Interview met schrijver van ‘Vertrouwen in democratie’

Een potsierlijke vertoning

De Leidse hoogleraar Herman van Gunsteren is het oneens met de conclusie van Pieter van Vollenhoven, onderzoeker van de Schipholbrand, dat je met nieuwe regels de veiligheid kunt vergroten.

‘Een potsierlijke en beschamende vertoning!’ De kritiek van Herman van Gunsteren op zijn studievriend Pieter van Vollenhoven is niet mals. Van Gunsteren, hoogleraar politieke theorieën en rechtsfilosofie in Leiden, vindt het betreurenswaardig dat het conceptrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de Schipholbrand is gelekt en dat de voorzitter heeft verklaard dat de conclusies hoe dan ook overeind blijven. Herman van Gunsteren: ‘Donner, denk ik, heeft gelijk. Het is niet de taak van de raad om schuldigen aan te wijzen, maar om te onderzoeken wat er is gebeurd en aanbevelingen voor de toekomst te doen.’ Van Gunsterens kritiek op Van Vollenhoven gaat echter verder dan ergernis over het mediaoptreden van zijn jaarclubgenoot: ‘Hij profileert zich als dé expert op het gebied van veiligheid en suggereert dat je met nieuwe regels de veiligheid kunt vergroten. Dat is toch al te vaak een illusie gebleken. Wat ik vooral ongepast vind, is dat hij telkens weer doet alsof het wetenschappelijk is bewezen dat het door hem gepropageerde ministerie van Veiligheid voor meer veiligheid kan zorgen. Dat idee is namelijk in wetenschappelijke kringen uiterst omstreden. Alle nadelen die de sovjetplanning tot zo’n rampzalige mislukking maakten vind je erin terug. In de Verenigde Staten is na de aanslagen van 11 september het Department of Homeland Security in het leven geroepen. Tijdens de ramp in New Orleans heeft dat jammerlijk gefaald.’

Na elke ramp of terroristische aanslag blijkt uit de officiële onderzoeken dat gebrek aan coördinatie de ramp zo niet veroorzaakt dan in ieder geval verergerd heeft. Dan lijkt het toch zinnig om één commandocentrum te creëren, waar alle informatie bijeenkomt en beslissingen kunnen worden genomen. Herman van Gunsteren: ‘Uiteraard moeten er door een minister knopen worden doorgehakt. Maar op grond van welke informatie gebeurt dat? Die informatie wordt geselecteerd door ambtenaren en die hebben dikwijls de neiging de minister naar de mond te praten. Het is beter wanneer de politiek verantwoordelijke beslissingen neemt op grond van informatie die uit verschillende bronnen afkomstig is. Om die reden is het ook beter om verschillende inlichtingendiensten te hebben, die elk hun eigen expertise hebben en met elkaar concurreren. Op die manier wordt de kans kleiner dat de politieke top verstoken blijft van cruciale informatie.’

De instelling van een ministerie voor Veiligheid, dat taken overneemt die nu zijn verdeeld over de verschillende ministeries, zal volgens Van Gunsteren leiden tot schijneenheid: ‘Net zoals het telkens maar opstellen van nieuwe regels leidt tot schijnveiligheid. Wanneer je steeds meer regels maakt, wordt de kans dat je er een overtreedt steeds groter. Bovendien zijn regels rigide, terwijl je flexibel moet kunnen reageren. We weten allemaal dat wanneer werknemers overgaan tot een zogenaamde stiptheidsactie en ze precies volgens de regels gaan werken, elke organisatie binnen de kortste keren volledig is lamgelegd. In zijn boek Controle is goed, vertrouwen is nog beter heeft Kees Cools vorig jaar aangetoond dat grote bedrijven die in de problemen zijn gekomen, zoals Ahold en Enron, zich vaak beter aan de regels hielden dan succesvolle ondernemingen. Bovendien bleek dat bij al die bedrijven ongeveer een jaar voor de déconfiture de aandeelkoersen werden gehalveerd. Die zogenaamd domme aandeelhouders, die hun beslissingen vaak baseren op de vreemdste overwegingen, bleken het dus beter te hebben gezien dan de raden van commissarissen, die er met hun neus bovenop zitten.’

Met de contraproductiviteit van overvloedige regelgeving, de noodzaak van diversiteit in informatie en ‘the wisdom of crowds’ zijn we aanbeland bij de kern van Van Gunsterens nieuwste boek. In zijn vorige week gepresenteerde Vertrouwen in democratie gaat Van Gunsteren in op de vraag waarom de meeste burgers zo weinig vertrouwen hebben in de kwaliteit van de democratische besluitvorming. Van Gunsteren: ‘Vrijwel iedereen is tegenwoordig voor de democratie, maar tegelijkertijd lijkt deze permanent in crisis te verkeren. Voortdurend wordt er geklaagd over de kloof tussen politiek en burger en met afschuw wordt gesproken over de meestal weinig elegante of zelfs morsige wijze waarop politieke besluiten tot stand komen.’

Ook het feit dat na de rampen in Enschede en Volendam de verscherpte regels niet konden voorkomen dat het op Schiphol weer mis ging, lijkt te bewijzen dat de democratie niet bij machte is voldoende veiligheid te bieden. Hierdoor ontstaan een zeker wantrouwen tegen democratische besluitvorming, de neiging meer te vertrouwen op experts dan op politici en het verlangen naar krachtdadige leiders. Volgens Van Gunsteren is dit een zorgwekkende ontwikkeling. In zijn boek betoont hij zich een aanhanger van de theorie van de zelforganisatie, zoals die de afgelopen twintig jaar door wetenschappers uit verschillende disciplines is geformuleerd.

De aanhangers van deze sciences of recognition zijn ervan overtuigd dat allerlei systemen in de natuur en de menselijke samenleving kunnen floreren omdat er ‘vanzelf’ de juiste besluiten worden genomen. Wanneer er binnen die systemen voldoende diversiteit is, tekenen zich bepaalde patronen af en vindt er automatisch een adequate selectie van mogelijkheden plaats. Het immuunsysteem van mens en dier is zo’n voorbeeld van zelforganisatie, maar ook de markt werkt zo. Van Gunsteren: ‘Ik heb vanochtend wat aandelen verkocht. Dat is gebaseerd op fragmentarische informatie en vage verwachtingen. Dat geldt voor elke aandeelhouder. In zijn totaliteit levert dat doorgaans een reële koers op. Doordat de groep mensen die aandelen koopt en verkoopt heel groot is, heffen de foute inschattingen elkaar op. In mijn boek geef ik het voorbeeld van een os, waarvan de bezoekers aan een markt het gewicht moesten schatten. De meeste mensen hadden helemaal geen verstand van runderen, maar de gemiddelde uitkomst was op een pond na het werkelijke gewicht van het dier.’

Dat aandelenkoersen soms de pan uit rijzen en geen enkele relatie meer hebben met de werkelijke waarde van een bedrijf, wil volgens Van Gunsteren niet zeggen dat het principe niet werkt: ‘In zo’n geval is er sprake van een gebrek aan diversiteit en lopen de aandeelhouders achter vermeende autoriteiten aan.’

Wanneer Van Gunsteren wil dat de politiek meer volgens de principes van zelforganisatie gaat functioneren, moet hij wel een groot voorstander zijn van de invoering van marktwerking in de quartaire sector. Herman van Gunsteren: ‘Dat is een ernstige vergissing. De theorie van zelforganisatie onderscheidt een aantal principes waaraan elk systeem moet voldoen, maar de mechanismen om die principes te realiseren verschillen van systeem tot systeem. De mechanismen van de markt werken niet goed wanneer je ze zonder meer overplant op bijvoorbeeld de wetenschap of de politiek. Vroeger kregen bijvoorbeeld de politie en het onderwijs gedetailleerde instructies vooraf en onder de slogan van marktwerking is dit deels vervangen door verantwoording achteraf. Doordat ambtenaren zich zoveel mogelijk willen indekken, heeft dit geleid tot minder initiatief en durf. Allerlei overheidsdiensten moesten doen alsof het ondernemingen waren, maar bleven ondertussen gevangen in een hiërarchische structuur. Dat werkt niet. Net zomin als al te gedetailleerde regels werken. Je moet organisaties veel meer ruimte geven.’

Wie werkt maakt fouten, het is een cliché dat ook voor organisaties geldt. Van Gunsteren: ‘Dat betrokkenen verantwoording afleggen is een goede zaak, maar vaak corresponderen de taal en de institutionele regels waarmee we verantwoordingsprocessen duiden niet met de werkelijkheid. Wanneer er iets is gebeurd waardoor we zijn geschokt, zoals de Schipholbrand, wordt er gekeken of er een schuldige is aan te wijzen. We doen dus alsof de mensen de goden van hun eigen bestaan zijn, alsof we alles in de hand kunnen hebben. In werkelijkheid zijn er vaak geen schuldigen aan te wijzen, maar ontstaat een ramp door een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Er wordt op bestuurlijk niveau dan net zo lang gezwartepiet tot de verantwoordelijkheid ergens blijft liggen. Dan belooft men beterschap en gaat de regels nog eens aanscherpen. En wanneer er werkelijk een “schuldige” wordt gevonden, die strafrechtelijk vervolgd kan worden, is dat altijd iemand uit een lager echelon. Ook dit is niet bepaald bevorderlijk voor het vertrouwen in de politiek.’