MARGRIET DE MOOR, EERST GRIJS DAN WIT DAN BLAUW

Een raadsel dat haar haren kamt

Margriet de Moor heeft al in haar debuutroman het raadselachtige vermogen met niks alles te zeggen.

Margriet de Moor, Eerst grijs dan wit dan blauw, € 12,50

Eerst grijs dan wit dan blauw (1991) was de eerste roman van Margriet de Moor; ervoor publiceerde ze twee verhalenbundels, Op de rug gezien (1988) en Dubbelportret (1989). Haar werk viel van meet af aan in goede aarde, zowel bij de lezers als bij de literaire kritiek. Op de rug gezien werd genomineerd voor de Ako Literatuurprijs en was het best verkochte debuut van 1988 (en daarmee goed voor Het Gouden Ezelsoor). Met Dubbelportret won ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Het is begin jaren negentig, hoogtijdagen voor A.F.Th. van der Heijden (Advocaat van de hanen), Joost Zwagerman (Vals licht) en Ronald Giphart (Giph). Connie Palmens debuutroman De wetten verscheen in hetzelfde jaar als Eerst grijs dan wit dan blauw. Arnon Grunberg dacht nog dat hij acteur ging worden.
Rond De Moor ontstond weliswaar niet zo'n hype als rondom Palmen, maar haar persoonlijke schrijversverhaal - de 47-jarige pianolerares, afgestudeerd aan het conservatorium, die zomaar eens wat op losse papiertjes aan de eettafel begon te krabbelen - sprak wel meteen ook tot de verbeelding. Haar muzikale achtergrond, behalve piano ook zang, zette ze in als verklaring voor haar onmiddellijk opvallend beheerste schrijftechniek.
‘Mijn denken is nu eenmaal gevormd door muziek en muziektheorie’, zei ze in een interview, 'ik weet altijd direct wat voor boek het wordt, hoe de stem van het boek klinkt, hoeveel pagina’s het ongeveer zal bestrijken. Bij ieder deel ken ik de toonsoort die hoort bij de beoogde stemming, bijvoorbeeld levendig of juist bezonken. Ik maak daarover korte notities, wat er moet gebeuren en in wat voor tempo.’
Voor Eerst grijs dan wit dan blauw ontving De Moor in mei 1992 de Ako Literatuurprijs. De andere genomineerden waren Nico Dros met Noorderburen, Eric de Kuyper met Grand Hotel Solitude, Nelleke Noordervliet met Het oog van de engel, Jacq Vogelaar met De dood als meisje van acht en Joost Zwagerman met Vals licht.
De jury vond dat met de originele structuur van Eerst grijs dan wit dan blauw, en het originele taalgebruik, De Moor haar eerdere 'zo beloftevolle verhalen’ overtrof. 'Zij schetst in stemmig, sensitivistisch proza, dat trefzeker de complexe ervaringswereld van de personages oproept, een ijle, autistische wereld waarin de vijf hoofdpersonen, in eigen verwarring en isolement verstrikt, als tot eenzaamheid gedoemde planeten in een weids heelal elkaar wel kunnen waarnemen, maar nauwelijks kunnen bereiken.’
Een complexe zin om een complexe roman te kenschetsen, die ook op mij destijds diepe indruk maakte. Ik was nog geen criticus maar kan in de leesboekjes die ik destijds bijhield nalezen hoe enthousiast ik was, en hoezeer ik ook het idee had iets nieuws te lezen. In een week tijd las ik vlak nadat ze de Ako Literatuurprijs had gewonnen alle drie de boeken van Margriet de Moor, keurig op volgorde. Letterlijk schreef ik: 'Ik kan er niet over uit wat een interessante schrijfster dit is.’ Eerst grijs dan wit dan blauw vond ik nog sterker dichterlijk dan haar verhalen, die ik een beetje onmachtig al had gekenschetst als nog het meest lijkend op gedichten. Voor alle duidelijkheid: op zich een stijl, poëtisch, waar ik een hekel aan heb, en destijds ook. Ik noteerde: 'Heel veel zinnen bestaan uit niet meer dan twee of drie woorden bijvoorbeeld, iets waar ik in principe niets van moet hebben, maar hier stoort het wonderwel niet.’
Bij herlezing is het niet moeilijk opnieuw in de ban te raken van deze magische roman. Opnieuw ook van de springerige stijl van De Moor, die alle wetten lijkt te tarten van langzaam en chronologisch vertellen. Grammaticaliteit, tijd, perspectief, chronologie, alles verspringt en is in beweging. Schetst ze bijvoorbeeld iemands levensgeschiedenis dan is het: 'Soms draagt ze kniekousen, soms sokjes, en ten slotte, het is zomer, is daar een achttienjarige met glanzende benen en een vloed van metaalblond haar.’ Of hoe ze in steekwoorden een routine beschrijft: 'Oude vrienden. Confidenties en confrontaties vanaf een vroegste jeugd. Een uitnodiging, nee een sommatie om op zondagmiddag te komen eten.’ Ik ken (nog steeds) geen schrijver die dat op deze manier doet.
Destijds schreef ik op dat de roman in abstracto gaat over de onmogelijkheid om ooit echt iets van een ander te begrijpen, een ander te leren kennen. In extreme vorm wordt dit getoond in de persoon van de autistische baby, die ik toen overigens nog zwakzinnig noemde omdat ik het begrip autisme nog niet kende. Die baby, de zoon van Nellie en Erik, moet met geweld tot intimiteit met z'n moeder worden aangezet, en verliest zichzelf als jongen uiteindelijk in de sterren.
Ook een extreme geschiedenis is die van Magda, die zomaar twee jaar verdwijnt, terugkeert en niets vertelt over wat ze heeft gedaan in die tijd. Dit zwijgen wordt haar noodlottig, echtgenoot Robert vermoordt haar. Door de sprongen in de tijd en de verschuivingen in point of view weet de lezer wel wat Magda heeft gedaan. Ze heeft de plekken uit haar leven opgezocht, de Cevennen, Canada, Tsjechoslowakije, Berlijn, omdat ze haar autobiografie 'schrijft’. Met Nellie en Erik lijkt, ondanks hun zoon, niet veel aan de hand, maar Nellie weet niet dat Erik haar 'bedrogen’ heeft met Magda.
Wat ik toen vooral geweldig vond was hoe De Moor de spanning aangeeft tussen alle kleine, banale, dagelijkse dingen waaruit een mens eigenlijk volledig wordt opgebouwd en het feit dat juist die dingen voor een ander nooit kenbaar zijn. Ze laten namelijk geen sporen na, ze razen voorbij. 'Steeds meer kleine stations waar mensen naast hun bagage stonden te wachten, met heel hun wezen, ze waren verdwenen voor ze het wisten, grijs, vormloos, miskend door een dommelend gezelschap dat zich zo snel als maar kon van A naar B wenste te verplaatsen.’
Nu denk ik duidelijker te kunnen zien dat de roman gaat over ongrijpbaarheid, en de moeilijkheid het mysterie van de ander intact te laten. Daar is Magda, de buitenlandse, in de schoot gevallen van Robert. Zijn mooie vrouw die zomaar verdwijnt op een dag, en na twee jaar denkt gewoon weer de draad op te kunnen pakken zonder iets toe te lichten. En daar is Nellie, die Gaby baart die al bij de geboorte zijn handjes ineen wringt en niet te vatten blijkt. Magda en Gaby krijgen ook een stem in deze roman. Vooral uit het verhaal van Magda blijkt dat ook zomaar een ander leven mogelijk was geweest. Hoe lichtzinnig en tegelijkertijd wreed dat te beseffen. 'Opeens kwam ik op het idee dat mijn leven met Robert een gedicht was geweest. (…) Zou het ook mogelijk zijn dat gedicht in handen te nemen en het boven een stenen vloer los te laten?’
Erik, de man van Nellie, beste vriend van Robert, belandt met de geheimzinnige Magda in bed. Hij denkt iets opgehelderd te krijgen van haar, maar nee. Ook Nellie wordt geen cent wijzer van haar vriendin, probeert zichzelf te sussen: 'Mensen zijn raadsels, accepteer dat toch gewoon (…).’ Ondertussen moet ze haar zoon van de kenners onderwerpen aan een therapie van gedwongen koestering: 'Niet toegeven, was haar gezegd. Hou vol tot het kind zich overgeeft, zich tegen u aanvlijt en voor het eerst in zijn leven uw ogen vindt, u mag niet zwichten!’
Ook voordat Magda verdwijnt, heeft Robert al moeite haar te peilen. In een flits weet hij: 'deze vrouw zal altijd iets voor mij achterhouden!’ Hij ziet haar als een 'fabeldier’, een 'blauwe bloem’, 'een raadsel voor iedereen behalve voor mij’. Maar na die twee jaar afwezigheid moet hij erkennen 'naast een goedgehumeurd raadsel te leven dat haar haren kamt en het huis op orde houdt’.
Bij het overnemen van de citaten merk ik al dat het waarschijnlijk niet werkt, die geïsoleerde tekstfragmenten. En meen ik me te herinneren dat er ook nogal wat mensen toen de spot dreven met haar stijl, al heb ik daar op schrift niet echt iets van terug weten te vinden. Sterker misschien nog wel dan andere schrijvers doet De Moor een beroep op de ontvankelijkheid van de lezer, zijn bereidheid zich door haar mee te laten voeren. Er is in haar boeken altijd iets in het begin dat hort, dat maakt dat je even een sprongetje moet maken om vervolgens op haar voorwaarden verder te kunnen gaan. Ben je eenmaal zo ver, dan wordt vervoering je deel. De Moor heeft het raadselachtige vermogen met niks alles te zeggen. Zowel haar schrijfstijl als haar verhaalopbouw is tastend, omzichtig en licht etherisch. Niet de wetten van het plaveisel dicteren verteltoon en verhaallijn, maar die van het onderliggende moeras.
De stijl van De Moor lijkt voortdurend achteloosheid uit te drukken, zowel in woordkeuze als in wat er wordt beschreven. Tegelijkertijd is het een stijl die permanent op de rand van de hysterie verkeert. Er wordt veel uitgesproken, maar altijd de onduidelijkheden, de grote woorden. Bijvoorbeeld: 'Deze dag komt, gaat voorbij en zal net zo verontrustend zijn als de voorafgaande dagen.’
De ontvangst van Eerst grijs dan wit dan blauw was over de hele linie genomen positief. Hier en daar met wat reserve (Robert Anker in Het Parool vond de roman tot zijn eigen verbazing niet echt beklijven, Hans Warren in PZC vond de roman niet in balans, maar wel 'opvallend’), maar bewondering overheerst. Anthony Mertens noemde haar in deze krant een schrijfster van 'steelse literatuur’, omdat je steeds het idee hebt dat ze iets achterhoudt. Veel personages zijn zwijgzaam, in zichzelf gekeerd, hun blik is naar binnen gericht. Wat zij daar binnen zien, moet iets zijn wat het verstand te boven gaat. Arnold Heumakers, toen nog recensent voor de Volkskrant, vond dat De Moor een meesterproef had geleverd. Carel Peeters in Vrij Nederland: 'Niets wordt uiteindelijk echt duidelijk, maar De Moor schrijft geïnspireerd en transparant.’ Jaap Goedegebuure in HP/De Tijd vond Eerst grijs dan wit dan blauw een van de beste romans die hij in tijden las, al plaatste hij dat wel in een beetje twijfelachtige context van 'literatuur van vrouwen’. Tom van Deel in Trouw had het over 'een volle roman’, 'een logisch en raadselachtig verhaal’ dat grote indruk maakt. Doeschka Meijsing in Elsevier vond dat De Moor zonder het ooit met zoveel woorden te benoemen jaloezie blootlegt. 'De jaloezie van iemand die liefheeft (…) plus de wanhoop daarover, die niet eens zoveel met bezitsdrang te maken heeft.’ IJl en concreet tegelijkertijd noemt ze het boek, 'met recht een roman van de allerhoogste orde’. Reinjan Mulder in NRC Handelsblad vond het al een schande dat De Moor met Dubbelportret niet de Ako Literatuurprijs had gewonnen, het leek hem de hoogste tijd dat dat nu dan zou gebeuren met Eerst grijs dan wit dan blauw.
Deze overweldigend positieve ontvangst, van net een andere generatie critici, ontkracht de mythe dat waarlijk relevante literatuur nooit weerklank zal vinden in zijn eigen tijd. Eerst grijs dan wit dan blauw is een onverminderd fascinerende roman, waarvan ik me niet kan voorstellen dat die nu minder enthousiast zou worden onthaald. 'Ongewoon’ en 'knap’ zijn de terugkerende kwalificaties in de recensies, en dat geldt nog steeds voor het werk van De Moor. Haar latere romans en verhalen kregen misschien meer wisselende kritieken, en vielen ook niet meer in de prijzen, maar ik ben geneigd te denken dat dat te maken heeft met de toenemende kunstzinnigheid van haar werk, en niet met een wezenlijk ander literair klimaat.

MARGRIET DE MOOR
EERST GRIJS DAN WIT DAN BLAUW
De Bezige Bij, 461 blz., € 12,50 (oorspronkelijk verschenen bij Contact, 1991)