Essay: een portretwaardige slaaf

Een portretwaardige slaaf

Het Rijksmuseum verwierf recent het Portret van een Afrikaanse man, waarschijnlijk geschilderd door Jan Mostaert tussen 1520 en 1530. Het schilderij is eindpunt van het integratieproces van een zwarte man tot een «portretwaardige» figuur in het vroege Europa.

Het kleine schilderij Portret van een Afrikaanse man spettert niet van de muur van het Rijksmuseum. Het heeft weinig wallpower, zoals dat in het jargon heet. Niettemin gaat het om een intrigerend werk. In de vroege zestiende eeuw kwamen in de Nederlanden namelijk nauwelijks zwarte mannen voor. In de historische literatuur is er ongeveer één per tien jaar gedocumenteerd, in alle gevallen in het milieu van Portugese kooplieden te Antwerpen. Nog opmerkelijker is dat het schilderij het vroegst bekende zelfstandige portret is van een zwarte man uit de geschiedenis van de westerse schilderkunst. Nu zijn veel schilderijen verloren gegaan en is wat overbleef niet noodzakelijkerwijs representatief voor wat er ooit is geweest. Toch is het portret een be langrijk oriëntatiepunt in de geschiedenis van de Europese beeldvorming van mensen van buiten-Europese herkomst.

Een geschilderd portret was een teken van aanzien, op z’n minst in de kring van het huishouden en de familie. Dit gold des te meer wanneer een bekende meester de maker was, en de Haarlemse schilder Jan Mostaert (ca. 1474 - 1552/53) was in zijn tijd een gerenommeerd meester. Het overgrote deel van de zestiende-eeuwse portretten beeldt mensen van stand af, mensen die over anderen wat te zeggen hebben. De geportretteerden waren meestal ook de opdrachtgevers. Soms lieten de meesters ondergeschikten afbeelden, zoals de dwergen en narren aan het hof, vaak in rijke kleding, en daarbij kun je een ironisch-paternalistische kijk op de geportretteerde vermoeden. Het is niet uitgesloten dat dit bij het portret van Mostaert ook het geval is, maar op het eerste gezicht lijkt het werk aan te geven dat in de Nederlanden van circa 1525 een zwarte man een positie van aanzien kon verwerven.

Of dit ook werkelijk het geval was, is niet te zeggen. Noch de geportretteerde noch de opdrachtgever is met zekerheid bekend. Wat we zien is een zwarte man, in zestiende-eeuwse terminologie een «neger» of «moor», gekleed in een wit hemd met een smal geborduurd randje, een rode wambuis, donkerbruine hozen en een donkere tabbaard. Op het hoofd draagt hij een rode bonnet met een goudkleurig pelgrimsteken van Onze Lieve Vrouwe van Halle, een bedevaartsoord ten zuiden van Brussel. Zijn handen steken in witte handschoenen van dun leer. De rechterhand rust op het gevest van een zwaard, dat in de gordel is gestoken, de achterwaarts gebogen linkerhand houdt hij tegen een geborduurde beurs met fleurs-de-lis-motief die aan de gordel hangt.

Hoewel niet kan worden gezegd dat de man typisch Nederlands is uitgedost, zouden al deze kledingstukken en attributen in de Nederlanden kunnen zijn verworven. De Engelse historica Kate Lowe meent dat kleding en houding van de man onmiskenbaar wijzen op een edelman. Omdat van Mostaert bekend is dat hij werkte voor het hof in Mechelen van Margareta van Oostenrijk, regentes over de Nederlanden namens Karel V, suggereert zij dat hij een hooggewaardeerde bezoeker of een hoveling met een lange staat van dienst aan het hof zou zijn geweest. Zij onderzocht echter niet of zo’n man in de historische literatuur of de bronnen is gedocumenteerd.

Nu zijn zwarte edellieden in het zestiende-eeuwse Europa een grote zeldzaamheid. In Portugal, Spanje en Zuid-Italië verbleven naar schatting honderdduizend zwarten, maar die waren in overgrote meerderheid slaaf. De meesten waren het bezit van kooplieden en ambachts lieden in de grote steden, zoals Lissabon, Sevilla, Palermo en Napels, maar ook adel en vorsten bezaten veel negerslaven. Slaaf bleef je in principe levenslang en de status ging over op de kinderen. Een goede meester werd echter geacht zo nu en dan de vrijheid te hergeven aan een trouwe slaaf die zich goed had aangepast aan de taal en de gewoonten van zijn omgeving en die zich een devoot christen had betoond. De meeste vrijgelatenen bleven het onaanzienlijke werk doen dat ze als slaaf hadden gedaan. Enkelingen maakten carrière in de kerk, het onderwijs of aan het hof. De enkele vrijgelatenen die uitstegen boven het niveau van de stedelijke burgerij en zich konden voordoen als een voornaam heer hadden een adellijke beschermer. De enige andere zwarten die in het vroeg zestiende-eeuwse Europa adellijke status genoten waren enkele mannen in Lissabon die als vertegenwoordigers van bevriende Afrikaanse heersers en dus als vrije mannen naar Portugal waren gekomen.

Zwarten van aanzien liepen in hun blanke omgeving voortdurend op tegen sterk negatieve vooroordelen. Behalve met hun slavenafkomst hadden die te maken met hun huidskleur en hun herkomst uit Afrika ten zuiden van de Sahara. Veel blanken beschouwden een zwarte huid samen met de afwijkende, als lelijk ervaren gelaatstrekken als het uiterlijke teken van innerlijke verdorvenheid, dat door God zelf was aangebracht. Herkomst uit Afrika ten zuiden van de Sahara stond gelijk met herkomst uit heidendom en barbarij.

Deze vooroordelen waren wijdverbreid in Zuid-Europa, maar kwamen ook voor ten noorden van de Pyreneeën en de Alpen. Zo bespotte Erasmus van Rotterdam negers vanwege hun apenneus. Hij blies ook het antieke gezegde «De moor wit wassen» – de aanduiding van een onmogelijke verandering, ook in culturele zin – nieuw leven in door het op te nemen in zijn Adagia.

Veel tijdgenoten en waarschijnlijk ook Erasmus zelf zullen tegelijk hebben erkend dat het gezegde een retorische overdrijving was. Als goede christenen moesten zij geloven in de bekeerbaarheid en daarmee in de beschaafbaarheid van alle menselijke wezens, ook die met een zwarte huid. Terwijl zij er allerlei opvattingen op nahielden die afstand schiepen tussen christenen en niet-christenen, een onderscheid dat toenemend samenviel met Europeanen en niet-Europeanen, schiepen zij tegelijkertijd voorstellingen die de inclusiviteit van het christendom uitdroegen. De zwarte koning in de Aanbidding van de koningen was zo’n figuur die het christelijk universalisme belichaamde, evenals de zwarte heilige Mauritius. Een zwarte man van aanzien mocht in de sociale werkelijkheid een grote zeldzaamheid zijn, hij was dat minder in de verbeelding van het christelijk universalisme.

In de historische literatuur zijn twee voorbeelden te vinden van zwarte edelen van wie je zou kunnen vermoeden dat ze tussen 1520 en 1530 vanuit Zuid-Europa naar de Nederlanden zijn gereisd. Ten eerste zijn er de zonen van de regeerders van Kongo die in de eerste decennia van de zestiende eeuw in Lissabon op kosten van de Portugese kroon een christelijke opvoeding ontvingen. Een van deze Kongolese prinsen schijnt begin jaren dertig in Parijs te hebben gestudeerd. Op grond daarvan zou je kunnen veronderstellen dat in de jaren twintig ook een Kongolese prins in Leuven kan hebben gestudeerd, die in contact kan zijn gekomen met het Nederlandse hof.

Het tweede voorbeeld is de vrijgelaten João de Sá Panasco, een zwarte hoveling van de Portugese koning Johan III, die zeer werd gewaardeerd vanwege zijn geestigheid. De koning nam hem op in de Orde van Santiago, een hoge eer. In 1535 nam João de Sá Panasco met enkele Portugese edellieden deel aan de expeditie van Karel V tegen Tunis. Het is denkbaar dat hij eerder naar de Nederlanden is gekomen in het gevolg van Karel V, nadat die de dynastieke banden met het Portugese koningshuis weer had aangeknoopt. Voor beide hypotheses is in de historische literatuur en de gepubliceerde bronnen echter geen enkele aanwijzing gevonden.

De Nederlandse kostuumhistorica Marieke de Winkel gaf een andere richting aan het onderzoek. Zij wees erop dat het kostuum niet dat van een edelman hoefde te zijn. Het kon evengoed, zo niet beter, het kostuum van een dienaar van een edelman zijn. Dit was aanleiding om in de gepubliceerde bronnen te speuren in de lagere regionen van het Brusselse en Mechelse hof. Dit leverde weliswaar niet een onbetwistbare identificatie op, maar wel een plausibele kandidaat voor de man op Mostaerts portret, namelijk Christophle le More.

Christophle was een man met een lange carrière aan het hof in de Nederlanden. Hij verschijnt voor het eerst op een lijst van hovelingen van de vader van Karel V, Philips de Schone, uit 1501. Hij is dan stalknecht en wordt vermeld als Christophle le Nègre, wat duidelijk maakt dat hij niet een witte, Noord-Afrikaanse moor was, maar een zwarte moor. Op lijsten uit 1505 en 1506 komt hij in dezelfde functie voor, maar nu als Christophle le More. Hij stroomt door naar het hof van Karel V, waar hij in 1517 en 1521 op dezelfde wijze is vermeld, dit keer bij de lijfwacht, een beter betaalde en aanzienlijker positie. Na 1521 is geen spoor meer van hem aangetroffen.

Met enige verbeelding laat zich met deze schaarse gegevens een beknopte levensgeschiedenis van Christophle construeren. Toen hij in 1501 in de stallen werkte, zal hij zeker acht jaar oud zijn geweest, mogelijk ouder. Hij zou vóór 1493 kunnen zijn geboren en mogelijk in 1496 in het gevolg van Johanna van Castilië, de echtgenote van Philips de Schone, naar de Nederlanden zijn gekomen. In dat geval zal hij als christen zijn opgevoed, Spaans hebben gesproken en er later aan het Nederlandse hof Frans hebben bijgeleerd. In de stallen moet hij in contact zijn gekomen met adellijke jongemannen die aan het hof hun opvoeding kregen, waarvan leren paardrijden een belangrijk onderdeel was. Volgens de bronnen vergezelde hij Philips de Schone op zijn reizen naar Spanje in 1501 en 1506.

De latere Karel V, geboren in 1500, maar ook anderen die in 1520 mannen met macht waren, kunnen hem van jongs af aan hebben gekend. Ook later verkeerde Christophle als lijfwacht dagelijks in de nabijheid van edele heren. Hij begeleidde Karel V op zijn Spaanse reis van 1517 en op de reis door Duitsland in 1520-1521, toen Karel V zich tot Rooms koning liet kronen, het opstapje naar het keizerschap van het Duitse Rijk. Christophle zou toen midden twintig à midden dertig kunnen zijn geweest, zoals de man op het portret. Hij moet voor velen aan het hof een vertrouwde figuur zijn geweest en tegelijk vanwege zijn donkere huidskleur een vreemde eend in de bijt.

Deze interpretatie van de gegevens plaatst Christophle in een milieu en een tijdsbestek waarin Mostaert hem zou hebben kunnen schilderen. Maar zien we op het schilderij nu ook een lijfwacht van Karel V? Een miniatuur in een beschrijving van Karels intocht in Brugge in 1515 toont zijn lijfwacht met een rode bonnet op het hoofd, gekleed in een wit hemd, een wambuis en hozen en bewapend met een zwaard. Dit komt grotendeels overeen met de man op Mostaerts portret. Anders dan op het schilderij zijn op de miniatuur de wambuis zwart en de hozen rood. Geen lijfwacht van Karel V dus? Dat zou te snel zijn geconcludeerd. De geraadpleegde bronnen doen vermoeden dat de kledingstukken van Karels lijfwacht niet altijd dezelfde kleur hadden, dat de kleurencombinaties konden wisselen en dat uniformiteit van kleding de norm geweest mag zijn, maar in praktijk toch niet altijd is gerealiseerd. De bronnen vermelden naast wit vooral ook rood. De beschikbare informatie laat zeker de mogelijkheid open dat op Mostaerts schilderij iemand is afgebeeld in de kleding en met het zwaard van een lijfwacht van Karel V.

De andere attributen van de man op het schilderij – pelgrimsteken, handschoenen en beurs – typeren niet het beroep maar de persoon. Zij kunnen verwijzen naar gebeurtenissen uit Christophles leven. Het pelgrimsteken uit Halle kan hij hebben verworven tijdens het bezoek dat Karel kort voor zijn kroning tot Rooms koning aan dit bedevaartsoord bracht. De handschoenen en de beurs, misschien afkomstig uit Spanje, kunnen verwijzen naar Christophles reizen met Philips de Schone en Karel.

Met de kleding en het wapen tonen deze drie attributen echter vooral de opmerkelijke transformatie van de voormalige negerslaaf van heidense origine in een christelijke en beschaafde figuur. Deze transformatie was een bewijs van goed meesterschap en een parallel met de vergelijkbare gedaanteverwisseling, eeuwen eerder, van Sint Mauritius, de zwarte beschermheilige van het Duitse Rijk. Het portret bevat geen expliciete verwijzing naar Mauritius, maar de combinatie van zwarte man met pelgrimsteken en zwaard suggereren het militante christelijke universalisme dat de keizer geacht werd te vertegenwoordigen. Rond Karels kroning tot Rooms koning maakte de cultus van Heilige Mauritius door toedoen van de aartsbisschop van Mainz, Albrecht van Brandenburg, een revival door. De parallel met Mauritius kan een reden zijn geweest waarom de vertrouwde, zwarte lijfwacht in 1520-1521 werd waargenomen als een symboolfiguur en is geportretteerd.

Het Rijksmuseum presenteert de nieuwe aanwinst als een portret van een Afrikaanse man alsof hij een Ghanees, een Egyptenaar of een Hottentot zou kunnen zijn. De beschrijving is niet alleen slordig ruim geformuleerd, zij gaat ook in tegen wat op het schilderij is te zien, ongeacht wie de geportretteerde mag zijn geweest en waar hij precies zijn roots mag hebben gehad. Het portret verwijst weliswaar naar een gedwongen migratie vanuit Afrika ten zuiden van de Sahara naar Europa, die binnen een leven of meerdere generaties kan hebben plaatsgevonden. De voorstelling geeft daarvan echter niet het beginpunt weer, de Afrikaanse herkomst, maar het eindpunt, de acceptatie als een «portretwaardige» figuur in het vroege zestiende-eeuwse Europa. Niets getuigt van een etnogra fische interesse, zoals die wel spreekt uit de Triomftocht die Karels groot vader, Maximiliaan van Habsburg, voor zich liet ontwerpen.

Mostaerts schilderij is het portret van een christelijke, zwarte moor. In eigentijdse termen vertaald: de man is afgebeeld als iemand die met uitgestoken hand op minister Verdonk zou afstappen. Dit is de kijk op hem van zijn blanke omgeving. Wat hij zelf over zijn lot heeft gedacht, zal altijd een vraag blijven.