KUNST

Eén procent

Gijsbert Friedhoff

De sloop van het voormalige Wibauthuis in Amsterdam heeft twee andere kantoorgebouwen aan de Weesperstraat in nieuw licht gezet. Het ene is het gebouw van de Raad van Arbeid (1940-47) van de architect C.J. Blaauw (1885-1947), het andere het voormalige Belastingkantoor (1956-58) van Gijsbert Friedhoff (1892-1972). Dat het zakelijke Wibauthuis wel, en de wat meer klassieke panden van Blaauw en Friedhoff niet zijn afgebroken heeft ongetwijfeld allerlei praktische en economische redenen, maar het zegt ook iets over de herwonnen waardering voor dit soort architectuur. Blaauw en Friedhoff waren invloedrijke figuren, die over klandizie niet te klagen hadden, maar in de Nederlandse architectuurgeschiedenis speelden zij lange tijd tweede viool, overstemd door de ketelmuziek van de functionalisten die in de Wederopbouw de boventoon voerde.
Die tegenstelling werd vroeger zeer scherp gevoeld, en is nog altijd niet overbrugd; op Wikipedia wordt Friedhoffs belastingkantoor nog doodleuk ‘een stalinistisch gebouw’ genoemd. Het kan verkeren, dus: het Wibauthuis ligt om, en het Rijksmuseum Twenthe organiseert een stevige tentoonstelling over Friedhoffs leven en werk. Dat dat daar gebeurt is omdat Friedhoffs belangrijkste werk er staat: het stadhuis van Enschede.
Friedhoff wordt doorgaans geschaard onder de Delftse School. Daarmee worden de architecten bedoeld die onder invloed stonden van de denkbeelden van M.J. Granpré Molière (1883-1972), een gezaghebbend docent aan de TH van Delft. Granpré keerde zich (kort gezegd) tegen het modernisme, dat het geloof ondergroef en de mens reduceerde tot een radertje in een systeem van industrialisatie en winstbejag.
Nu was Friedhoff al afgestudeerd voor Granpré van zich deed horen, maar een geestverwant was hij wel. Dat blijkt al uit de naam die hij in 1929 in de prijsvraag voor het nieuwe stadhuis van Enschede aan zijn inzending gaf: ‘In d’oude Stad’. Daaruit sprak gevoel voor de historische context van de stad, die nogal schraal was: het stadscentrum was in 1862 door brand verwoest, de industrie domineerde. Hier moest iets groots worden verricht. Het nieuwe stadhuis bestaat uit twee stevige vierkante blokken, van buiten spaarzaam, van binnen rijk gedecoreerd, die op een hoekpunt zijn verbonden. Het ene blok herbergt de administratieve diensten, het andere de representatieve. Waar de twee blokken samenkomen zette Friedhoff een kloeke toren. Die was direct ontleend aan de toren van het raadhuis van Stockholm van de architect Östberg, dat in 1912 was voltooid. Veel Nederlandse architecten waren van die Scandinavische architectuur onder de indruk. A.J. van der Steur bouwde in dezelfde jaren bijna net zo’n toren aan het nieuwe Museum Boijmans in Rotterdam.
In vergelijking met de sobere, zichzelf wegcijferende architectuur van Granpré Molière was die van Friedhoff sierlijker en eleganter, zoekend naar een ‘Gesamtkunstwerk’ dat de feestelijke ceremonies van de stad kon omlijsten. In zijn stadhuisontwerp had hij zich ook toegelegd op glas-in-loodramen, sierlijk smeedwerk, tapijten en kunstwerken. De integratie van kunst in architectuur was zijn stokpaardje. Toen hij in 1946 Rijksbouwmeester werd bracht hij de Eénprocentsregeling tot stand, die nog altijd bestaat.
Friedhoff zou zich na Enschede altijd toeleggen op het grotere werk – postkantoren, scholen, kerken, ministeries en monumenten, zoals dat voor Van Heutsz in Amsterdam. In het monumentale ontwerp steeg de architectuur immers uit boven het gewone, als ‘een bewuste daad van de menselijke geest die boven de natuur uitgroeit’.

Gijsbert Friedhoff, architect en kunstmakelaar. Rijksmuseum Twenthe, Enschede, t/m 10 januari. In het stadhuis van Enschede worden rondleidingen verzorgd