Toneel

Een pot vol scherven

Toneel: Pax Islamica deel 1: Zoeken naar Mohammed door Theatergroep Lamaqul & Frascati en Vuur door De Nieuw Amsterdam & De Engelenbak

Op het affiche is de van oorsprong Egyptische acteur Sabri Saad El Hamus op een kameel verdwaald bij de Amsterdamse optiebeurs, als Sinterklaas in een Noord-Afrikaanse woestijn. De voorstelling Zoeken naar Mohammed is bedoeld als opening van een kwintet over de vijf zuilen van de islam: gebed, aalmoes, vasten, bedevaart en, als eerste item, geloofsbelijdenis, Shahada. En daar gaat dit stuk dus he-le-maal níet over. Wat weer de charme is van deze komedie. De makers kondigen een vertelling aan («Zoeken naar Mohammed») en laten vervolgens de toeschouwers verdwalen in een legpuzzel. Waarin een Egyptische toneelspeler en een tobberige Nederlandse toneelschrijver proberen een verhaal te vertellen over een glibberige mohammedaan, die álles over de Profeet wil vertellen wat die domme kaaskop altijd al was vergeten te vragen.

In de openingsscène van Zoeken naar Mohammed wordt Sabri Saad El Hamus overvallen door een serveerster uit een Amsterdams grand café die zich heeft vermomd als journalist. Ze heeft alle afleveringen van de televisieserie Pleidooi gezien (waarin Sabri schitterde) en veinst een diepte-interview over zijn achtergronden. Tussen de aankondiging via de intercom en de binnenkomst van de bevallige nepjournaliste (mooi gespeeld door Manouskha Kraal) verruilt de steracteur rap een glas wijn voor een boek over Mohammed. Zodra het wederzijdse bedrog (háár voorwendsel om binnen te komen, en zíjn pose van de rechtgeaarde islamiet) is ontmaskerd, wordt het gesprek pas echt boeiend. Hoe is het om in Nederland met een hier onbekende profeet om te gaan? Hoe kijken de suffe Nederlanders tegen die profeet aan?

Het Droste-effect (de kwadratuur van de verwarring) in dit stuk (tekst: Jeroen van den Berg, regie: Ira Judkovskaja) wordt een spannende mallemolen op het moment dat de schrijver zelf het toneel betreedt. Die probeert in de wereld van Mohammed binnen te dringen, maar het lukt hem niet. Hij wordt er gek van, wat heet: volledig paranoïde. Daar botsen Sabri (opdrachtgever) en Jeroen (de doldraaiende auteur) met elkaar. Op papier klinkt dat heilloos: toneel óver toneel óver toneel. Op de speelvloer is het spannend, boordevol goeie ruzies, heftige confrontaties – uitlopend op een rare cliffhanger (die verklap ik niet). Mijn nieuwsgierigheid naar deel twee van deze islamsoap was meteen gewekt. Onderwerp: salat, de plicht tot gebed. Daar zal deel 2 vast ook weer níet over gaan.

De avond daarop naar een voorstelling in dezelfde Amsterdamse theaterstraat, waarin hetzelfde verhaal wordt verteld, alleen op een volstrekt andere manier. Vuur, geschreven door Justus van Oel voor De Nieuw Amsterdam en Theater De Engelenbak, regie: Karim Traïda (bekend als filmregisseur, onder meer van De Poolse bruid). Het decor (Marian Duyvestijn): gestapelde betonblokken, een landschap van as waarop niks meer wil bloeien. We zijn in de buitenwijken van het Amsterdamse Wilde Westen. Mohammed is hier een prevelende imam (gespeeld door de Amsterdamse wijkagent Jack Druppers, die overigens het idee voor de voorstelling aanleverde), een machteloze soepjurk te midden van vlammende haat. «Jullie moeten me niet. Het maakt niet uit wat ik doe.» De jonge Marokkaan Yassoul is een tijdbom die op scherp staat. Zijn broer Anuar is bij de politie. Vuur speelt zich af vlak voor en pal na de moord op Theo van Gogh. De verhouding tussen de broers wordt door die gebeurtenis opeens akelig. De agent zit klem tussen handhaving van de wet en trouw aan zijn eigen identiteit. Hij voelt zich «een pot vol scherven». Zijn Nederlandse collega Harold trekt een rechtere lijn door de zee van wantrouwen. Maar ook hij kan de escalatie niet voorkomen. Met zijn pragmatische oneliners lijkt hij het geweld in de buurt alleen maar dichterbij te brengen.

Justus van Oel heeft een poëtische tekst geschreven. Waardoor Vuur zich ver verheft boven een pamflettistische vorm van vormingstheater. Ik dacht impulsief: in dit Brechtjaar (de uitvinder van politieke epiek in het toneel is vijftig jaar geleden gestorven) is Brecht helemaal terug. De verscheurdheid van de politieman Anuar en de haat van zijn broer Yassoul staan glashelder en toch vol raadsels tegenover elkaar: Karim el Guennoui en Egbert-Jan Weeber houden afstand en laten de remmen op de juiste momenten los. Daarin fraai ondersteund door Marit van Bohemen (de vrouw van de agent, die de onmogelijke taak heeft de escalatie te voorkomen, maar die geen begin van een idee heeft hóe) en Teun Kuilboer (die de goede toon treft in een kwaadaardige rol: die van de Hollandse racist met losse handjes).

Vuur is een razende vertelling, goed in de hand gehouden door regisseur Karim Traïda. De avond dat ik ging kijken was een van de acteurs zijn stem kwijt. Achmed el Ghazaoui mimede die avond de rol van Samir, een jonge Marokkaan die de zaak uit de hand ziet lopen en niet weet wat te doen. De regisseur las zijn teksten vanaf de zijkant. Het had een wonderlijk effect (Brecht zou het de ideale vorm van «vervreemding» noemen): we zagen een onhandige mimiek en gestiek, we hoorden verbijsterde teksten uit de verte. Raar genoeg maakte dat de voorstelling Vuur alleen maar indringender.

Er is de laatste tijd een hoop gezeik en gezaag (met name onder columnisten) over de vraag: waar zijn de kunstenaars in dit door elkaar geranselde Land van Nooit? Kunstenaars hebben een rare eigenschap: ze nemen hun tijd. Ze moeten ook wel. Ze hebben die tijd nodig. Zoeken naar Mohammed en Vuur geven onhandige, ongemakkelijke, theatrale antwoorden op de verwarring. Onaf zijn hun antwoorden ook, de rafels hangen er nog aan. Ze sturen ons onverbiddelijk de zaal uit. Met een hoofd vol macaroni. Geen slecht alternatief voor politieke beterweters.

Zoeken naar Mohammed t/m 8 mei; www.theaterfrascati.nl.

Vuur speelt tot en met eind maart. Informatie: www.denieuwamsterdam.nl