Een pondje euro’s

In Amerika is een nieuw televisiekanaal met de naam Romance Classics gestart. Het voorziet de kijkers 24 uur per dag van romantische rolprenten. Als publiciteitsstunt vroeg het kanaal onlangs zeven van de best verkopende vrouwelijke auteurs - onder wie Jackie Collins, Erica Jong en Nancy Friday - een soort braintrust te vormen voor een nieuw te schrijven bestseller: Princess Diana: The Next Chapter.

Een paar ideetjes van de dames: Een eigen talkshow voor Di, waarin zij slechts luistert met die hartbrekende glimlach die haar handelsmerk is geworden. Of, beter nog, een nomadisch bestaan in de steppen van Mongolië waar nog èchte mannen bestaan, die niet, zoals die Engelse mietjes, alleen maar praten over seks. En de laatste tip: gewoon wachten tot zoon William op de troon zit, om vervolgens vanachter de koninklijke coulissen een verschrikkelijke wraak nemen op die ellendige schoonfamilie.
Geld, seks en wraak, dat zijn de bekende thema’s van deze Amerikaanse damesschrijfsters. En natuurlijk geilen ze allemaal op de Britse royalty. Dat gold ook voor Wallis Simpson, de gescheiden Amerikaanse voor wie koning Edward VII in 1936 de Britse troon opgaf.
Vorige week kwamen in Engeland documenten te voorschijn die bevestigden dat de oom van koningin Elisabeth er - zoals heel wat andere gekroonde hoofden trouwens - fascistische sympathieën op had nagehouden. De van de troon gestoten Edward had zijn kaarten op Adolf Hitler gezet en hoopte na een Duitse overwinning zijn koninklijke rechten uit handen van de Führer zelf terug te krijgen. Zoals gebruikelijk stond ook achter deze onnozele vent een eerzuchtig wijf: Wallis Simpson, die het inmiddels toch al tot hertogin van Windsor had geschopt, kondigde in 1940 aan niet te zullen rusten voordat zij koningin van Groot-Brittannië was.
Het moet vorige week een pijnlijk moment voor de toch al zo geplaagde koninklijke familie zijn geweest, vooral ook omdat de Tweede Wereldoorlog tot een van de mooiste hoofdstukken uit de Britse mythologie behoort. Groot-Brittannië, het laatste bastion van vrijheid en beschaving , standing alone tegenover de nazibarbarij: de heroïsche luchtgevechten van de RAF, Vera ‘We’ll Meet Again’ Lynn, de Blitz en koning George - jongere broer van nazivriend Edward - die het prestige van de monarchie opvijzelde door zijn bezoeken aan de zwaar gebombardeerde Engelse steden.
Nog tot in de late jaren tachtig werden Duitse kinderen op Britse scholen regelmatig afgetuigd en Engelse voetbalvandalen zingen op het continent nog altijd anti-Duitse liedjes uit de Tweede Wereldoorlog. De populaire comedy-serie Dad’s Army over de bejaarde home guardians van kapitein Mainwearing trok weliswaar krom van de typisch Engelse zelfspot, maar toonde tegelijkertijd op subtiele wijze alle ingrediënten voor het Britse superioriteitsgevoel: een onverwoestbaar gevoel voor humor, een enorme vindingrijkheid en het vermogen tot coping onder alle denkbare omstandigheden.
De Tweede Wereldoorlog heeft niet alleen het insulaire karakter van de Britten gesterkt, maar tevens het bewustzijn niet langer een grootmacht te zijn decennialang vertraagd. Pas in het begin van de jaren zestig - zelfs de afgang rond het Suezkanaal in 1956 kon de Engelse ogen niet openen - kwam het thema What went wrong with Britain? voluit op de agenda. De niet verwerkte trauma’s spelen door tot op de dag van vandaag en zij ontladen zich bij voorkeur in de weerzin jegens Europa. In 1973 werd Engeland door de conservatief Heath de Europese Gemeenschap in geloodst met het schamele motief dat een nog langere uitsluiting van de groeiende Europese markt Engeland weleens fataal zou kunnen worden. Dit verstandshuwelijk bevindt zich de laatste jaren in een diepe crisis en het Engelse isolationisme neemt weer de vormen aan die het kort na de Tweede Wereldoorlog had. Voor Euro-sceptici zijn er thema’s te over: de gekke-koeienziekte (een middel van de Duitsers om Brits vlees van de Europese markt te drukken), de Tunnel (die gevaarlijke verbinding met het 'vieze’ continent) en, het toppunt van Euro-ellende, de mogelijke verdwijning van het Britse pond ten behoeve van het Brusselse funny money.
De Tories dreigen te scheuren op Europa en John Major ziet zich wellicht gedwongen zijn pro-Europese minister van Financiën Kenneth Clarke te ontslaan. Voor het eerst sinds 1979 - het begin van het Thatcher-tijperk - regeren de Conservatieven met een minderheid en er lijkt voor Major weinig anders op te zitten dan munt te slaan uit het groeiende anti-Europasentiment. Hoewel Labour altijd dubbelzinnig is geweest over Europa, lijkt Tony Blair een pro-Europakoers te varen. Maar de immer grijnslachende Blair wordt door grote groepen kiezers gewantrouwd. 'I wouldn’t trust him as far as I can throw him’, zoals een Schotse huisvrouw het onlangs eenvoudig formuleerde. De verleiding voor Major om het nationale thema hoog op te spelen is natuurlijk zeer groot en een gebrek aan patriottisme is een machtig verwijt in de politiek.
En natuurlijk zit er ook wel iets in. De Britten zijn binnen Europa nog altijd een levendig volkje dat zich onderscheidt door zijn grote gehechtheid aan gewoonten, tradities en geschiedenis. Er staat duizend jaar Britse geschiedenis op het spel, waarschuwden de anti-Europeanen in de jaren zestig. Dat is natuurlijk overdreven, maar dat Engeland steeds minder een eiland dreigt te worden, dàt is zeker waar.