Een protestbeweging zonder denkers

Geen politicus, vakbondsleider of CEO weet hoe hij met Occupy in contact kan komen. Het handboek van de beweging biedt ook geen uitkomst.

Bij wijze van ludieke actie plaatste kunstenaar Arturo di Modica onlangs stiekem een bronzen beeld van een briesende stier op het Amsterdamse Beursplein. Het is de tweede keer in korte tijd dat het plein tussen De Bijenkorf en Berlage’s beursgebouw dient als podium om het kapitalisme aan de schandpaal te nagelen. In de herfst van vorig jaar bivakkeerde Occupy Amsterdam op die plek. In meer dan duizend steden over de hele wereld was toen hetzelfde tafereel zichtbaar: een minisamenleving die woonde in koepeltentjes, vergaderde via de human mic en een appeltje te schillen had met bankiers, beurshandelaren en politici die de oren laten hangen naar de financiële sector. Nu, bijna een jaar nadat Occupy de kop op stak, lijkt er weinig over van de beweging. De tentenkampen zijn opgeruimd, op de websites verschijnt nog maar mondjesmaat nieuws. Wat blijft zijn beelden (de grijnzende maskers, de kleurige tenten) en een enkele slogan (‘Wij zijn de 99%!’). Wat Occupy precies wilde, werd nooit helemaal duidelijk. Ze waren boos op de Wall Street-economie, woedend vanwege scheef verdeelde welvaart, gefrustreerd vanwege de greep van het bedrijfsleven op de politiek. Maar voorstellen voor hoe het anders moest, bleven uit.

Van meet af aan is de vinger op die zwakke plek gelegd. De eerste leus was nog niet op het karton gestift of het verwijt klonk dat Occupy geen wensenlijst voor de politiek had. In ons land was de kritiek nagenoeg unaniem. Waar betogers in New York regelmatig bezoek kregen van prominente intellectuelen als Joseph Stiglitz en Slavoj Zizek moesten hun collega’s in Amsterdam het stellen met neerbuigend commentaar in de dagbladen en met sarcasme van weblogs als Geenstijl. Toch wekten de manifestaties wel degelijk sympathie. Dat gestaalde actievoerders – krakers, andersglobalisten – zich graag in de Occupy-kampen vertoonden, is weinig verrassend. Maar tussen de demonstranten stonden net zo goed huisvaders, moeders met een halve baan en zelfs in het pak gestoken bankiers. ‘Occupy has the rare distinction of being a protest movement that even its objects of attack can find little fault with’, zo vat het onlangs verschenen Handboek Occupy de publieke opinie over de demonstraties samen.

The Occupy Handbook – ongebleekt papier, knalrood omslag met witte graffitiletters – zet de lezer in eerste instantie op het verkeerde been. Het boek is alles behalve een activistenbijbel. De ruim vijfhonderd pagina’s bestaan uit korte bijdragen van journalisten, wetenschappers en activisten die hun gedachten laten gaan over ‘waar Occupy vandaan kwam en wat haar toekomst is’, aldus samensteller Janet Byrne, die verslag deed van Occupy Wall Street voor onder meer de The Huffington Post. Ze wist grote namen te strikken. _Financial Times-_columnist Martin Wolf, topeconomen Jeffrey Sachs en Robert Shiller: allemaal stuurden ze keurig een bijdrage in. Er waren duidelijk geen instructies vooraf. De verzameling korte essays heeft nog het meest weg van een associatiespelletje: als ik zeg ‘Occupy’, wat komt er dan in je op?

_L.A. Times-_columnist Michael Hiltzik komt op de proppen met Francis Townsend, voorman van een beweging die tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig als eerste Amerikaan een ouderdomspensioen bepleitte. Op een ochtend in 1933 zag Townsend, een gepensioneerd arts uit Californië, drie bejaarde vrouwen door het afval wroeten, schrijft Hiltzik. Uit dat tafereel putte hij inspiratie voor een ingenieus plan om iedereen boven de zestig jaar tweehonderd dollar in de maand te garanderen, op voorwaarde dat iedere cent direct werd uitgegeven. Het sloeg in als een bom. Binnen een jaar telde de Townsend-club een miljoen leden, die namens het grijze deel van de bevolking (al snel ‘de 5%’ gedoopt) de federale overheid onder druk zette. Economen maakten gehakt van Townsends idee, maar zijn volgelingen legden politiek gewicht in de schaal. Uiteindelijk werd een ouderdoms­uitkering opgenomen in de sociale-zekerheidswetten die president Roosevelt na 1934 invoerde. Een behoorlijk progressieve keuze voor die tijd: Nederlandse oudjes moesten tot 1956 wachten op de aow.

The Occupy Handbook barst van dit soort verhalen over grassroots-_protestbewegingen. Zo vertelt historicus Philip Dray de geschiedenis van vier zwarte studenten uit Greensboro, North Carolina, die in februari 1960 plaats­namen in een café op stoelen gereserveerd voor blanken. De sit-in zette een hele keten van geweldloos verzet tegen de segregatie in gang. Net als Occupy hadden ‘de vier van Greensboro’ geen politiek manifest. Simpelweg aanwezig zijn was voldoende om onrechtvaardigheid aan de orde te stellen. ‘Elke generatie komt in aanraking met een politiek, economisch of sociaal probleem dat om verzet vraagt’, is de wijsheid waarmee Philip Dray zijn stuk over Greensboro afsluit. En al werd het Townsend-plan nooit werkelijkheid, het laat wel zien dat de politiek van onderaf te beïnvloeden is, meent Micheal Hiltzik. Beiden hebben gelijk, maar de logische vervolgvraag, ‘wat zegt dat over Occupy?’, laten ze liggen. De bal wordt op de stip gelegd, de lezer mag hem inschieten. Dat geldt ook voor de essays van de economen. Zowel Paul Krugman als Nouriel Roubini steekt een pleidooi af over hoe inkomensongelijkheid economische groei remt. Denkt Occupy er ook zo over? Wil ze meer nivellering? Moet ze dat willen? Antwoorden geeft _The Occupy Handbook niet.

Dat levert de krasse situatie op dat Occupy veelal afwezig is in haar eigen handboek. Verhandelingen over jongerenwerkloosheid, de schuldeneconomie, een middenklasse in verdrukking – de bundel bevat ze te over. Maar wat dat zegt over de protesten in Zucotti Park bij Wall Street, op de trappen van Saint Pauls Cathedral, Londen of in welk financieel centrum dan ook, blijft onvermeld. Wat ook niet helpt: de meeste auteurs zijn toeschouwers die Occupy vanaf de zijlijn gadesloegen, weliswaar met sympathie, maar van veilige afstand.

Je vraagt je af of de beweging zelf geen denkers kent. Was er geen Occupyer te vinden met een scherp analytisch vermogen en een vlotte pen? Mogelijk, maar waarschijnlijker is dat een essaybundel slecht samengaat met de hedendaagse protestethiek. Intellectuele beschouwingen zijn ingeruild voor Twitter-berichten en een opgestoken duim op Facebook. Bovendien zit Occupy zichzelf in de weg. De actievoerders waren geobsedeerd door gelijkwaardigheid. Ze ageerden tegen machtsconcentratie, of dat nu in de politiek, in het bedrijfsleven of in de eigen gelederen was. Dus geen actieleiders en geen mediagenieke woordvoerders. In plaats daarvan: ellenlange vergaderingen. Een uitslag kwam er pas als de deelnemers unaniem waren. ‘Een experiment met directe democratie’ heette dat. Dat is mooi, maar als er nu iemand naar voren zou stappen om op persoonlijke titel de Occupy-protesten toe te lichten, dan is dat verraad aan de eigen uitgangspunten.

Eén persoon is uitgezonderd van Occupy’s radicale gelijkheidsethiek: David Graeber, antropoloog aan Goldsmiths College in Londen, bedenker van de 99%-slogan en nauw betrokken bij Occupy Wall Street. Als enige in het handboek beschrijft hij de beweging van binnenuit. De demonstranten weigerden met een puntenlijstje te komen, omdat ze daarmee impliciet de legitimiteit van het politieke systeem zouden erkennen, aldus de anarchist Graeber. De keuze om de openbare ruimte te bezetten, het ontbreken van woordvoerders: allemaal zijn het ­uitingen dat Occupy lak heeft aan de spelregels van de liberale democratie.

Het stuk van Graeber laat zien waarom het gesprek tussen Occupy en haar tegenstanders er een tussen doven blijft. Politici, de financiële wereld, de pers – iedereen verlangt van Occupy dat ze komt met meer dan alleen ‘nee’. Voor Graeber en de zijnen is het verwijt dat Occupy te veel op zichzelf gericht is bijna een compliment. In die patstelling trekt de beweging waarschijnlijk zelf aan het kortste eind. Want, ook al heeft Occupy wereldwijd de dialoog over ongelijkheid veranderd, zoals The Occupy Handbook claimt, vooralsnog lijkt het praten tot niets te leiden. Salarissen van topbankiers stegen in het afgelopen jaar met twaalf procent. Het circus van wankele banken die zonder tegenprestatie met belastinggeld overeind worden gehouden, begint weer van voor af aan.

Natuurlijk moeten we geduld hebben, zoals het boek herhaaldelijk maant. Voor alle sociale bewegingen geldt dat het vaak jaren duurde voordat ze resultaat boekten. Maar er is een verschil: de voorgangers van Occupy hadden een langere adem, waren beter georganiseerd en voegden zich naar bestaande structuren. De Townsend-beweging had honderden lokale afdelingen met een bestuur, statuten en vergaderingen. De emancipatie van zwarte Amerikanen liep uiteindelijk via de stembus. Occupy daarentegen viel net zo plots uit elkaar als ze ontstond. Geen politicus, vakbondsleider of ceo weet wie hij moet bellen om met Occupy in gesprek te gaan. Zelf zoeken ze geen aansluiting uit vrees ‘geannexeerd’ te worden.

De vraag is of Occupy niet te veel verstrikt is geraakt in haar eigen non-conformisme. De voorbeelden uit The Occupy Handbook leren dat een succesvolle protestbeweging op het juiste moment de blik naar buiten richt. Verschillende bijdragen memoreren de Chileense studentenprotesten tegen de vermarkting van het onderwijs in hun land, die tegelijk met Occupy plaatsvonden. In plaats van ze buiten te houden, sloegen de studenten de handen ineen met gelijkgestemde actiegroepen. Hun manifestaties waren gericht op zittende politici. Inmiddels worden de Chileense hoger-onderwijswetten herzien. ‘Had Occupy meer politiek moeten denken?’ vragen verschillende auteurs zich terecht af. Hoe dat te doen, is te zien in het slot van The Occupy Handbook, waar het meest creatieve deel van de auteurs zich ophoudt. Occupyers kunnen een plan smeden voor een collectieve schuldenstaking, oppert Lawrence Weschler, journalist voor The New Yorker. Weigeren hypotheken, studiebeurzen en het krediet voor de auto terug te betalen is een aardig middel om banken onder druk te zetten. Zoals ­Keynes al zei: als je de bank duizend pond schuldig bent, heb je een probleem. Als je een miljoen in het rood staat, heeft de bank een probleem.

Een oproep tot een debt jubilee, het massaal kwijtschelden van schulden, komt van econoom Micheal Hudson. ‘Schulden zijn als handboeien voor de economie’, is zijn stelling. Inkomen gaat op aan rente in plaats van aan goederen en diensten. Het afschrijven van hopeloze leningen is volgens Hudson de ideale manier om de haperende economieën van Europa en de VS aan het rollen te krijgen. Dat voorstel is minder absurd dan het klinkt: het gebeurde in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog, in de staat New York toen die nog een kolonie was en in het Athene van de zesde eeuw voor Christus waar de staatsman en dichter Solon de eerste schuldenliquidatie van de geschiedenis bedacht.

Het zijn provocatieve bijdragen als deze die The Occupy Handbook de moeite waard maken. Het is geen leerboek ‘hoe bezet ik het Beursplein’. Wel leert het waaróm je dat zou doen. Het simpelweg absurde gegeven dat de rijkste één procent van de bevolking steeds rijker wordt, terwijl grote delen van de 99 procent gebukt gaan onder een verlammende schuldenberg blijft in geen bijdrage onvermeld. Mochten de tenten binnenkort weer worden opgezet als protest tegen het casinokapitalisme, dan bevat The Occupy Handbook in ieder geval voldoende verhaaltjes voor het slapen gaan.


Janet Byrne (ed.), The Occupy Handbook. Back Bay Books, 535 blz., € 18,99