Toneel

EEN POND VLEES

TONEEL De Arabier van Amsterdam

Op een zwart toneel rookt een in het zwart geklede figuur een sigaret. Hij stelt zich voor als joodse Arabier uit het Bagdad van Saddam. Hij studeerde daar ooit Engels, zijn scriptie ging over Shylock, de woekerende jood uit Shakespeares De koopman van Venetië. Dan komt zijn kwelgeest op, William Shakespeare himself. Hij vat zijn stuk over de Venetiaanse jood beknopt samen. Maar de Arabische jood uit Bagdad is geen Shylock. Hij ként Shylock. En hij is slimmer. Rafi is zijn naam, eigenaar van een Amsterdams falafelimperium dat sinds kort ook in vastgoed doet.

Binnen een paar pagina’s tekst is het spel op de wagen: een legendarisch toneelpersonage begint een scherp debat met zijn bedenker. In Shakespeares stuk leent de koopman Antonio geld van de woekerende jood Shylock om zijn vriend Bassiano uit de problemen te helpen. Onderpand: zeeschepen met een lading van grote waarde. Wordt het geld niet op tijd terugbetaald, dan mag Shylock een pond vlees snijden uit het lijf van Antonio – bij voorkeur uit de hartstreek, hier uit zijn been. De zeeschepen van Antonio vergaan, er komt een proces. Shylock stáát op zijn pond vlees, door een juridische slimmigheid wordt hij tot op de grond vernield. Déze Shylock, die dus Rafi heet, en die in Bagdad op Shylock is afgestudeerd, hoef je niks meer wijs te maken. Hij kent de trucs van Shakespeare en hij heeft er iets op gevonden. Wát, dat verklap ik niet. Justus van Oel heeft een bewerking gemaakt waarin uiteindelijk álle partijen met de billen bloot moeten.

Ik maak het zelden mee dat een klassieke toneeltekst zo op z’n kop wordt gezet. Voorbeeld. Bassiano heeft het geleende geld van Antonio nodig om de liefde-van-zijn-leven (Portia) te winnen. Ik heb dat altijd een raadsel in het stuk gevonden: waar heeft die jongen die centen voor nodig? In deze bewerking wordt dat raadsel ingelost door de veronderstelling dat Bassiano (mooie rol van de zwarte Raymi Sambo) zijn lelieblanke lief schuldenvrij tegemoet wil treden. Dat is zijn trots. Waarop Portia reageert met een verontwaardigd: jongelief, waar gáát dit over!?

De flauwe wedstrijd om de liefde van Portia in Shakespeares origineel is hier teruggebracht tot een wedstrijd gedichten onthouden: wie kan het langst Shakespeare-sonnetten citeren? Dat is de lichte kant van de bewerking. De donkere kant is de sluimerende vreemdelingenhaat: de racist Antonio citeert een van de duistere monologen uit Fassbinders Het vuil, de stad en de dood, die hier niet meer over joden maar over Arabieren handelt. Rafi, die geen Shylock wil zijn, spreekt de sleutelmonoloog uit Shakespeares stuk – ‘Heeft een jood geen ogen?’ – twee keer, eerst als jood, meteen daarop als Arabier. Een meesterlijke ingreep, die de aanzet vormt voor een enerverende slotscène, waarin het proces tegen Antonio wordt omgezet in een proces tegen Shylock, die dus Rafi heet.

De bewerking ontspoort hier in een meesterlijk georkestreerde chaos. Portia, die bij Shakespeare Antonio’s advocaat speelt, is hier aanklager, getuige à charge, getuige à décharge én advocaat in één persoon. Mirjam Stolwijk trekt in deze scène een adembenemende reeks registers open: denken, hardop argumenteren, emoties ruim baan geven, alle humoristische kanten van de retorica bespelen, iedere vileine variant van actueel racisme voorzien van een minstens even vilein commentaar. Sabri Saad el Hamus (Rafi) laat tot op het laatst in het midden of hij wel of niet overtuigd wordt door Portia’s retorisch mitrailleurvuur. Hij houdt zijn mes op de keel van Antonio (Hein van der Heyden). Hoe dat gevecht afloopt verklap ik ook niet. Aan Peggy-Jane de Schepper is de epiloog. En die is echt van Shakespeare. Een sonnet dat ze van begin tot eind heeft onthouden. Verstild slot van een belangwekkende voorstelling.

Theatergroep DNA, De Arabier van Amsterdam, Tot 22 december in het hele land