Een principiële romankwestie

Auke Hulst
Wolfskleren
Meulenhoff, 298 blz., € 22.50

Ook in deze tweede roman van Auke Hulst gaat het om een uitzichtloze liefde. In Jij en ik en alles daartussenin uit 2006 verliet een vrouw de held voor een ander. In deze nieuwe roman gaat het om de zoektocht naar het verleden van een geheimzinnig Japans meisje dat in een Gronings ziekenhuis in coma ligt. Ze heeft ooit in het huis van de muzikant Wolff gewoond en er was sprake van een toenemend sterke band, zonder dat het tot een echte verhouding leidde. Die Wolff probeert haar verleden te reconstrueren waarbij hij ook met zichzelf wordt geconfronteerd.
Deze samenvatting doet uiteraard geen enkel recht aan waar het Hulst om begonnen is. Zijn verhalen zijn vehikels waarmee hij zijn zwaar sombere visie op leven en maatschappij binnen een uitermate melancholieke setting kan plaatsen. Het gaat hem om ook in dit boek om verloren geborgenheid en vertrouwen, om verlies van identiteit en om zelfhaat. Hulst maakt van Wolff bepaald geen vrolijke Frans, hij haat iedereen, ook zichzelf, hij maakt ruzie met zijn rockband, maakt zijn ouders verwijten en lijdt aan zware nachtmerries waarin flink bloed vloeit. Heette zo iemand vroeger niet een puber? Maar, zoals het hoort in dit type werk, in feite is het een lieve jongen, ruwe bolster blanke pit, opgescheept met wat meer zelfmedelijden dan anderen, omdat hij zo alleen is en verdrietig en wanhopig, omdat niemand hem begrijpt en hij nog nooit geneukt heeft, ook niet met Yukiko Akahira waarmee verder iedereen het voor geld deed.
Ik merk dat ik via mijn woordkeus in bovenstaande beschrijvingen afstand neem van deze roman. Het heeft iets te maken met een principiële romankwestie. Het gefoeter en geklaag van deze romanfiguur krijgt te vaak iets beschuldigends in de richting van anderen. ‘Zij’ hebben het gedaan, niet ‘ik’. Ik wantrouw dit op valse romantiek en een betweterige ideologie gebaseerde uitgangspunt dat in de huidige Nederlandse romankunst hoge ogen gooit. Ook al geeft Hulst aan zijn personage de nodige wanhopige trekken mee, in de grond weet hij alles beter en doorziet hij ieders drijfveer.
Maar het heeft ook te maken met de schrijfwijze die Hulst inzet. Zijn zinnen zijn heftig en sterk associatief, doorspekt met popmuziekjargon, hij probeert op deze manier de gekweldheid van zijn hoofdpersonage zichtbaar te maken. Tijdens een wandeling naar het ziekenhuis bedenkt Wolff bijvoorbeeld het volgende: ‘Onder me liggen de ingewanden van de stad: pulsen in draad en water in buizen. Sample de klank ervan en je hebt een fantastische backing-track. (Mentale notitie: rioolgeluiden.) Ik schakel over naar een nieuw nummer, nieuwe gedachten. Omringd door bacteriën en chemicaliën, de betrekkelijke nieuwigheid van alle dingen, de constellaties die samenkomen, uiteenvallen, en weer samenkomen, de skaterboys en de rastafari’s, de Vindicators en de loslopende tbs’ers.’
Een graadje minder zou veel uitmaken. Eenzelfde gejaagde hyper-reflecterende gekweldheid geeft hij aan het Japanse meisje dat in een dagboek haar gevoelens op papier heeft gezet. Met precies dezelfde gekweldheid. Het rare is dat je niet precies te weten komt waarom deze twee zo gekweld zijn. Het is allemaal heel erg wat er ooit is gebeurd, maar wat is er eigenlijk gebeurd? Boek uit. Geen idee. Er zijn wat vage aanduidingen dat het meisje is misbruikt, maar waarom is ze precies van huis weg gelopen? Vrijwel alles is vaag in deze roman, behalve het Nederlandse meisje dat het dagboek van Yukiko in het Nederlands vertaalt en dat als Wolffs reddende engel fungeert. Bij haar zoekt Hulst het ineens in de unverfroren liefdesroman, compleet met zinnen als: ‘“Het was heel fijn, Wolff.” Ze lacht: “Je weet wel hoe het moet.”’
Ik heb het idee dat Hulst geen zin had om een klassieke thriller te schrijven, met een mooie oplossing en uitleg die voor iedereen bevredigend uitpakken. Dat pleit voor hem, hij durft op zoek te gaan naar het literaire avontuur en wil zich niet bij al te opzichtige vertelclichés neerleggen. Maar deze opzet pakt niet gunstig uit. Het is allemaal te veel, hij wil én de Japanse cultuur introduceren én de huidige pop-scene, én ideeën ventileren over van alles en nog wat. Waardoor het geheel blijft steken in een soort zelfverkozen vaagheid. Daar komt bij dat de droomsequenties die aan Manga-literatuur zijn ontleend veel te lang duren, al dat bloed, dat geweld, het gaat maar door, na drie zinnen wist ik al dat dit het gemoed van de held moet weerspiegelen. Wat ze precies aan het verhaal toevoegen is onduidelijk.
Hulst grossiert ook steeds meer in vage zegswijzen over de wereld en de mens. ‘De leugen poetst de waarheid uit en de waarheid kan nooit gekend worden – althans niet in zijn volle omvang.’ O Nee? ‘Wat je doet moet je echt willen, omdat apathie geen repercussies kent.’ Of deze: ‘Ook is muziek de enige kunstvorm die zo perfect is dat het net als wiskunde simultaan in en boven de wereld staat.’ Snapte ik alweer niks van.
Er zit een cd bij het boek, titel: The Hidden Shape, gespeeld door de groep Sponsored by Prozac met nummers en zang van Hulst. Softe muziek, melancholiek, de nummers hebben met de roman te maken. Veel invloed van de late Beatles, The Police en Crosby, Stills and Nash. Met alweer van die vage zinnen waar je alleen maar ja op kunt zeggen. ‘It’s dark about the future/ it’s dark about the past’, ‘You were a father but soon became a stranger’, ‘Will I ever learn to love’. Maar nu hou ik op.