Een pre-digitaal netwerk

Wired Life staat in mei 1996 in het Haags Gemeentemuseum. De trajectversterker van Peter Bos en Simone Simons is van 11 tot en met 16 december te zien tijdens het Springtijfestival in Ekko te Utrecht.
Het spookt in de huiskamerfoyer van theater Zeebelt. Vanuit een vaas bloemen klinken flarden opera, vanuit een blikken trommel wat onduidelijk geknars, vanuit een boek dat nonchalant op een stoel ligt een amusementsmuziekje - vanuit allerlei, moeilijk te lokaliseren punten in de kamer doemen geluiden op. Onregelmatig en ongrijpbaar.

Het zijn de stemmen van onze voorouders. Met het glas dat omgekeerd op de zwarte ronde tafel staat, kunnen deze muzikale geesten worden opgeroepen. Het mooist om te zien zijn de bezoekers die nietsvermoedend aan de tafel gaan zitten en al kletsend wat met het glas spelen. In het algehele geroezemoes hebbben ze vaak niet eens door dat ze al schuivend met het glas een hele machinerie in werking zetten. De meeste mensen weten echter wel degelijk dat ze hier te maken hebben met de Table de seance (uit de kameropera Truth in Clouds) van Nicolas Collins, die in de gezellige schemerlamp boven de tafel een videocamera heeft gemonteerd die de bewegingen van het glas zorgvuldig registreert en daarmee de verschillende geluiden activeert.
Table de seance, dat werd gepresenteerd in het kader van het Contemporary Improvised Music Festival, is een typisch voorbeeld van een installatie: een autonoom systeem dat in alle gemoedelijkheid wat staat te suffen tot het van buitenaf wordt gekieteld. Die externe prikkel is overigens niet altijd noodzakelijk. Ze stond afgelopen maand in het Stedelijk Museum De krachtgever van Peter Bosch en Simone Simons opgesteld, een wand van 36 houten kistjes die door spiraalveren met elkaar zijn verbonden. Een computer bepaalt met hoeveel kracht het complex van kistjes door negen trilmotoren door elkaar wordt geschud. Als bezoeker kun je dus geen invloed uitoefenen op dit bouwwerk. Op mij had De krachtgever overwegend een vertederend effect: de krakkemikkigheid van de houten kratjes vormt een groot contrast met de soepele, lenige beweging die door de veren wordt veroorzaakt. Een electric boogie voor kratjes.
Een echte bezienswaardigheid was de installatie Wired Life van Rene Uylenhoet, die gedurende de hele maand november in De IJsbreker stond opgesteld. Een ‘autonoom elektrisch ecosysteem’ noemt Uylenhoet deze verzameling pre-digitale synthesizers, die hij deels zelf bij elkaar sprokkelde en deels van het Haags Gemeentemuseum leende. Dit vijftiental oude beestjes is, zonder tussenkomst van computer of een ander besturingssysteem, met elkaar verbonden en vormt een gesloten systeem. Op eigen houtje staat de installatie zachtjes te pruttelen, zoemen, borrelen, brommen en kraken. De geluiden zijn ouderwets zacht en gedempt, en temidden van de rondom opgestelde luidsprekers ontstaat een bijna meditatieve klankwereld. Ondertussen kijk je je ogen uit! Naar de honderden knopjes, schuiven, meters, stekkertjes en het oerwoud van draden (zo'n vijfhonderd meter kabel).
Geheimzinnig en intiem als een vijvertje met stil donker water bevindt de installatie zich in een soort ruststand. Tot het moment dat er een steen in wordt gegooid. In de IJsbreker werd de installatie steeds 'bespeeld’ door een musicus die die avond een concert zou geven. Zo werd het systeem 'gevoerd’ met stemimprovisaties, loopjes op de basklarinet en virtuoze toeren op de trombone. De apparaten, die na verloop van tijd de gedaante van levende organismen aannamen, reageerden verbolgen, alsof ze in hun slaap werden gestoord. Ieder verwerkte op zijn eigen manier de stimulus. Dat wil zeggen: deze werd vervormd, verbrijzeld of gesublimeerd.
Wired Life leverde alles behalve een overweldigend klankspektakel op. Het bood juist een mysterieuze aanblik, als van een gezelschap dat in een onverstaanbare taal met elkaar zit te kouten.