Een pruisische puccini

Berlijn lijkt op het eerste gezicht een stad die graag haar internationale karakter benadrukt. De band die de Noorweegse schilder Munch met de stad onderhield wordt op een grote overzichtstentoonstelling uit de doeken gedaan. Georg Grosz is een mooie aanleiding de banden met New York nog eens aan te halen. En de Berliner Festwochen staan dit jaar in het teken van een grootse uitwisseling tussen Berlijn en Moskou.

Echter, wie zich in Berlijn op het terrein van de opera begeeft, valt met zijn neus in de provinciale boter. De bezoeker van Puccini’s Il trittico, die deze maand in de Komische Oper te zien is, zal vergeefs zoeken naar de originele titels van dit drieluik en moet zich behelpen met Der Mantel, Schwester Angelica en Gianni Schicci. Waar wij in Nederland in staat zouden zijn deze drie eenakters in een authentiek Italiaans dialect uit de jaren twintig op te voeren, zien onze oosterburen er geen been in het complete libretto in het Duits te vertalen. Onder het mom de thematiek dichter bij de mensen te brengen, aldus artistiek leider Harry Kupfer.
Het zou allemaal niet onoverkomelijk zijn als er op z'n minst een verhelderend programmaboek verkrijgbaar was. Alles wordt daarin namelijk beschreven, behalve de handeling - laat staan dat het libretto erin is afgedrukt. Met een bewonderenswaardige beknoptheid worden de operaatjes samengevat. Zo handelt Schwester Angelica over de volgende geschiedenis: ‘Zuster Angelica doet sinds zeven jaar boete in een klooster wegens de geboorte van een buitenechtelijk kind. Als zij hoort dat haar zoon is overleden, beneemt ze zich het leven om haar kind in het hiernamaals weer te zien.’ Efficienter kan het niet. Het gevolg is echter dat je je een halve opera lang suf zit te piekeren wie van de dertig in identiek wit gestoken nonnen zuster Angelica zal zijn.
Wel wordt omstandig uitgelegd hoe in deze drie mini-operaatjes het leed van de wereld, het menselijk tekort en Puccini’s 'even illusieloze als liefdevolle blik’ op de mensheid vervat zijn. Net zoals Kupfers eigen ensceneringen vaak topzwaar van de symboliek zijn, geldt dat hier voor het boekje.
Maar gelukkig niet voor de regie door Christine Mielitz, die drie subtiele smaakvolle drama’s neerzet. Der Mantel (oftewel Il tabarro), die handelt over een driehoeksverhouding waarbij de minnaar zijn avontuur met de dood moet bekopen, valt op door een mooie, levensechte personenregie. Zoals haast onvermijdelijk is bij Puccini, is de aankleding realistisch: een schip dat aan de kade ligt om te lossen - en zelfs wordt er uitgesproken 'veristisch’ met zakken cement gesjouwd. Christine Mielitz voegt daar echter een prachtig slotbeeld aan toe: onder de slotakkoorden wordt de loopbrug opgehaald en het schip vaart weg, waarmee Giorgetta op een wel heel benauwende manier tot een huwelijk met een moordenaar wordt veroordeeld.
Iets dergelijks doet Mielitz in Suor Angelica. Niet haar zelfmoord is het meest aangrijpende moment. Die valt eerlijk gezegd een beetje tegen. Het smetteloze, Omo-witte decor - dat alleen doorbroken wordt door een in ravenzwart gestoken tante die het doodsbericht brengt - smeekt om veel rood bloed. Daarom is het een anticlimax als Angelica gif inneemt. Het echte drama speelt zich echter af als alle andere nonnen Angelica letterlijk de rug toekeren, omdat ze zich met zoveel verdriet geen raad weten.
Gianni Schicci, de bekendste van het drietal, is een onomwonden klucht die met alle bijbehorende theatraliteit en meligheid gebracht wordt. Gevoegd bij een prachtig spelend orkest, uitstekende solisten en als enige stoorzender een nu en dan ongelijk zingend koor, presenteert de Komische Oper met deze zelden in zijn geheel opgevoerde triptiek een mooie voorstelling.
Alleen die neiging alles willen te verduitsen blijft onbegrijpelijk. Van de Alpentenuetjes in Gianni Schicci tot de vulgaire, on-Italiaanse liefdesscenes in Der Mantel - de Duitse horizon reikt niet ver.