zich in betrekkelijk korte tijd ontwikkeld tot een veelzijdig auteur, met een groot vorm- en taalbewustzijn. Na enkele gedichtenbundels, teksten voor prentenboekjes, een prachtige bewerking van Vondels Gijsbrecht en een jongerenroman over de mannenliefde is Wat ik vergat zijn meest «rechttoe-rechtane» kinderboek. De schrijver is er merkbaar in zijn element. Als een aardige en verstandige onderwijzer — die hij in werkelijkheid ook is — neemt hij zijn lezers met een verhaal op sleeptouw, om ze eens te laten snuffelen aan wat er in het leven te koop is. Daarbij geeft hij blijk van een weldadig soort relativeringsvermogen en gevoel voor humor. Terugkerend is het thema van de communicatie. In Elmers wereld wordt er veel langs een omweg gepraat, half verstaanbaar met een mond vol tandpasta, via briefjes in telegramstijl en snelle dialogen in een vorm van geheimtaal. De relatie met de moeder wordt mooi getypeerd: «We zijn wel samen, maar niet hardop.»

Dit soort poëtische samenballing, waarmee hij een sfeer of begrip precies op de kop slaat, hoort bij Van de Vendels schrijverschap. Naar aanleiding van de demente opa lees je dat vergeten «een stiekeme ziekte» is en een al te keurig huis staat er binnen één zin: «De spullen in de kamer liggen gehoorzaam stil.» Soms laat de schrijver zich meeslepen in behaagzieke ingewikkeldheid. Schilderijen heeft opa bijvoorbeeld «kwast voor kwast uit zijn vingers gestreken» en «de eikenhouten stoelen lijken van dezelfde leeftijd als de mensen onder wie ze kraken». In verhouding tot vorig werk is de neiging tot mooi doen echter minimaal, mogelijk omdat die door de zeggingskracht van het verhaal zelf binnen de perken wordt gehouden.