Sigrid Kaag bij aankomst op het Binnenhof. Den Haag, 13 juli 2018 © Bart Maat / ANP

Ik heb iets onderstreept in het essay Dubbelportret van Hella Haasse. Het is een al wat ouder essay, ze schreef het in 1990, ik las het voor het eerst toen ik dacht een biografie te gaan schrijven. Het gaat over het verschil tussen een schrijver en een niet-schrijver portretteren. In iemands levensfeiten kan weliswaar een verklaring schuilen voor het literaire werk, zegt Haasse, maar dat werk is altijd het uitgangspunt.

Hoe dan ook zou een biograaf volgens haar de vraag moeten stellen: wat was voor diegene over wie je schrijft de verhouding tussen werkelijkheid en verbeelding? En dat je als je over een schrijver of dichter schrijft, je altijd de woorden van Marcel Proust in overweging moet nemen: ‘Er bestaat geen enkel verband tussen het Zelf dat lijdt, liefheeft, lééft, en het scheppende Zelf, de enige echte werkelijkheid voor een schrijver.’

Dat is natuurlijk ook zo overzichtelijk, en veilig, aan het schrijven over een schrijver, zoals ik meestal doe. Het is een papieren werkelijkheid waarover je het hebt, het is lekker boekig; het werk geeft je de vrijbrief om vrijuit te speculeren over iemands obsessies, ideeën, paradoxen. De afstand tussen iemands moi profond en moi superficiel, om het maar weer even in proustiaanse termen te gieten, is gematerialiseerd in een roman, of een gedicht. Zelfs als je fysiek tegenover een schrijver plaatsneemt om hem of haar te interviewen, een exercitie die ik bij voorkeur vermijd, is er dat werk. Je kunt je ogen een beetje proberen te laten ronddwalen als je bij diegene thuis mag komen – zie ik daar een kattenmandje? Hangt daar nu een reproductie van Matisse boven de bank? – maar uiteindelijk is die buitenliteraire werkelijkheid, het te veel aandacht daaraan besteden, niet alleen een beetje ordinair maar vooral ook niet zo interessant. Aan het oppervlak lijken levens op elkaar; in de mate waarin iemand zijn verbeelding inzet, zich verwijdert van de geleefde werkelijkheid of die in zijn werk vervormt en kneedt is hij uniek.

Hoe kun je vat krijgen op een niet-schrijvend iemand? Haasse zegt er dit over, en het valt me nu pas op, omdat ik zoek naar een invalshoek om over Sigrid Kaag te kunnen schrijven: voor een niet-literaire figuur is al het bestaande materiaal op de een of andere manier bruikbaar, omdat het direct of indirect de neerslag vormt van een door de betrokkene als dé werkelijkheid ervaren leven.

Het is Haasse die dat accent plaatst op dé.

Als ik haar goed begrijp, zou je voor een niet-schrijvend iemand juist moeten putten uit alle biografische feiten en uiterlijke gebeurtenissen, want: er is niet meer dan dat, ‘dé werkelijkheid’.

Waaruit bestaat mijn materiaal over Kaag? Interviews, optredens, lezingen. Omdat ze een politica is, is het in feite allemaal propagandamateriaal. Het zijn aangeklede standpunten, eigenlijk het oninteressantste wat ik kan bedenken. Ik vergeet ook alles onmiddellijk. Een rechtvaardiger samenleving, wie zou dat niet willen? Nieuw leiderschap, natuurlijk. Het hoogtepunt van haar dag is het moment dat ze met haar gezin om de tafel zit, en iedereen vertelt waar ze mee bezig zijn. Verwacht van haar geen bespiegelingen over het moederschap, het huwelijk, vriendschap. ‘Ik sta nogal monter in het leven’, zegt ze. Daarvoor is ze ook ingehuurd. Stel je voor dat ze haar haren niet zou wassen, met volle mond zou praten, een klap zou uitdelen.

Op tafel springen als ze de verkiezingen heeft gewonnen, dat doet Kaag goed. Ze is slank en lenig, heeft de juiste kleren aan, het goeie schoeisel. En goeie zin.

Ze intrigeert me, zoals niet veel andere politici dat doen. Omdat ze van buiten komt, niet gekneed is in het Haagse, heeft ze iets zelfopgebouwds. Ze is niet gewapend. Haar moi profonde laat zich vermoeden onder het vertoon. Ze is geen muzische persoon, maar je kunt wel over haar fantaseren. Ik denk niet dat ze Paulo Coelho leest, of Lucinda Riley. In een interview heeft ze het over het ‘fijne boek’ dat ze liever ter hand neemt dan dat ze op Twitter kijkt. Ik denk dat ze de autobiografie van Amos Oz heeft gelezen. In haar lezingen citeert ze net zo gemakkelijk uit het werk van Isaiah Berlin als dat van Svetlana Aleksijevitsj en Michel Houellebecq. Ze bidt, en citeert in een van haar seculiere preken Heidegger: ‘Wij worden alleen in de wereld geworpen.’ Ik denk dat ze van dansen houdt. Ze sport, doet aan hardlopen, ze heeft sneakers aan. Ze heeft een tic in haar gezicht, dat neemt me voor haar in, er begint iets te trekken op momenten van kennelijke stress, een heel klein spiertje, aan de rechterkant van haar neus. Ze heeft een sterk gezicht. Ze neemt op een vanzelfsprekende manier ruimte in. Dat heeft ze zichzelf niet aangeleerd, of in ieder geval doet ze dat al best lang.

Er bestaat een opname van een aflevering van Buitenhof, oktober 1996, ze was toen nog net geen 35, waarin ze onder leiding van een duidelijk van haar onder de indruk zijnde Paul Witteman debatteert met een joodse medebewoonster van Jeruzalem die het Palestijnse recht op het bewonen van Israël betwist. Ze werkt op dat moment voor een vluchtelingenorganisatie van de VN voor Palestijnse vluchtelingen, en woont in Oost-Jeruzalem samen met haar man en dochtertje. Haar man is Palestijn, maar zoals ze zich in de komende jaren meermalen verplicht zal voelen te benadrukken: hij, opgegroeid in een islamitisch gezin maar inmiddels atheïst, is een Palestijn uit Jeruzalem, een Palestijn van co-existentie. Dat ze Arabisch spreekt, komt niet door hem maar doordat ze het heeft gestudeerd.

Ze is fel maar beheerst, beschaafd maar niet bekakt, eloquent maar volstrekt helder en to the point. ‘Vrede is de uitweg’, herhaalt ze keer op keer, en met alle verdragen, feiten en misstanden die ze erbij haalt klinkt dat niet als een holle leus maar als het enig mogelijke standpunt. Opvallend is dat ze de conversationele strategieën beheerst die als mannelijk worden gezien omdat vooral mannen ze inzetten. Er zijn drie dingen aan de hand, zegt ze bijvoorbeeld, zich in de ideale debatsituatie ervan verzekerend even aan het woord te kunnen blijven. Wat in dit gesprek, met deze tegenstander, overigens niet lukt. Ook zegt ze geregeld – en dat doet ze nog steeds: ‘Mag ik deze even afmaken?’ En tot slot is ze een meester in het uitspreken van zogeheten Wurmsätze, oftewel zinnen waar geen einde aan lijkt te komen, en waarin de gemiddelde spreker zeker drie punten gezet zou hebben. Zij breit één lange zin aan elkaar, met behulp van komma’s en minimale adempauze, maar wel altijd grammaticaal correct en afstevenend op een duidelijke boodschap. Ook dit is een beproefde gesprekstechniek die gezien wordt als tamelijk genderspecifiek.

Wat ik mooi vind aan haar: ze zegt nooit zomaar wat. Je kunt haar zien nadenken, afwegingen maken. Ik vertelde dit aan iemand en zei ervan overtuigd te zijn dat als zij in het Torentje zou zitten, ze het zou toegeven iets niet te weten en dan de juiste mensen om advies zou vragen. Ze trok een wenkbrauw op en zei: ‘Wat, advies vragen aan Frans van Drimmelen?’

Daarna zei ze: ‘Ik vind haar op Willem-Alexander lijken’, wat ik een beetje vond afdoen aan het geheel. Willem-Alexander?

Ze staat verder van me af dan bijvoorbeeld Femke Halsema. Ze is mevrouwiger. Netter. Zakelijker. Ik zou vroeger bang voor haar zijn geweest. Denken dat ze een carrièrebitch was, maar dat dacht ik algauw als een vrouw in een bepaald jasje het woord nam zonder zich te verontschuldigen, of erbij te glimlachen. Kaag glimlacht alleen als ze echt een glimlach voelt opkomen, en dat is, in het openbaar, niet zo vaak. Ik denk dat ze het zichzelf weleens probeert in te prenten: ietsje vaker glimlachen. Overkomen als een vriendelijk iemand, en toch niet per se als een vrouw. Of ze politicus of politica genoemd wil worden? Het is van oorsprong een woord uit het Latijn, en ze weet hoe je Latijn moet vervoegen. Dus oké, noem me maar een politica. Maar het kan me geen bal schelen, voegt ze eraan toe.

Ze praat netjes, zorgvuldig. Dat ‘bal’ spreekt ze ook heel netjes uit.

Moslimliefje, zei Pechtold tegen haar toen ze samen oefenden. Moslimhoer. Ze kon het hebben, dacht ze

Het is anders om over haar te schrijven dan bijvoorbeeld over Neelie Kroes, of over Margaret Thatcher. Zij zijn types, fenomenen, bovendien deels afgesloten hoofdstukken. Kaag moet het allemaal nog doen, ze voelt nabij, als iemand van vlees en bloed, iemand in wie je je kunt vergissen. Toen ze als minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking samen met Mark Rutte, Carola Schouten en Bruno Bruins op handelsmissie was in India, droeg ze een felrode overhemdjurk tot op haar voeten, een brede riem om haar middel. Het is alweer een paar jaar geleden, maar het beeld van haar in die jurk staat op mijn netvlies.

Ze is een meter tachtig lang.

Ik zie opeens weer voor me hoe ze aan tafel zat bij Buitenhof, in die uitzending van decennia her. Ze zat met gekromde rug, alsof ze zich kleiner aan het maken was.

Ik liet me niet afschrikken door de ostentatief beleden monterheid van Sigrid Kaag, de eerste keer dat ik kennisnam van haar bestaan. Het stond heel groot boven het interview: ‘Ik sta nogal monter in het leven’. Ze was 54 toen, en namens de VN gestationeerd in Libanon om daar de vrede te bewaren. Het typt zo lekker makkelijk, de vrede bewaren – is er een legitiemer doel denkbaar? – maar hoe doe je dat in de praktijk? Eerder leidde ze de ontwapeningsmissie in Syrië, ook zoiets. Wie is deze vrouw? Ik vroeg het me meteen af, geholpen door de foto’s die Robin de Puy van haar maakte. Een blond gekapt hoofd, kleine krul naar buiten op schouderlengte. Zie ik nu die foto’s terug, dan vind ik haar in de afgelopen jaren knapper geworden. Losser. Het kan ook zijn dat ze met me mee is gegroeid, of ik met haar.

Kan ik nog nagaan waarom ik na het weekend waarin dit interview in Volkskrant Magazine stond aan mijn collega’s op de redactie vroeg: die Sigrid Kaag, kennen jullie die? Ik lees het interview opnieuw, bijna zeven jaar later. Het begint met iets wat Patricia De Martelaere ook gezegd zou kunnen hebben, al zei die het net anders, meer onthecht: dat de dood altijd ongelegen komt, net als je op weg bent om je kinderen uit school te halen, of in bad zit, luisterend naar een cultureel programma op de radio, of in bed ligt met een vrouw die niet de jouwe is.

Een VN-diplomaat zal het huiselijker formuleren om niemand schrik aan te jagen. En dus zegt ze ‘gewoon’ dat het belangrijkste wat ze in haar jeugd heeft meegekregen, en wat altijd in haar achterhoofd zit, is dat je leven van de ene op de andere dag kan veranderen. ‘Het ene moment zit je ergens fijn aan tafel, en het andere moment word je geraakt door een bus en is heel je leven anders.’

Ze heeft het over het overlijden van haar moeder, terwijl zij midden in een ingewikkelde exercitie zat, het leiden van de VN-taskforce chemische wapens. Ik moet door, dat dacht ze meteen. ‘Ik had geen keus, ik zat in een oorlogssituatie.’

Dit had De Martelaere niet bedacht, dat de dood komt terwijl je een deadline hebt om wapens uit een land weg te krijgen. En dat je dan moet kiezen. ‘Als er baby’s om je heen worden doodgeschoten, mag je niet doen alsof het overlijden van een 85-jarige een werelddrama is.’ Het klinkt hard, en het klinkt betrokken. Ze ging op de automatische piloot, en ze probeerde haar gevoelens ‘te kanaliseren’. Als ze dat niet zou kunnen, was ze niet geschikt voor de klus.

Sinds dit interview, dus voordat ze in Nederland zichtbaar werd als een politiek handelend persoon, heeft ze zich niet meer zo persoonlijk uitgelaten, denk ik, nu ik het opnieuw lees. Misschien is ze geharnast geraakt, of vermoeid.

‘Ik heb twee lagen’, zegt ze, in 2015, in dat Volkskrant Magazine-interview, toen ze nog bereidwillig was zich te laten kennen. ‘Misschien omdat ik wel eerder nare dingen heb meegemaakt. Ik weet dat het leven vallen en opstaan is, dat je veel dingen niet in de hand hebt in leven en dood. Mijn zwangerschappen waren zeer moeilijk, dat heeft er zeker mee te maken. Ons eerste kind werd doodgeboren. Daarna kreeg ik nog vier miskramen, en ik heb na de geboorte van onze derde een tijd in het ziekenhuis gelegen.’

Nare dingen. Ik denk dat geen journalistiek genre zo vulgariserend is als het interview. Al het traag en pijnlijk doorleefde ligt in hapklare woorden op straat. Zeer moeilijke zwangerschappen. Een dood kind. Miskramen. Ziekenhuis. Hella Haasse kon op tachtigjarige leeftijd nog steeds niet spreken over het dochtertje dat voortijdig stierf. Kristien Hemmerechts schreef haar mooiste verhalen over haar twee baby’s die stierven als in het allerkwaadaardigste sprookje. En Sigrid Kaag moet het nu maar even op tafel leggen. Dat ze ‘twee lagen’ heeft. En altijd dacht dat ze een gezin wilde met twee of drie kinderen.

Het is allemaal strategie hè, wordt me op de redactie gezegd. Nederland moest worden klaargestoomd voor Sigrid Kaag. Ze was klaar bij de VN, ze wilde iets anders. Echt? Kijk hoe dat ging met die #MeToo-affaire – ze is ook een machtspolitica hoor. Gaat het zo? Misschien vind ik dat nog niet eens het verbazingwekkendst. Wat me wél echt verbaast is dat ik blijkbaar degene ben bij wie zo’n interview als boter in de cakevorm smelt. En dat, als ik even een sprong voorwaarts maak naar de verkiezingen in de zomer zoveel jaren later…

Nee, daar wacht ik nog even mee.

Die twee of drie kinderen werden er vier: Jenna, Makram, Adam en Inas. De tweede is geadopteerd, uit een kindertehuis in Bethlehem. Tegen haar man had ze gezegd ‘toen het zo moeilijk bleek’, dat het niet per se haar eigen kind hoefde te zijn. ‘Het was een van de mooiste momenten in mijn leven.’

Het gaat niet om mij, zegt Kaag. Ze draagt een ambt uit. Zelf hoeft ze helemaal niet alles van iemand te weten. Who cares?

Van Inas was ze onverwacht zwanger, ze was ‘al’ veertig. Ze nam zich voor niet meer verdrietig te zijn, bang, ze wilde zich geen zorgen meer maken. Werkte fulltime door, met drie kleine kinderen thuis. En wat denk je, zegt ze. Het was mijn makkelijkste zwangerschap.

Ik weet het weer, als ik dit lees, wat ik toen dacht. Dat er een natuurlijke verbinding is tussen de dingen die ze vertelt over haar werk en wat er is gebeurd in haar persoonlijke leven. Niet nadrukkelijk, en des te meer geloofwaardig. Als ze in Jemen is, of in de Gazastrook, vragen de mensen aan haar: wat hebben we aan jullie teksten? Wat doen jullie als Verenigde Naties voor ons? Mijn kind is dood, mijn man is dood, mijn huis is vernietigd.

Later zie ik beelden van dergelijke ontmoetingen in de documentaire die Shuchen Tan over haar maakte, Sigrid Kaag: van Beiroet tot Binnenhof. Een grote blonde vrouw in een wit linnen overhemd die in een vluchtelingenkamp te midden van vrouwen en kinderen op de grond gaat zitten, armen en schouders aanraakt, kinderen tegen zich aan trekt, luistert, vertelt over haar eigen kinderen, hoe oud ze zijn en hoe ze heten.

Ons succes, ons beperkte succes, zegt ze, kan alleen maar worden gemeten als je iets kunt doen voor al die mensen.

Haar moeder, onderwijzeres, had een hersentumor, die weliswaar goedaardig was maar wel jarenlang voor complicaties en toevallen zorgde. Haar vader, musicus en leraar – iedere dag begon hij met het opzetten van Chopin – werd depressief, en belandde in een sanatorium; zijn dochter vat het samen als een worsteling tussen plicht en zelfontplooiing. In haar puberteit was ze vaak in het ziekenhuis voor haar moeder, er was telkens alarm. Ze leerde omgaan met tegenslagen en onduidelijkheid, zegt ze er achteraf over. En: ‘Ik was een opgroeiend kind – en dus egoïstisch. Ik wilde dat alles normaal was. Dat zat er niet in.’

Wat ze níet vertelt is dat haar broertje Harald kort na zijn geboorte sterft als gevolg van een hartafwijking, als zij zes is. Dit zegt ze pas vijf jaar later, wederom in een Volkskrant Magazine-interview. Inmiddels is ze een bekende bewindspersoon voor het Nederlandse publiek: ze is minister geweest, en tot lijsttrekker verkozen voor d66. Ze gaat de verkiezingen winnen, ze gaat premier worden, opeens heeft ze zich daarover uitgesproken, dat ze dat wil.

Beirut, 19 oktober 2015. De speciale coördinator van de Verenigde Naties (VN) voor Libanon Sigrid Kaag met een Syrische vluchtelingenfamilie tijdens haar bezoek aan de noordelijke regio Akkar, Libanon. Sigrid Kaag zei maandag dat de VN met spoed meer hulp voor zowel de Syrische vluchtelingen als kwetsbare Libanese gemeenschappen zal blijven aanmoedigen © Imago Stock & People / ANP

Als ik nu schrijf dat het is alsof ze zich in de aanloop naar de verkiezingen kennelijk verplicht voelde er weer een portie vrouwelijke menselijkheid in te gooien, bekijk ik haar met de argusogen waarmee haar publieke optreden van meet af aan, en in toenemende mate, is gevolgd. Er ontstond eufemistisch gezegd ‘gedoe’ over een scène in de net genoemde documentaire over haar, over de foto met haar overwinningssprong op tafel die daags na de verkiezingsuitslag in alle kranten stond, over dat ze minister van Financiën werd in het kabinet-Rutte IV. Want: alles is in scène gezet, niets is spontaan, het is allemaal doortrapte strategie en walgelijk vertoon van ambitie. Niemand die zo enthousiast en tegelijkertijd met zoveel argwaan werd onthaald als deze buitenstaander slash nieuwkomer in de politiek.

Dé werkelijkheid waaruit ik dacht te kunnen putten voor mijn portrettering van Kaag is voor een groot deel de neerslag van de beschreven werkelijkheid. Haar moi superficiel blijkt een niet helemaal te beheersen moi public.

Het gestorven broertje dus. De Volkskrant-journaliste wil het liefst dat Kaag moeite zou doen niet in huilen uit te barsten. ‘Herinnert u zich zijn dood nog goed?’ ‘Hoe werkt zo’n gebeurtenis door in een gezin?’ Ze zegt dat ze het lastig vindt dit te beantwoorden. Oké, de moeder dan maar, de hersentumor, hoe zat het daar ook alweer mee? ‘U vertelt het heel feitelijk.’ Ja, antwoordt ze, het is ook lang geleden. Als ze nu nog zou gaan zitten ‘snotteren’, zou dat op onverwerkt leed duiden. ‘En uw vader?’ Alles is erop gericht om Kaag verdriet aan te praten, een trauma op z’n minst.

Wat willen de mensen van haar weten en waarom? Ze is er confuus van. Het gaat niet om mij, zegt ze een paar keer in de documentaire. Ze draagt een ambt uit. Zelf hoeft ze helemaal niet alles van iemand te weten, zegt ze. Wat ze lekker vindt…

Who cares?

De Britse classica Mary Beard laat in haar boek Vrouwen & macht zien hoe macht en ambitie door de eeuwen heen zijn gemodelleerd naar wat mannen daarvan hebben gemaakt. En dus zijn vrouwelijke politieke leiders geneigd een kleurig doch praktisch broekpak aan te trekken, in de stijl van Angela Merkel en Hillary Clinton, en verlagen ze het timbre van hun stem. En dus worden ambitieuze vrouwen ook altijd in een krijgshaftig idioom neergezet, alsof ze ergens met geweld doorheen moeten breken. Terwijl hiermee juist wordt benadrukt dat ze niet op hun plaats zijn.

Toen bekend werd dat Kaag minister van Financiën zou worden, werd dit niet alleen door een besnorde voetbalbabbelaar gezien als het zoveelste bewijs van haar blinde ambitie. De Volkskrant kopte: ‘Kaag kiest voor de macht en wordt de eerste vrouw op Financiën’. De twijfel aan haar kennis en kunnen was wijdverbreid en werd vrolijk genoteerd. ‘Is zingen en pianospelen de beste opstap voor Financiën en EZ?’ vroeg een Volkskrant-columnist zich af, en het was niet Max Pam. Zelfs het feit dat ze zowel in Caïro, als in Oxford, als in Exeter had gestudeerd, werd opeens als iets verdachts afgedaan. Een ‘hele reeks van universiteiten’ aflopen, en ‘een breed palet aan titels’ behalen, maar een studie macro-economie, ho maar. In dezelfde trant kreeg de nieuwe minister van Economische Zaken en Klimaat Micky Adriaansens een douw. Rechten gestudeerd, net als haar voorganger. ‘Daarnaast zong ze en speelde ze hockey.’ En nu hij toch bezig was. Christine Lagarde, directeur van het imf en president van de ecb? Maakte deel uit van de Franse synchroonzwemploeg.

Misschien is het humor, en maak ik inmiddels deel uit van de olympische zureslootploeg. Ik snap niet helemaal wat die columnist suggereert met zijn opsomming, behalve dat sinds vrouwen ook deze post kunnen ‘bemannen’ Financiën niets meer voorstelt. De Canadese minister van Financiën Chrystia Freeland is slavist, haar Finse ambtgenoot, Annika Saarikko, filosoof en die van Estland is pianist. Alleen de VS hebben iemand, Janet Yellen, die ‘een serieuze economiestudie’ heeft gedaan, getrouwd is bovendien (his words, not mine) met een Nobelprijswinnaar economie.

Kaag is mevrouwiger dan Halsema. Netter. Zakelijker. Ik zou vroeger bang voor haar zijn geweest

De conventionele voorstelling die we in ons hoofd hebben van macht, kennis, expertise en gezag sluit vrouwen buiten, laat Beard zien met voorbeelden uit de klassieke oudheid tot nu. Het prototypische beeld van de machtige vrouw die een manwijf wordt, lijkt achterhaald maar is hardnekkig. In plaats van dat vrouwen zichzelf zouden moeten aanpassen of voegen – zich minder bescheiden opstellen bijvoorbeeld – ziet Beard het meest in een herdefiniëring van macht. Vanuit het idee dat je vrouwen niet zomaar in een structuur kunt inpassen die al als mannelijk gecodeerd is. Als macht wordt losgekoppeld van maatschappelijk prestige en persoonlijke roem zou het meer een zaak van volgers kunnen worden in plaats van alleen van leiders. Iets wat je kunt inzetten, in plaats van iets wat je hébt.

Beard geeft als voorbeeld Black Lives Matter, dat begonnen is door drie vrouwen van wie niemand meer de namen weet – ik heb ze opgezocht: Alicia Garza, Patrisse Cullors en Opal Tometi – omdat die er op zich niet toe doen. Waar het om gaat is dat zij gezamenlijk bij machte waren een strijdleus en een bijbehorende beweging te ontketenen. Hetzelfde geldt voor de manier waarop de #MeToo-beweging ontstond: niet gekoppeld aan een persoon, maar aan een collectieve, rap groeiende macht, aangewakkerd door Tarana Burke, met als motto ‘using the power of empathy to stomp out shame’.

Misschien is dat het wat me van meet af aan trof bij Kaag: dat ze zich op een andere manier laat gelden en macht er inderdaad anders uit laat zien. Omdat ze het feministische discours aanvankelijk verre van zich wil houden, klinkt ze des te meer authentiek. ‘Mijn ambitie komt niet voort uit mijn vrouw-zijn’, zei ze toen ze het lijsttrekkerschap aanvaardde. Iedereen moest gelijk zijn, dat werk. Dat past ook wel bij haar partij, die voor een redelijk midden zou staan en waarvan je niet direct een radicaal andere maatschappijvisie hoeft te verwachten. Het is precies de reden waarom die partij nooit aan mij appelleerde, zo niet afstootte, zoals dat voor meer mensen in mijn omgeving geldt.

Ondertussen kan ik me niet heugen eerder een vrouwelijke generatiegenoot, iemand met een topfunctie en een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid, over haar moederschap te hebben horen praten zonder dat het iets problematisch of beschamends is. Ik heb het idee dat ik door mijn kinderen een veel grotere realiteitszin blijf behouden, zegt ze. In een en dezelfde ademzucht heeft ze het over de vluchtelingenstroom, dat we die al lang hadden moeten zien aankomen, en over haar gezin. Veel van haar mannelijke collega’s in de diplomatie kozen voor ‘non-family duty stations’, vertelt ze, dus voor plekken waar je niet met je gezin kon wonen en die daardoor lang van huis waren. Een optie die haar alleen maar negatieve gevolgen leek te kunnen hebben, en bovendien zou er dan geen excuus meer zijn om een keer níet te werken.

Het lijkt allemaal simpel en logisch. Legitiem. Niets om te verdoezelen dat je je werk zo indeelt dat je er maximaal kunt zijn voor je kinderen. Dat zij zes dagen in New York is voor de VN-conferentie, en anderen twee weken. ‘Wat ik moet doen, doe ik, en dan ga ik weer terug.’

Ook opmerkelijk niet-geharnast is de relativering waarmee ze over eigen kennis en kunde praat, zonder dat het klinkt als die eeuwige vrouwelijke bescheidenheid. Ze zegt ronduit van tevoren niet gedacht te hebben dat zij de VN-taskforce zou leiden die chemische wapens in Syrië het land uit moest krijgen. Ze hoefde niet te doen alsof ze iets wist van chemische wapens, want ze wist gewoon niks. Wat ze wel wist was wat ze wél kon: onderhandelen, programma’s leiden, zich omringen met mensen die wel de technische expertise hebben. En ze kende de regio.

En hoe het dan gaat: niemand blijkt het te weten. ‘Ik stapte in iets duisters.’ Er waren maar twee dingen duidelijk: er was een deadline, en het móest lukken. Hoe zij erover spreekt, klinkt het als iets concreets. ‘Toen de eerste lading mosterdgas het land uit was, wist ik dat het ging lukken.’ Ze zag met eigen ogen het schip wegvaren. En weer terugkeren toen de containers gingen lekken. Wat krijgen we nou weer, dacht ze.

Het wordt allemaal voorstelbaar in haar woorden, ook het kosmopolitische leven dat haar van Jeruzalem naar Genève brengt, in haar eentje in Soedan, vervolgens met z’n allen naar New York, en via Jordanië naar Beiroet. En inmiddels dus Nederland, Scheveningen, waar zomaar op een avond een gek met een brandende fakkel voor de deur staat.

‘Wauw’, zegt ze, geconfronteerd met de uitkomsten van het onderzoek naar haatberichten jegens vrouwelijke politici. Twee weken voor de verkiezingen in 2021 wordt bekend dat zij veruit het populairste haatobject is. Bijna een kwart van de tweets – dertienduizend in vijf maanden tijd – is categorie ‘domme gans’, ‘scheer je haar af’ en veel en veel grover en bedreigender. Ongeveer één per kwartier krijgt ze op zich afgevuurd. Haar lichaam en haar uitstraling brengen fantasieën op hol over haar seksleven en complotten over heulen met de islam.

Ze had voor ze toetrad tot de partijtop nog met voorganger Alexander Pechtold geoefend. Moslimliefje, zei hij tegen haar. Moslimhoer. Ze kon het hebben, dacht ze. Tot ze een lawine aan vrouwenhaat over zich heen kreeg, en niet goed wist hoe die te pareren zou zijn.

Ze doet aangifte van bedreiging nadat iemand onder zijn eigen naam het volgende bericht online plaatst: ‘Bij deze geef ik u melding dat ik voor vanavond 24.00 uur Sigrid Kaag ga aanvallen en zo ga verwonden dat ze of dood is, of nooit meer haar functie kan uitvoeren.’ En ze besluit de confrontatie aan te gaan met deze figuur door gebruik te maken van het spreekrecht bij de politierechter. ‘U kent mij niet. Ik ken u niet. Ik heb u geen kwaad gedaan.’ Ze vertelt dat ze, sinds ze in Nederland actief is als politicus, angstiger is dan toen ze zich in gepantserde konvooien door het Midden-Oosten bewoog. Onbekommerd de honden uitlaten is er niet meer bij.

De ochtend dat ze aangifte deed, had een collega haar op het Spui zien lopen, lachend, arm in arm verstrengeld met haar dochter. Hoeveel lagen zou ze inmiddels hebben aangekweekt?

Als ze de resultaten ziet van het onderzoek naar haatberichten jegens vrouwelijke politici is ze bijna opgelucht. ‘Iets is altijd groter in je eigen beleving. Maar uit dit onderzoek blijkt: ik ben niet gek.’ Doorpratende wordt ze bozer en bozer. Het land dat investeert in vrouwen- en meisjesrechten over de hele wereld wil niet erkennen dat in eigen contreien nog altijd vormen van misogyne excessen worden toegestaan.

Op 8 maart 2021, Internationale Vrouwendag, refereert ze in haar toespraak aan de online bedreigingen en haattweets. Niemand gaat mij voorschrijven welke vrouw ik mag zijn, zegt ze. Maar ik heb wel ideeën over welk land we moeten zijn. Een land waar niemand het slachtoffer wordt van kleinerende retoriek. Ze heeft duidelijk weer verder nagedacht over feminisme, en wat dat betekent voor haar. Hier spreekt geen slachtoffer, benadrukt ze. Hier spreekt iemand die zich verzet. En ze haalt de definitie aan die Chimamanda Ngozi Adichie geeft van een feminist: iemand die gelooft in sociale, politieke en economische gelijkheid.

Hella Haasse had het over de afstand tussen het geschreven en het werkelijke leven, het scheppende versus het levende zelf. Bij Kaag speelt een derde gedaante misschien nog wel de grootste rol: het publieke zelf. Op grond van wat er over haar wordt uitgestort aan beledigingen en aantijgingen zou je haar kunnen portretteren als in een cartoon: een helleveeg. Heks. Daartegenover staat haar sterke gezicht op het affiche waarmee haar partij de verkiezingen in ging, nieuw leiderschap belovend. Velen die het niet eerder in hun hoofd gehaald zullen hebben om op deze partij te stemmen, lieten zich door de belofte die zij inhield overtuigen. En door een reële kans op verlossing.

Dit is een voorpublicatie uit Marja Pruis’ essayboek Boos meisje: Over vrouwen en frictie, dat volgende week dinsdag verschijnt bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar