Een provocerende balkan- zwangerschap

Ismail Kadare, Maannacht. Vertaald door Jacqueline Sheji, uitgeverij Van Gennep, 99 blz., \f28,50
AAN HET SLOT van de roman Maannacht wordt het meisje Marianne een nieuwe Maagd Maria genoemd. In het laboratorium waar ze werkzaam is, slaat niemand nog acht op het feit dat ze zwanger is van een onbekende.

Die ruimdenkendheid van haar omgeving spreekt niet vanzelf. Ten eerste speelt het verhaal, dat de Albanese schrijver Ismail Kadare in de mond van een verteller legt, zich af in Tirana, de hoofdstad van een Albanie dat in dit verhaal nog altijd socialistisch is. Ten tweede was Marianne amper enkele maanden daarvoor op het werk het mikpunt geworden van een hysterische hetze die culmineerde in de beschuldiging dat ze een soort madame Bovary zou zijn, een lichtzinnig schepsel dat het met de socialistische moraal niet nauw zou nemen.
Op het hoogtepunt van de campagne die tegen haar wordt gevoerd, wordt Marianne tijdens een vergadering van het personeel bijna gedwongen om aan de hand van een medisch attest te bewijzen dat ze nog maagd is. Volgens haar vrienden is dat de enige manier om de kwatongen het zwijgen op te leggen. Helemaal in de war, gekwetst tot in het diepste van haar wezen, gaat Marianne vanuit haar werk naar de kliniek. De sympathieke dokter bespaart haar echter een vernederend onderzoek en attesteert haar maagdelijkheid zonder meer. Op de terugweg scheurt Marianne het attest aan snippers en gaat ze naar huis. De personeelsvergadering zit inmiddels vergeefs op het bewijs van haar onschuld te wachten.
ER IS IETS met het verhaalperspectief, want de passage in de kliniek kan onmogelijk vanuit het standpunt van de ik-verteller worden verhaald. Het is juist belangrijk dat de verteller, die het voor Marianne opneemt, niet goed weet wat daar precies gebeurd is. Nergens wordt overigens gesuggereerd dat een getuige hem het relaas uit de kliniek later zou hebben meegedeeld of dat het hem op een andere manier ter ore zou zijn gekomen (al is dat een procede - ‘er wordt verteld dat’ - dat de schrijver ook in zijn andere boeken graag hanteert). De paar meisjes die Marianne naar de kliniek vergezellen, worden zelfs uitdrukkelijk door haar weggestuurd. Nergens wordt ook maar gesuggereerd dat een van Mariannes kennissen gezien zou hebben dat ze het attest verscheurde. Hoe is het dan mogelijk dat er op de fabriek dagenlang over dat gebaar van Marianne wordt nagepraat? Het verhaal zou geloofwaardiger zijn uitgevallen als de schrijver ons de beschrijving van de ziekenhuisscene had bespaard: ze is nergens voor nodig, ook niet om te bewijzen dat er in 1985 in Tirana dokters waren die het opnamen voor vernederde vrouwen.
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat Kadare zelf heeft aangevoeld dat de trein van zijn verhaal voorgoed op een verkeerd spoor was terechtgekomen. De vertelling, die tot dan toe strak en beheerst verliep, begint te meanderen in de mist. Het ik-personage, dat een beetje verliefd is op Marianne, verbeeldt zich hoe het met haar had kunnen aflopen. Hij doet dat in drie versies. In de eerste pleegt ze zelfmoord, in de tweede werpt ze zich in de armen van de verteller, in de derde versie leeft ze verder als een verbitterde vrouw. Maar deze vruchten van de verbeelding moeten het afleggen tegen de werkelijkheid: Marianne verschijnt na drie dagen weer op het werk. Een paar maanden later kan ze haar zwangerschap niet meer verbergen en ze doet daar ook geen enkele poging toe. Niemand vraagt haar uitleg en zij geeft die ook niet. De storm is uitgewoed en 'het allervreemdste was dat we het allemaal de normaalste zaak van de wereld vonden (hoewel er bij ons op het Balkanschiereiland helemaal niets normaals aan was), en ondanks onze neiging ons te verbazen merkten we dat we daar steeds minder toe in staat waren’, merkt de verteller op. Hij vraagt zich ook af of Marianne met haar provocerende zwangerschap het personeel op de proef wil stellen en het de kans wil geven om 'ons geweten tot op de bodem schoon te wassen’.
AAN MAANNACHT is niet alleen verteltechnisch iets niet in orde, het verhaal ontaardt ook in langdradige stichtelijkheid. Het is dan ook niet verrassend dat zelfs het taalgebruik hieronder lijdt. De beeldspraak die Kadare in Maannacht hanteert, heeft niets van de schittering die de rest van zijn oeuvre kenmerkt. Wat moet je met een onbehouwen vergelijking als: 'De geruchten rond haar zwangerschap waren, vergeleken met het kabaal van een tijd tevoren, zo zwak als het schichtige wegschieten van een salamander vergeleken met de angstaanjagend dreunende gang van zijn voorvader, de dinosaurus.’
Valt er dan niets goeds over deze 'roman’ te vertellen? Jawel. Het eerste en het tweede hoofdstuk zijn magistraal in sfeerschepping. Het verhaal opent met een personeelsfeestje waarop de roddelmachine tegen Marianne op gang wordt gebracht. Marianne wordt ervan beschuldigd dat ze een poging heeft gedaan om de verloofde van Nora af te pakken. Nora, die in het verleden nooit aandacht van haar omgeving heeft gekregen, zet daarom een nietsontziende campagne tegen Marianne op touw. Niet zozeer omdat ze Marianne haat, maar omdat dit de enige manier is om in het centrum van de belangstelling te blijven staan.
Nora begint pas echt te haten als blijkt dat Marianne zich absoluut niet voor haar minnaar interesseert. Daardoor voelt Nora zich gedeklasseerd: het bezit van de minnaar wordt waardeloos zodra blijkt dat hij niet door de vermeende superieure rivale wordt begeerd. Hier raakt Kadare de grote en universele thema’s aan van afgunst en nijd, en hij verwoordt ze met de koude passie die we van hem gewend zijn. Maar de schrijver houdt het niet vol.
Ooit heeft Kadare de romans en verhalen uit zijn oeuvre terecht vergeleken met de sterren aan het uitspansel, want aan de hand van het ene boek kan men zich in het andere orienteren. Deze Maannacht, die zo veelbelovend begint, eindigt helaas in provinciale duisternis.