Cultuur

Een postmodernisme met tanden

Thomas Vaessens’ derde positie en de ontbrekende criteria voor een terroristisch schrijverschap

‘Hier komen we niet uit’, zijn de passende slotwoorden van Matthijs van Nieuwkerk wanneer hij het ‘debat’ in het televisieprogramma De wereld draait door tussen Connie Palmen en Saskia Noort, met Hugo Borst als vuilbekkende reservespeler aan de kant van het team Noort afsluit. Dit vreemde debat bleek te bestaan uit even klassieke als holle definities over wat de literatuur zoal moet en vermag (Palmen), relativeringen van die definities (Noort) en expliciteringen van het belang van de ‘nieuwe media’ voor de naam en faam van de hedendaagse schrijver (Borst). Deze verstarde posities zijn symptomatisch voor de misplaatste en ondoordachte kritiek die momenteel overal geuit wordt op De revanche van de roman, het nieuwe boek van de Amsterdamse hoogleraar Nederlandse letterkunde Thomas Vaessens.

Ook serieuze critici slagen er niet in om zich te distantiëren van een dergelijke loopgravenoorlog. Zie bijvoorbeeld de reactie van Arie Storm in De Groene Amsterdammer van 15 april op het boek van Vaessens. Storm stelt dat Vaessens de literatuur nog louter op inhoud zou willen lezen, zonder enige bekommernis om de vorm en stijl van het boek. Evenals Kees ‘t Hart een week eerder meent Storm dat Vaessens de literatuur en de literatuurstudie ernstig bedreigt door een onwil secuur te lezen en argumenteren. Zowel Storm als ‘t Hart beschouwt Vaessens’ voorstel om de nadruk te leggen op het engagement in de literatuur als een poging om de verheven aard van de kunst van de roman naar beneden te halen. Vreemd genoeg lijkt de directe aanleiding voor dit verwijt echter niet zozeer het boek zelf te zijn, maar veeleer het interview dat Vaessens voorafgaand aan de verschijning ervan eveneens in De Groene gaf onder de titel ‘De mussen vallen bij bosjes van het dak’. Het interview legt een ongewenste schaduw over het boek. Het accent wordt daarin overdreven en onhandig provocerend op geëngageerde inhoud gelegd. Met veel activistische uitroeptekens wordt de schrijver de straat op gestuurd.

Ook wij voelen weinig voor deze ietwat platte uitwerking van Vaessens’ bijdrage aan het debat, maar De revanche van de roman heeft meer te bieden. De nadruk op inhoud boven stijl is weliswaar aanwezig in het boek, bijvoorbeeld wanneer hij ‘t Hart en online criticus RHCdG op de vingers tikt over hun in zijn ogen simplistische verwerping van Grunbergs Onze oom op basis van louter stilistische criteria, maar Vaessens zegt vooral dat die stilistische leeswijze niet afdoende is om het boek op waarde te kunnen schatten.

Er valt het een en ander aan te merken op het boek van Vaessens, maar de wijze waarop het werk nu snel door de papierversnipperaar gegooid wordt doet het erin gehouden pleidooi geen recht. De eigenlijke thematiek van het boek, de zoektocht in de literatuur en in de beschouwing naar een zowel literair als politiek urgente uitweg uit de tegenstelling tussen het moderne (humanistische) en postmoderne (relativistische) denken, is zonder meer wezenlijk. Het boek loopt momenteel het gevaar überhaupt niet serieus gelezen te worden. Dat zou zonde zijn, want het debat erover verdient het serieus gevoerd te worden, zij het wellicht op scherpere wijze dan Vaessens dat in De revanche van de roman zelf doet. Wij maken ons hier hard voor de urgentie van dat debat en zullen proberen een eerste aanzet te geven tot een in onze ogen meer productieve invulling ervan.

De derde positie

De centrale vraag die Vaessens zichzelf stelt is deze: wat zijn de vormen van engagement waartoe de literatuur in staat is? Vaessens onderscheidt drie posities: de humanistische, de postmoderne relativistische, en de laat-postmodernistische. In Nederland staan de eerste twee posities tegenover elkaar. De humanistische positie, die zich beroept op de eeuwige waarden van literatuur, slaagt er volgens Vaessens niet meer in om een substantieel publiek aan te spreken en resulteert in een teruggetrokken elitaire opvatting van wat literatuur inhoudt. Het vasthouden aan deze rol van literatuur komt neer op het ten grave dragen van de roman. De postmoderne positie bekritiseert deze eeuwige waarden van de humanisten, maar neemt in Nederland vooral de vorm aan van een ludiek en cynisch anything goes, dat maatschappelijk krachteloos is. Vaessens wil daarom een ‘derde positie’ (p. 66), die met het postmodernisme de kritiek op de eeuwige waarden van het humanisme deelt, maar die haar maatschappelijke taak niet veronachtzaamt. Deze positie laat zich karakteriseren door een nadruk op engagement.

Vaessens meent deze laat-postmoderne houding aan te treffen in een aantal romans van de laatste decennia, met name in werk van Vernooy, Kellendonk, Zwagerman, Grunberg, Februari en Mutsaers. Maar in de gangbare receptie van het werk van deze schrijvers wordt de laat-postmoderne houding niet herkend. Zo werd Grunbergs roman Onze oom voornamelijk afgekraakt op zijn gebrekkige literaire stijl. Men is, bijvoorbeeld in de receptie van dat boek, voorbijgegaan aan de kritische en politieke potentie van literatuur, stelt Vaessens. In de literatuurbeschouwing moet er daarom meer waardering komen voor het politieke aspect, en kan men niet meer de humanistische stilistische conventies als absolute meetlat nemen. Nogmaals: in tegenstelling tot wat in de kritiek op De revanche van de roman naar voren komt stelt Vaessens niet dat een roman niet meer literair mag zijn, maar wel dat men literatuur moet zien als meer dan een stilistisch verheven kunstwerk. Vaessens wil literaire teksten lezen als

ideologisch geladen interventies van auteurs in de publieke sfeer, zonder daarbij onmiddellijk klaar te staan met de hakbijl van de deconstructie of de politiek correcte meetlat van het postmodernisme. (224)

Deze poging om op een nieuwe, niet-elitaire, politiek gerichte manier na te denken over literatuur dient daadwerkelijk gehoord en doordacht te worden. Het is niet meer voldoende om pogingen zoals die van Vaessens af te doen als ‘anti-literair’. De vraag die Vaessens stelt of men politiek geëngageerd kan zijn zonder terug te vallen op oude humanistische stellingnames is zelfs een centrale vraag van onze tijd. Naar onze mening wordt er inderdaad maar al te vaak een valse tegenstelling tussen postmodern relativisme en humanistische waarden opgevoerd. De poging van Vaessens om deze tegenstelling te doorbreken is dan ook waardevol.

Maar dit brengt ons tegelijkertijd op het probleem van De revanche van de roman: de oproep tot een nieuwe vorm van engagement is overtuigend en noodzakelijk, maar de invulling daarvan laat te wensen over. Vaessens slaagt er niet in belangrijke vragen te beantwoorden: hoe kun je het nieuwe engagement theoretisch onderbouwen? Wat zijn de grenzen ervan? Wat is het beoogde effect?

Meewandelen met de macht
De theoretische onderbouwing van het boek is weinig precies. De drie grote posities die Vaessens benoemt vormen een aantrekkelijke driehoek, die hij heel breed hanteert. Bij de toepassing van zijn model op het literaire veld moet hij daarom vaak zeer uiteenlopende posities samenbrengen onder één noemer. Zo valt onder de term ‘postmodernisme’ onder meer een algemene culturele omslag in de maatschappij, een complexe intellectualistische ‘serieuze’ variant die op Franse theorie is geënt en een vrijblijvende ‘anything goes’-variant volgens welke schrijvers naar believen kunnen experimenteren met verhaalstructuren en op ironische wijze nooit iets serieus hoeven te nemen. Vaessens benoemt deze onderscheiden wel, maar hanteert ze niet altijd even consequent. Hij geeft vaak de indruk ze willekeurig door elkaar te gebruiken of in elkaar over te laten lopen. Daardoor kunnen in het boek claims voorkomen als dat het een uiterste consequentie van het denken van Derrida zou zijn dat de schrijver ‘nog slechts de rol van campy entertainer’ (55) zou resten, wat simpelweg niet waar is. De opmerking staat dan ook in scherp contrast met de veel zinniger signalering dat het postmodernisme in Nederland (volgens Vaessens in tegenstelling tot de Belgische receptie) nooit daadwerkelijk goed doordacht is.

Een vergelijkbaar probleem treedt op bij Vaessens’ beschrijving van de laat-postmoderne positie. Daaronder lijkt hij zo ongeveer elke geste te verstaan die vanuit het postmodernisme vertrekt – welk postmodernisme dan ook – maar die toch iets wil affirmeren, wat dan ook (zowel Charlotte Mutsaers als Leon de Winter past in dit plaatje). Dat iets kan bijvoorbeeld persoonlijke authenticiteit zijn, of contact met de werkelijkheid, of een politieke stellingname. Maar dat zijn wel zeer verschillende dingen om te affirmeren. Zo komt Vaessens niet tot een duidelijke analyse van wat voor vorm een serieus engagement zou moeten hebben. Het engagement blijft ondergetheoretiseerd.

Gevolg is dat Vaessens engagement vooral pragmatisch benadert, en gaat afmeten aan het publieke effect van de schrijver. Succesvol engagement wordt dan: met een of andere opinie een zo groot mogelijk publiek bereiken. Zo wordt de effectiviteit waarmee een auteur in de media optreedt (ook met columns en tvv-optredens) criterium voor zijn engagement. Daarmee wordt niet stilgestaan bij de mogelijkheid dat engagement een radicale mediakritiek zou kunnen vereisen. Media staan nou eenmaal nooit gelijkelijk open voor elk standpunt. De mogelijkheid dat effectiviteit in de media de geëngageerde boodschap zelf wezenlijk zou kunnen beïnvloeden wordt in Vaessens’ boek niet onderzocht.

Effectiviteit van een auteur is bij Vaessens altijd effectiviteit binnen de bestaande orde. Maar die orde zelf wordt nergens geproblematiseerd, wat wel nodig kan zijn. Als bijvoorbeeld Marjolijn Februari wordt geciteerd: ‘Je mag af en toe best eens meewandelen met de macht om dingen van binnenuit te beïnvloeden’ (181) – dan dient de vraag op z’n minst te worden gesteld wat het effect van zulk meewandelen zou kunnen zijn op het programma van de geëngageerde auteur. Dat gebeurt niet, omdat Vaessens het theoretische gereedschap mist op basis waarvan de maatschappelijke orde zelf fundamenteel bekritiseerd zou kunnen worden. Wat daarvoor nodig is is een concept van universele principes, die onafhankelijk zijn van traditionele waarden en bestaande machtsstructuren.

Het belang van universele principes

Het sterkste voorbeeld van een laat-postmodern engagement in Vaessens’ boek is er een waarin media-optredens geen centrale rol spelen. Het gaat om de bespreking van het boek Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. Hier wordt op serieuze wijze de mogelijkheid van een radicaal politiek engagement gepresenteerd. In het serieus doordenken van terroristisch dierenrechtenactivisme werkt Mutsaers volgens Vaessens een eerste principe uit onder de noemer ‘gelijke monniken, gelijke kappen’. Dit principe wordt in verband gebracht met het ‘anti-speciëisme’ dat Mutsaers uitdraagt:

‘Geen enkel leven is meer waard dan het andere. Punt uit.’ Het leven van een kreeft, vis of schelpdier verdient dezelfde bescherming als het leven van een mens. Hoewel zij de interviewer bezweert dat Koetsier Herfst ‘geen actieboek’ is, kan zij toch ook niet ontkennen dat ze ‘doodgelukkig’ is als iemand haar vertelt ‘dat hij dankzij Koetsier Herfst voortaan van de kreeft afblijft.’ (190)

Met behulp van dit eerste principe creëert Mutsaers een literair werk dat de huidige consensus vanuit een nieuw standpunt bevraagt. Met deze radicale niet-ironische toepassing van een eerste principe wordt de bestaande orde daadwerkelijk geproblematiseerd. Als de laat-postmoderne houding die Vaessens op het oog heeft überhaupt een actieve kritische functie kan hebben, dan moet deze in onze ogen in een dergelijke houding gezocht worden.

Vaessens wil in zijn boek een derde positie schetsen: die van de geëngageerde laat-postmodernist. De kritiek die hij te verduren krijgt gaat niet serieus op deze poging in. In deze kritiek wordt zijn poging vooral weggezet als een ontheiliging van de literatuur, waarmee Vaessens’ critici diens beeld bevestigen van een humanistische traditie die reflexmatig in de verdediging schiet bij elke bevraging van haar literatuuropvatting.

Dat is jammer, want Vaessens’ programma om tot een literatuur met maatschappelijke tanden te komen is de moeite waard. Evenwel slaagt Vaessens er naar onze mening niet in om deze positie duidelijk genoeg uit te lijnen. Het lukt hem niet het cruciale onderscheid te maken tussen een literatuur die simpelweg journalistieke thema’s als onderwerp heeft en een literatuur die een serieus potentieel van verandering in zich draagt. Vaessens’ opvatting van engagement gaat ons dus niet ver genoeg. Wat met name ontbreekt zijn de criteria op basis waarvan je een daadwerkelijk engagement kunt stoelen. Pas in het door Vaessens uitgewerkte voorbeeld van het boek van Charlotte Mutsaers wordt deze vraag prangend naar voren gebracht.

Vaessens citeert Mutsaers in een interview: ‘Elke gedreven schrijver is een terrorist’ (190). Als dit inderdaad een typisch laat-postmoderne stelling is, dan dient zich onmiddellijk de vraag aan naar de mogelijkheden en risico’s van een dergelijke houding. Het bevragen van de mogelijkheid van universele eerste principes moet het doel van een geëngageerde literatuurbeschouwing zijn. De daadwerkelijke uitdaging voor het debat dat nu gevoerd moet worden betreft het bepalen van heldere criteria voor zo’n terroristisch schrijverschap. Pas dan wordt er uitgestegen boven het schrale debat zoals dat nu gevoerd wordt.

Ernst van den Hemel studeerde literatuurwetenschap, filosofie en Cultural Analysis aan de Universiteit Amsterdam en aan de universiteit Paris 8. Hij legt zich momenteel toe op een interdisciplinaire dissertatie over Johannes Calvijn.

Matthijs Ponte is filosoof en neerlandicus in spe.

Samuel Vriezen is componist, dichter en essayist.


J.Z. Herrenberg 12-05-2009

Elke roman is wat secuur bij elkaar gelulde fantasietjes; alleen zijn sommige lezers en critici zo wereldvreemd, dat ze vreselijk kunnen schrikken van een roman. Ik vat even samen. Tja. Kan het er bij der peter in dat de goede schrijver zo kan combineren met ‘de’ werkelijkheid (die hij op zijn duimpje kent), dat zelfs hij uit de zelfgenoegzame houding van 'weten we al’ zou kunnen worden geschokt? En nog op een genoeglijke wijze ook? Maar misschien wauwel ik alweer voor 'het bestaande circuit’ (waar? wie?), volgens de wauwelaar namens het bestaande.


Samuel Vriezen 11-05-2009

Tja, der Peter…. dan herinner ik me weer Bruce Andrews, die zei over de poëzie van de Language Poets: “We really tried to shake things up, to fuck with people’s brains a little bit.” - en op mijn vraag, “And do you think this happened? Did people’s brains get fucked up?” antwoordde met “Well, ours did.”

En als je er goed over nadenkt: dat is al heel wat. Mensen zat wiens brains zich helemaal nooit laten upfucken. Waarom zouden wij daar ook bij willen horen? (Vervolgens bleek dat kleine kringetje van lezers nog groei te vertonen ook!)

Je kunt het natuurlijk ook omkeren. Als lezers van literatuur al niet geïnteresseerd zouden zijn in de mogelijkheid dat hun idee van de werkelijkheid op scherp wordt gesteld – wie dan nog wel???


evdhemel 11-05-2009

kruitvat of lulverhaal… Romans zijn in ieder geval wel een presentatie van een werkelijkheid met implicaties. Het is van belang je af te vragen wat voor een werkelijkheid hier ingezet wordt. Het punt van Vaessens is dat men hierbij niet alleen esthetische criteria moet hanteren. Romans kunnen een politieke stellingname presenteren. Deze houding komt echter niet per definitie neer op een voorkeur voor journalistieke literatuur, maar eerder op een serieus nemen van de implicaties van een kunstwerk.


der peter 10-05-2009

romans zijn per definitie bij elkaar gefantaseerde en secuur aan geschaafde lulverhalen, dus kunnen nooit functioneren als kruitvat tenzij voor lezers en critici die niets gewend zijn. gewauwel voor het bestaande circuit.


J.Z. Herrenberg 01-05-2009

kruiTvat!!


J.Z. Herrenberg 01-05-2009

Wat een 'terroristisch’ schrijverschap inhoudt? Alles wordt door het zuur van de bijtendste kritiek getrokken: de eigen positie, de taal, de kunst, de media, het publiek, het heden, het verleden, de geslachten… alles. Niets komt zomaar, niets is vanzelfsprekend. De 'terroristische’ auteur maakt analyses, even witheet als ijskoud. Om te zien wat er is en wat er zou kunnen zijn. Uit de analyse komt een visie, die zelf tegelijkertijd de analyse stuurt, want er is daar een continue wisselwerking. Het resultaat - het onbehaaglijkste kruidvat, in de vorm van een roman.