H.J.A. Hofland

Een potje

President Bush heeft afgelopen zaterdag opnieuw een kostbare politieke vriend verloren. John Howard, tot afgelopen zaterdag premier van Australië en leider van de conservatieve Liberale Partij, heeft bij de verkiezingen een zware nederlaag geleden en afscheid van de politiek genomen. Hij wordt opgevolgd door de leider van Labor, Kevin Rudd, die in zijn campagne heeft beloofd dat hij de buitenlandse politiek van zijn land radicaal zal veranderen. Dat wil zeggen: een gevechtseenheid van 550 soldaten uit Irak terugtrekken (er blijven nog 300 man van een ondersteuningscompagnie) en alsnog het Verdrag van Kyoto ondertekenen. Een principieel afscheid van de politiek van Bush.

Is het een zich langzaam ontwikkelende trend? Trouwe vriend Tony Blair, de direct medeverantwoordelijke voor de oorlog in Irak, heeft al lang geleden zijn overtuigingskracht zien verschrompelen en is opgevolgd door de kritische Gordon Brown. In Pakistan is een andere strijdmakker, president-generaal Pervez Musharraf in grote moeilijkheden geraakt. Dat is weliswaar een heel andere kwestie, hij heeft alle problemen aan zichzelf te danken, maar het resultaat van de daar heersende verwarring is dat hij niet kan doen wat we allemaal graag willen. Hij is niet in staat zijn noodzakelijke hulp te verlenen bij het bestrijden van de Taliban.

In Amerika zelf is de vriendenkring om de president ook drastisch veranderd. Zijn grootadviseur Karl Rove, aan wie hij in hoge mate zijn politieke overwinningen te danken heeft, is ontslagen en schrijft een boek. Minister van Defensie Rumsfeld, eens door Bush een ‘superb minister’ genoemd, is vervangen en hetzelfde geldt voor de minister van Justitie, Gonzales, ook een dikke vriend van vroeger. Generaals kwamen en gingen. En dan de kiezers. Volgens een recente enquête van cnn staat nog 33 procent achter Bush en een meerderheid vindt hem de slechtste president uit de geschiedenis.

Er is een Amerikaanse theorie die zegt dat iedere president in het laatste jaar van zijn ambtstermijn grote kans loopt een ‘lame duck’ te worden, vleugellam. De politiek wil zich niet meer met de besluiten van de aanstaande ex-president belasten. Daarentegen doet de hoogste machthebber zelf nog extra zijn best om zich een mooie plaats in de geschiedenis te verwerven. Die theorie mag hier en daar van toepassing zijn, bij deze president is het wezenlijk anders.

Vanaf het begin van zijn eerste ambtstermijn heeft George W. Bush zich opgesteld als een radicaal-conservatieve vernieuwer, die de Amerikaanse supermacht wilde gebruiken om zonder hinderlijke inmenging van derden – dat waren de bondgenoten – de mondiale hegemonie van de natie ontegensprekelijk te herbevestigen. Om te beginnen weigerde het nieuwe bewind het verdrag van Kyoto te ondertekenen. Nog altijd zijn de geleerden het er niet over eens waardoor de opwarming van de aarde wordt veroorzaakt, wel is er intussen in het Westen een onofficieel tweepartijensysteem ontstaan, waarin de ene partij van mening is dat de planeet het beste af is als zoveel mogelijk van het oppervlak met langzaam rijdend en stilstaand blik wordt overdekt, terwijl de andere een groene politiek voorstaat. Dit probleem zal zich op den duur onder druk van de ervaring vanzelf oplossen.

Politiek ernstiger is dat onder leiding van Bush allianties zijn opgeheven of langzamerhand opgelost. Na 11 september 2001 had hij de kans het leiderschap van het westelijk bondgenootschap op zich te nemen en het een nieuwe impuls te geven. Geïnspireerd door neoconservatieve dwaallichten als Robert Kagan, Paul Wolfowitz, Irving Kristol en Norman Podhoretz ging het regelrecht de andere kant op. Het probleem Afghanistan werd als opgelost beschouwd, nu was Irak aan de beurt. Na meer dan vier jaar van toenemende catastrofe begint daar misschien de toestand te verbeteren. ‘De les is geleerd.’ Laten we het hopen. Terwijl omstreeks 150.000 Amerikaanse soldaten daar nog niet weg kunnen, wordt het probleem Afghanistan herontdekt, zonder dat de Amerikanen of de Navo al een vermoeden hebben in welke richting een oplossing moet worden gezocht.

Wel wordt een andere conclusie langzamerhand mondiaal en democratisch gedeeld: dat deze president in de acht jaar van zijn wereldleiderschap er een potje van heeft gemaakt; dat hij en zijn raadgevers het grote vraagstuk van het Midden-Oosten hebben verergerd in plaats van dat ze het langzaam maar zeker tot een oplossing hebben gebracht. Nu heeft een grote meerderheid van de Australische kiezers dit ook ontdekt, zij het wat laat. En deze week vindt in Annapolis de grote conferentie plaats die weer een opening moet brengen in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Daar had het mee moeten beginnen.