Een praagse vesting

Ik ken Praag, op die paar dagen na die ik er ooit op doorreis heb doorgebracht, eigenlijk alleen uit de literatuur als de stad van de onvergelijkelijke brave soldaat Schwejk, en als de stad van Gregor Samsa, de man die op een gegeven ogenblik ‘s morgens uit een onrustige droom wakker werd en tot zijn ontzetting merkte dat hij in een afzichtelijk stuk ongedierte was veranderd.

Het was een en al treurnis en sjagrijn. Dan ging je nog liever naar profielloze landen als Roemenie of Bulgarije, van oudsher hardhandig geregeerde naties, anders dan Tsjechoslowakije, dat ooit een modelstaat is geweest. Het was de verdienste van Tomas Masaryk, van 1918 tot 1935 president van de republiek Tsjechoslawakije. Hij heeft het gepresteerd om een lappendeken van louter minderheden (Tsjechen, Slowaken, Duitsers, Hongaren en Karpatho-Russen) tot een geheel te smeden en maakte van het interbellaire Tsjechoslowakije, zei zijn collega-filosoof Karl Popper, ‘een van de beste en waarschijnlijk meest democratische staten die ooit hebben bestaan’.
Gedurende vier naoorlogse decennia was Tsjechoslowakije daarentegen het Biafra van de Geest. Vooral na het neerknuppelen van Dubceks Praagse Lente, die uiteindelijk het karakter kreeg van een wraakoefening op de kritische intelligentsia. Zij werden uit hun redactieburelen verjaagd - de Praagse Lente was niet in de laatste plaats een journalistenrevolte - en verdienden een vernederend hongerloon als glazenwasser, caissiere of taxichauffeur.
Hoe het in een dergelijk klimaat met de kunsten was gesteld, kan men raden. Dat was louter partijconforme ellende. Alles wat de moeite waard was, stond op de zwarte lijst, de verzamelde werken van voornoemde Tomas Masaryk in de eerste plaats. Het gold voor de literatuur, voor de architectuur, de beeldhouwkunst, de muziek en de beeldende kunst. Het was allemaal te verschrikkelijk voor woorden: halfnaakte sirenes met een palmtak tussen de lippen, symbool van de naderende proletarische lente.
Er zijn in een totalitaire staat slechts twee culturele disciplines die in de ideologische luwte staan. In de eerste plaats is dat de poezie. Dictators zijn over het algemeen te onbeschaafd om gedichten te lezen. Ik sprak eens met Reiner Kunze, dichter en DDR-vluchteling. Waarom stond de poezie in zijn land eigenlijk op een heel behoorlijk niveau? 'Dat komt’, legde Kunze uit, 'omdat een gedicht betrekkelijk ongrijpbaar is. De metafoor, het politieke beeld, is traditioneel een dankbare vorm voor de censuur. De dichtkunst in veel mindere mate. Ik ben in staat een gedicht te schrijven waarin de kleur wit domineert. En de kleur wit heeft een spectrum dat alle kleuren van de regenboog bevat.’
De tweede, betrekkelijk ongrijpbare, artistieke discipline is de collage. Die werkt met traditionele middelen en vormt een impliciet ironisch commentaar op mens en samenleving - en om te begrijpen wat er wordt bedoeld moet je hersens hebben. Ook op dit genre hadden de heersers van toen dus weinig greep. Dat heeft veel bijgedragen tot de bloei van de collage in Tsjechoslowakije, de toenmalige autoritaire staat met zijn humanitaire, democratische en artistieke traditie. Oordeel zelf, er hangen proeven van tachtig jaar Tsjechoslowaakse collagekunst in Galerie Groll, Turfpoortstraat 36a-38, te Naarden-Vesting.