Briefwisseling: Tom Lanoye & Alfred Schaffer

Een rad dat ook zonder hamsters rondtolt

In een correspondentie reflecteren de Vlaamse auteur Tom Lanoye en de Nederlandse dichter Alfred Schaffer op de stemming in hun Lage Landen. Beiden vanuit hun tweede vaderland Zuid-Afrika. En beiden met verbazing, verbijstering én jaloezie.

Beste Alfred,

Je scheen aan de telefoon mijn relaas amper te geloven, maar hand op het hart: René en ik hádden eind januari tickets aangeschaft voor onze retourvlucht Kaapstad-Brussel, via Lufthansa, en vlak vóór ons afreizen werden we, jawel, gecanceld. Niet onze vlucht. Wij. Niet eens per mail of sms. We konden gewoon niet meer digitaal inchecken, al stond onze vlucht nog steeds aangekondigd. De Belgische consul, die ook had geboekt, kon pas na veel bellen en aandringen de reden achterhalen.

Omdat op korte tijd veel maatschappijen abrupt waren gestopt met vliegen op Zuid-Afrika had Lufthansa even abrupt beslist om alleen nog Duitse ingezetenen te transporteren. In mijn nasmeulende woede had ik hier bijna geschreven ‘alleen nog Rijks-Duitsers’. De enige uitzondering betrof níet de vaste reizigers van zustermaatschappijen als Brussels Airlines, wél reizigers in transit, voor zover hun eindbestemming buiten Schengen lag. Dat klinkt vast surrealistisch en krom, maar het is de botte waarheid. En ook een bittere pil voor diehards van de Europese Gedachte zoals wij.

Het virus legt tevens, wereldwijd, akelig nationalistische funderingen bloot. Op de vrije markt spelen farmaceuten al maandenlang rijke landen tegen elkaar uit en zetten zodoende alle andere spelers in de vrieskou. Met woekerprijzen tot gevolg, nog vermeerderd door het nationale hamsteren van entstoffen. Canada verwierf er op een bepaald moment genoeg om zijn bevolking vijf keer in te spuiten. Het kan ook negen keer geweest zijn – Canadezen houden van bereden politie en andere paardenmiddelen. Op interlandelijk niveau geldt echter opnieuw en onveranderlijk de leuze ‘Eigen volk eerst’. Van vliegtuig tot vaccin.

Gelukkig bleken ook andere zekerheden gemakkelijk weg te kunnen smelten: we hoefden al niet meer af te reizen! Alle visa waren automatisch verlengd, ook de onze. Ja, na al die jaren behelpen mijn vent en ik ons nog steeds met een toeristenvisum van drie maanden per keer. Dat hadden we, als echte toeristen, gewoon even moeten checken op de site van de Zuid-Afrikaanse Home Affairs. Met schaamrood op de kaken beken ik: zo’n simpele maar logische stap als een generale verlenging had ik niet verwacht van een departement waar de willekeur en de incompetentie de afgelopen jaren alleen maar leken toe te nemen. Zoals trouwens in veel andere sectoren en infrastructuren van ons geliefde Zuid-Afrika. Wanneer leidt dat eens tot onherstelbare rampen? En wanneer komt eindelijk de kentering? En wanneer gooien ze die doortrapte en corrupte Jacob Zuma eindelijk eens achter de tralies? Tegelijk – het zal wel een of andere vorm van liefde zijn – schiet ik telkens weer in de verdediging bij elke negatieve gedachte over dit land. Wat hier gebeurt verschilt niet veel van wat geschiedt in de Verenigde Staten. In Texas bleek de overheid onlangs zo ver teruggetreden uit het openbare leven dat het volledig stilviel bij een vrieskouprik, met doden en onherstelbare schade aan allerlei wegen en leidingen. En zie jij Donald Trump ooit veroordeeld worden voor belangenvermenging, corruptie, aanzetten tot insubordinatie, zelfs een coup? State capture! Het woord zindert hier nu al twee jaar rond, in alle tweets en aanklachten en columns over Zuma. Zonder gevolg. Straffeloosheid is het gangreen van elke democratie.

Terug naar een veel knussere werkelijkheid: René en ik zitten hier dus nog wekenlang vast, vrij probleemloos en lekker decadent. Aan de voet van de Tafelberg en op een boogscheut van jou – al duren boogscheuten hier algauw een uurtje om ze te overbruggen. De Kaapse zomer begint langzaam te verkeren in wat men in België nog steeds ‘een prachtige zomer’ zou noemen. En ginds beeft men nog steeds bij het horen van de woorden ‘Zuid-Afrikaanse variant’, die – samen met de Britse en de Braziliaanse – een virusdreiging boven op de virusdreiging lijken te betekenen. Terwijl juist in dit enorme en complexe land de coronacijfers verrassend dalen.

Wat niet gezegd kan worden van een economische kaalslag en werkloosheid waarvan je denkt: hoe komt het dat men uitgerekend in Nederland wél een paar dagen aan het rellen slaat en winkels plundert, en hier niet? Terwijl hier al maanden nog veel strengere lockdownmaatregelen golden dan een simpele avondklok?

De helft van onze Vlaamse vrienden weigert het tijdens onze Zoom-sessies te geloven. Dat hier al twee keer wekenlang – nu goddank niet meer – een verbod bestond op het verkopen, transporteren of openbaar nuttigen van alcoholische dranken. Ik herinner me niet of jij en Karmen rokers zijn – ik dacht het niet – maar jullie kennen vast ook de verhalen van verstokte paffers die gek werden, niet van de coronavrees, maar omdat ook de verkoop van tabak maandenlang verboden was. Met als gevolg: talrijke snaakse verhalen over de zwarte markt en haar rituelen. Een buurvrouw verklapte dat haar zoon, een doctrinaire vegetariër, opeens vaak naar de Poolse slager in de Kloofstraat trok. Na het vermelden van het juiste codewoord bij zijn bestelling kreeg hij een pakje zwarte saffies, handig mee verpakt met zijn pondje boerewors.

Wat ik bij Zuid-Afrikanen blijf bewonderen zijn hun veerkracht en hun humor die zelden sarcasme wordt. Ze lachen met hun lotgenoten die thuis opnieuw het aloude ananasbier probeerden te stoken en er doodziek van werden. Over het koppeltje dat aan het bocht zelfs doodging werd met compassie maar ook een grijns gedebatteerd: mocht je hen bij de Covid-slachtoffers rekenen of trok dat de statistieken scheef? Een begrafenisondernemer werd in hoofdzaak uitgelachen, omdat hij in zijn lijkwagen geen doodskist vervoerde met een afgestorvene erin, wel met tientallen flessen single malt, waarvan er eentje door de schokken was gebroken. De geur verraadde hem bij een wegcontrole, hoewel hij zich probeerde te redden met de smoes dat zijn nonkel in de afgesloten kist zich had doodgezopen. ‘Vandaar die walm, oom Agent!’

Maar onder de grappen klinkt de laatste tijd toch verbittering mee, jegens vooral de westerse landen. Bijna alle vaccins – op die van China, Rusland en India na – zijn in Zuid-Afrika getest, op arme landgenoten die als proefkonijn veel minder kosten dan soortgenoten in bijvoorbeeld onze Lage Landen. Een aantal vaccins wordt hier ook geproduceerd, maar leveringen aan het buitenland krijgen voorrang. Zo werkt niet alleen de onzichtbare hand van de vrije markt. Zo werkt ook, nog steeds, de al te zichtbare hand van het kolonialisme. Je hoeft daar niet eens neo- voor te zetten, de realiteit bleef dezelfde. Dat is althans het sentiment dat ik proef bij veel ingezetenen van mijn tweede vaderland. Met de bijkomende revanchistische gedachte dat ze niet snel genoeg Chinese, Russische of Indiase vaccins kunnen krijgen. Met uitsluiting van alles uit het Westen. En in ruil voor stijgende invloed en zelfs controle vanuit de drie genoemde landen, waarmee ze nu toch al – samen met Brazilië – de brics vormen.

Het zijn evoluties die ik amper in de Nederlandse of Belgische pers terugvind. Maar die, ook lang na deze pandemie, hun sporen zullen nalaten. Net als de kloven die weer zoveel dieper zullen zijn geworden, tussen zij die zich onderwijs kunnen kopen via dure laptops en voldoende airtime, en zij die zich niet eens een mobieltje kunnen permitteren. Hoezeer word jij daarmee geconfronteerd, in Stellenbosch? Hoe is het überhaupt, om les te moeten of te mogen geven in deze barre, bizarre tijden? Ik lees het graag.

Hallo Tom,

Het is wederom gelukt, ik heb gestemd! Ik weet niet hoe België dat heeft geregeld, en of jij überhaupt vanaf hier stemt of eerder gewoon in Antwerpen, maar je wordt dus per mail op de hoogte gebracht van de aanstaande verkiezingen, krijgt een elektronisch stembewijs opgestuurd, dan je stembiljet, je print de zaak uit, maakt met een kopie van je paspoort en doet alles op de bus.

Of de envelop op tijd arriveert, dat is een andere kwestie. De post vanuit Zuid-Afrika naar Nederland, en andersom, is bepaald geen Speedy Gonzales, en in The Age of Covid gaat het zo mogelijk nog trager. Landen op Mars is makkelijker. Het kan best zijn dat mijn stem pas twee of drie weken na de uitslag het verschil gaat maken!

Het late stemproces vanuit het voor Nederland verre buitenland past wonderwel bij mijn verhouding tot het land van herkomst: ik ben er nog altijd bij betrokken, geloof ik toch, maar als we in gesprek zijn, zit er door de culturele, politieke, geografische en maatschappelijke afstand steeds meer ruis en vertraging op de lijn.

De vraag is natuurlijk: wáár ben ik eigenlijk bij betrokken, nu het verleden al hoe meer een abstractie wordt? Ik zag het bij mijn moeder, die maar een paar keer terug is geweest op Aruba, na haar verhuizing naar Nederland. Af en toe eens naar huis bellen, brieven schrijven, dat was het wel, hoe moeilijk ze dat ook vond. Elk jaar op en neer vliegen, dat lag echt niet binnen handbereik voor gewone burgers.

Nu, met alle slimme uitvindingen, heb je het idee dat je het moeder- of vaderland nog niet bent ‘verleerd’, maar wat je voor je ziet is een gestalte van waterdamp. Op bvn, het Beste van Vlaanderen en Nederland, volg ik het Nederlandse en vooral uitstekende Vlaamse nieuws, kijk ik nu en dan een praatprogramma, maar verder is het vooral meuk wat de klok slaat – zegt iets over het expatpubliek waarvoor bvn denkt te cateren. Het is alsof ik met Nederland in een eindeloze Zoom-sessie zit; er is alleen tweedehands, abstract contact. Soms valt het geluid weg, of staat het beeld stil. In feite kijk je voortdurend langs elkaar heen, juist omdat je elkaar probeert aan te kijken.

Je vraagt naar het academische leven in dit inderdaad barre en bizarre tijdperk. Wel, het is alsof je maanden achter elkaar televisie zit te kijken. Da’s niet goed voor je ogen, noch voor je concentratievermogen of je realiteitszin. Het is beter dan helemaal geen contact of onderwijs, maar uiteindelijk is het een afstompende, passieve en didactisch en sociaal onverantwoorde aangelegenheid. Er vallen studenten weg die we niet meer uit het water kunnen vissen – verdwenen onder het oppervlak van de harde werkelijkheid.

U heeft het toch over Nederland? Doen ze daar zonder blikken of blozen aan 'blackface'?

De ongelijkheid tussen studenten wordt natuurlijk aangescherpt, en die ís hier al zo groot. Hoe volg je college op je geleende laptop in een buurt waar het onveilig is en je alleen kunt drómen van een beetje rust in je propvolle tweekamerappartement dat je met de hele familie moet delen, terwijl je weet dat een medestudent misschien net uit het zwembad stapt in de tuin van zijn ouders, en in de suv even een beker cappuccino gaat halen om de hoek? Ik chargeer, maar het is de context van de onontkoombare ongelijkheid waarin veel van ons college geven, en waarin ik dus ook nog eens over Nederlandstalige taal- en vooral letterkunde spreek.

Over urgentie gesproken, Tom! Hoe verkoop ik de zaak aan studenten op zo’n manier dat ze interesse krijgen, dat ze de relevantie zien (onder andere vanwege de meer dan dubieuze band met het verleden), terwijl ze nauwelijks iets weten van Noord-Europa of de Lage Landen, laat staan dat ze in literaire fitties en debatjes zijn geïnteresseerd, of in het symbolisch kapitaal van deze of gene. Heel veel onzin valt weg.

Voor het eerste eerstejaarscollege heb ik jaren geleden een rijtje beelden gekozen, waarmee ik het land probeer te presenteren, als kennismaking, waarbij ik vermeld dat het om een zeer subjectieve selectie gaat. Wie is deze man, denken jullie? Dat is de Nederlandse Cyril Ramaphosa. Wie zijn deze mensen? Dit is de koning van het Koninkrijk der Nederlanden, en dit is zijn Argentijnse vrouw. En dit zijn de koning en koningin van België. Welk stel spreekt jullie meer aan? Wat vinden jullie van het wezen ‘monarchie’? En wat is dit? Nooit van gehoord? Een kroket. Haal je uit de muur – wacht, dat moet ik even uitleggen.

Van alles flitst voorbij, een wietplantage, Anne Frank, Madurodam, de Deltawerken, Mondriaan, Van Gogh, Ruud Gullit, stroopwafels. Een lange lijst van clichés en toch, ik kan het niet ontkennen, voel ik dan zoiets als ‘verbondenheid’. Ik zie de vreemdheid van Nederland door de ogen van de studenten, en denk: dit is ook míjn vreemdheid. Het taboedoorbrekende, open klimaat, de debatcultuur, de luxe van een vanzelfsprekende vrijheid.

Afbeeldingen van Wilders, Baudet en het Sinterklaasfeest komen ook voorbij. Dan merk ik de verbazing: u heeft het toch over Nederland? Doen ze daar zonder blikken of blozen aan blackface? En hoe kunnen dergelijke politici zo mateloos populair zijn in een welvarend land met weldenkende mensen?

Aan de ene kant een samenleving die mentaal tegen een stootje kan, veerkracht toont, humor heeft, en veel ervaring met ellende (en sporadisch met euforie). Een geharde samenleving in een magnifiek, zeer divers landschap, waar de werkloosheid en het huiselijk geweld schrikbarend hoog zijn. Waar je je onophoudelijk bewust bent van je bevoorrechte positie, je kleur, je geluk. Als je het getroffen hebt. Waar je zomaar met iedereen en praatje aan kunt knopen met je mondkapje op.

Aan de andere kant een samenleving waar vrijheid geen luxe is, waar je je kunt uitspreken. Een samenleving zonder loadshedding, stel je eens voor! Een die, hoe je het ook wendt of keert, uiterst tolerant is. Maar ook een gemeenschap waarin de ongelijkheid pas op het tweede gezicht merkbaar is, waar de privileges onder het huidige bewind verkwanseld worden.

Ik merk dat ik blijf hangen in veralgemeniseringen. Het is steeds lastiger, spreken over identiteit, over narratieven. Weet je, Tom, het is als met goede vrienden die je vanwege de afstand alleen nog maar af en toe ziet. Je houdt van elkaar, voelt je verwant, maar je deelt elkaars werkelijkheden en gebeurtenissen niet meer. De vuurwerkramp in Enschede, het trauma van de MH17, de moord op Theo van Gogh, de komst van asielzoekerscentra en de angst voor vluchtelingen – dergelijke grote nationale zaken bepalen in grote mate de geestestoestand van een land. Maar ik stond zonder huissleutels buiten in de tuin en kon alleen maar door een raampje naar binnen gluren. Als ik niet oppas ga ik nog geloven in de iconiciteit van haring, poffertjes en molens!

Vandaar dat ik bijvoorbeeld blijf stemmen. Om het gesprek aan de gang te houden, in elk geval van mijn kant. Vind jij het in deze populistische tijden moeilijk, of juist makkelijk om voor een partij of kandidaat te kiezen? Want dat jij stemt, daar twijfel ik niet aan, geen moment.

Beste Alfred,

Jazeker, ik ben een verstokte stemmer. Voor mij is dat zelfs een moetje: in België geldt stemplicht. Steeds minder landgenoten houden zich eraan en nemen de schappelijke boete voor lief, en vooral liberale politici willen ‘die ouderwetse dwang’ afschaffen. Maar ik vind het eigenlijk een schitterend gebruik. Vroeger enkel omdat ik het goed vond passen bij België. Onze stembusgangen – en we hebben er veel! – vinden bijna altijd plaats op een zondag en omdat iedereen meedoet krijgt dat vanzelf iets feestelijks. De helft van de bevolking trekt opgetut en wel van het stemhokje naar het café, vandaar naar het restaurant en, tot slot, waggelend en walmend weer naar huis, om daar rozig in te dommelen terwijl de eerste uitslagen binnenlopen. Toen ik nog kelner was – in een van mijn negen vorige levens – was elke verkiezingsdag een hoogtepunt qua fooien. Regeringen konden voor mij niet vaak genoeg vallen.

Boven op de feestelijke zag ik ook een rituele kant. Onze zo potsierlijk gespleten en vaak moedwillig slecht beredderde natie beleeft eindelijk eens een gezamenlijk evenement! Een wekenlange campagne, afgerond met een beslissende ‘kiezing’ van één dag! Daarna begint opnieuw de versplintering. Bij de aanvang van de pandemie bleek België, dankzij zijn diverse deelstaten en gewestregeringen, te beschikken over acht ministers van volksgezondheid. Het kunnen er ook negen zijn. De daadkracht van snelle beslissingen was er zelden mee gebaat. Democratie is als aspirine of cognac. Te veel is ook niet goed.

De verkiezingen die mij het meest zijn bijgebleven, zijn natuurlijk die hier in Zuid-Afrika. De eerste echte bedoel ik, in 1994. Ik beleefde ze, als bevoorrechte verslaggever namens Humo, aan de zijde van mijn soulsister, de journaliste Marianne Thamm. We stonden in een uitgelaten rij, five blocks long, urenlang te wachten voor Jan van Riebeeck Hoërskool. Iedereen deelde zijn water, pils, toebroodjies (sandwiches), saffies en jointjes met anderen. Het gebeuren is me bijgebleven als een straatfeest met maar enkele zure gezichten.

Toen the noon gun afging, het kanonschot vanaf Seinheuwel dat al sinds het koloniale bewind het middaguur markeert en dat de binnenstad telkens lichtjes doet daveren, dook ik tot ieders hilariteit in foetushouding plat op het trottoir. Ik was overtuigd dat er nóg een knal zou volgen, maar nu vlakbij en met onze rij als doelwit. Mijn paranoia werd, behalve door de jointjes, getriggerd door feiten. In de voorafgaande dagen hadden autobommen in onder andere Pretoria en Johannesburg dertig doden en tweehonderd gewonden gemaakt. Een van de aanslagen was opgeëist door de bbb – de Blanke Bevrydingsbeweging. Een splintergroep, maar lang niet de enige.

Die dreigende atmosfeer destijds, al meer dan een kwart eeuw geleden, lijkt thans geheel vergeten. Sommigen bezwoeren me toen dagelijks dat een burgeroorlog nabij en onvermijdelijk was.

Er zijn er genoeg die dat vandaag opnieuw voorspellen. En er is ook ampel reden tot katers en misnoegdheid, zowel economisch als politiek. Maar het gaat me door het hart dat steeds meer Zuid-Afrikanen, ook goede vrienden, niet eens meer willen gaan stemmen. Ik begrijp hun wanhoop, zelfs weerzin, jegens de de facto eenpartijstaat waarin het anc alle lakens uitdeelt en alle vetpotten verdeelt. Die almacht wordt bestendigd door het ontbreken van een geloofwaardige oppositie en gek genoeg lijdt vooral president Cyril Ramaphosa daaronder. Met een sterkere oppositie zou hij beschikken over een betere bezem om in eigen partij eindelijk de corruptie uit te mesten. Nu voelen te velen zich onaantastbaar.

‘Op wie zou jij dan stemmen?’ zuchten ontgoochelde vrienden als ik tegen ze aan begin te zeuren. En ze aanhoren met rollende ogen mijn goede raad. Ramaphosa, ondanks alles? Naledi Pandor, de indrukwekkende minister van Buitenlandse Zaken? ‘Die zijn toch weer anc! Wanneer verandert hier eindelijk iets écht?’

Datzelfde gevoel heb ik, eerlijk gezegd, als ik dezer dagen kijk naar Nederland. Een eenpartijstaat is het niet, au contraire. Maar er trekken inmiddels zoveel partijen en bewegingen in onafgebroken cirkels en stoeten tegen elkaar op, met telkens hetzelfde anekdotische kabaal, dat je niet het gevoel krijgt dat er een meningenstrijd aan de gang is die overhelt naar de ene of de andere richting. De commotietjes, de relletjes, de akkefietjes… Ze wekken de indruk van een rad dat ook zonder hamsters rondtolt als een gek. En als je nog beter kijkt zie je een benauwend surplace. Een fin de régime dat al jaren niet wil eindigen omdat niemand een uitweg of een wervend alternatief ziet of biedt.

Ontneemt Rutte iedereen en alles om hem heen zoveel glans dat zijn eigen dufheid niet meer opvalt?

Is dat het genie van Mark Rutte? Dat hij niet zelf schittert, maar iedereen en alles om hem heen zoveel glans ontneemt dat zijn eigen dufheid niet meer opvalt? Dat alles uiteindelijk zó vreselijk down to earth en poepnormaal wordt dat iedereen denkt: ach, vooruit dan maar, doe nog maar vier jaartjes erbij, en dan zien we vanzelf wel weer wat er gebeurt. Wat mij opvalt bij de meeste Nederlanders – vergeleken met Zuid-Afrikanen dan toch – is het gebrek aan verontwaardiging na schandalen als de toeslagenaffaire. De hoogste pief die daar jarenlang voor verantwoordelijk was, zegt welhaast achteloos dat hij de verantwoordelijkheid accepteert, zonder tegelijk ook maar één splinter aan schuld te incasseren. Welnee. Hij knikt, hij kucht, hij relativeert, hij kijkt naar de opiniepeilingen aangaande diverse onderwerpen, hij praat ze na en laat zich tenslotte gewoon andermaal interviewen door zijn vriend Jort van de Bretellen-club. Ze maken openlijk grapjes over de ongepastheid van dat mediatieke geflikflooi en er breekt daarover ook onder echte journalisten geen opstand uit.

Het meest onbegrijpelijke ligt echter bij links. Dat is in vele Europese landen zo, maar een excuus vormt dat niet. Hoe lang denkt links zich de luxe van haar kwekkende versplintering nog te kunnen permitteren? Op een bepaald moment ben je zelf mee verantwoordelijk én aansprakelijk. Niet voor de status quo op zich. Wel voor de verwoestende gevolgen ervan, zoals die toeslagenaffaire, of de kaalslag in de zorg. Niet enkel Rutte mist visie, tot zijn eigen trots en overtuiging. Het gebrek aan durf en kloten begint met wie hij tegenover zich krijgt, en met wie hij zich vervolgens moet meten. Ook Nederland heeft nood aan een echte oppositie, in plaats van alleen twee extreem-rechtse ‘zweeppartijen’, zoals wij Belgen dat noemen.

Mag ik desondanks vragen, beste Alfred, wat je hebt gestemd? Als je dat in België aan iemand vraagt, luidt het standaard antwoord: ‘Voor de goeie!’ Wie zijn jouw ‘goeien’? Zijn ze er wel? En ook: wat zeg jij tegen je Zuid-Afrikaanse vrienden die zuchten dat ‘stemmen toch geen bal verandert’?

Beste Tom,

Wat had ik daar graag bij willen zijn, bij die eerste Zuid-Afrikaanse vrije, democratische verkiezingen! Ik arriveerde twee jaar te laat. Ik hoor er altijd lyrische en geïnspireerde verhalen over, waaruit je kunt opmaken hoe belangrijk verkiezingen zijn voor de mentale welstand van een samenleving. Alleen merk je dat pas wanneer er helemaal geen verkiezingen meer zouden zijn.

Ja, alles zou anders worden, eindelijk een frisse wind door de samenleving, de viering van democratie, openheid, vrijheid, diversiteit, meertaligheid. Maar decennia lang systemische segregatie en gelegitimeerd racisme, dat vergt deep cleaning. De huidige uitzichtloosheid en teleurstelling zijn waarschijnlijk deels in de hand gewerkt door de prachtige maar ook verblindende euforie van de eerste jaren na de verkiezingen, met Nelson Mandela nog aan het stuur. Reclames met fotogenieke zwarte, bruine en witte bierdrinkende en dansende mensen met de oceaan als decor in een bierreclame, das war einmal.

De woede en de frustratie van nu zijn volkomen begrijpelijk; wat haalt dat uit, je stem uitbrengen? En zoveel smaken zijn er niet, dus gaat het tussen het African National Congress en de Democratic Alliance, en een beetje de Economic Freedom Fighters. Had Thulisile Madonsela maar meegedaan, advocaat, professor in de rechten en lange tijd de schrik van Zuma, als onafhankelijke, openbare beschermer. Ooit, ooit moet zij hier president worden.

Maar toch, mijn vrienden stemmen allemaal, al kan ik niet met zekerheid zeggen op wie of waarop. Stemgedrag bespreken is als je salaris op tafel gooien. Ik ken ook behoorlijk wat studenten die te kennen geven te stemmen, misschien omdat, blijkt uit alle activistische en maatschappelijke bewegingen van de afgelopen jaren, dit het tijdperk is van collectiviteit. En je stem uitbrengen komt het dichtst in de buurt van een gecertificeerde collectiviteit.

Ik ben geen expert op het gebied van de politiek, maar ik kan me voorstellen dat burgerlijke ontevredenheid jegens de zittende macht van alle tijden is. Dat je daardoor kunt denken, ach, ze doen maar. Maar zoals je zelf schrijft, je zag het aan de eerste keer dat Trump werd gekozen; je stem wél uitbrengen kan er ook voor zorgen dat het niet allemaal nog veel érger wordt. Het fenomeen Trump (niet dat waar hij symbool voor staat) had de eerste keer wellicht voorkomen kunnen worden als meer mensen waren komen opdagen.

Je stem uitbrengen is dus misschien alleen al zinvol omdat je, in het geval van Nederland, Forum voor Democratie of de Partij voor de Vrijheid niet als leidinggevende partij wilt zien. Maar ja, waarop stem je dan? Op welke, van de overige 35 partijen (‘atjemenou!’, zou Loekie zeggen), in het geval van de Nederlandse verkiezingen 2021? Dat zijn wel weer érg veel smaken. Slaan we linksaf of rechtsaf of gaan we dwars door het midden of omhoog?

Restaurants waarin maar enkele gerechten op het menu staan, zijn over het algemeen betere restaurants dan die waarin ik zowel sushi, Thai, pannenkoeken, couscous als een patatje oorlog kan bestellen.

Ik bedoel, ik dacht dat ik de belangrijkste partijen wel zo’n beetje kende, maar het lijkt alsof het land van nog geen achttien miljoen inwoners geen consensus kent, alsof niemand naar elkaar luistert maar alleen het eigen vermeende, nauwelijks afwijkende gelijk verkondigt. Best treurig. En democratisch. Maar treurig. Een benauwend surplace, zoals je schrijft.

Ook vermakelijk, en leuk voor een alternatief potje kwartetten. JA21, Code Oranje, de Piratenpartij, Jezus Leeft, Splinter, bbb, JONG, Volt, Henk Krol en zijn lijst, NLBeter, Vrij en Sociaal Nederland, Trots op Nederland, Modern Nederland, Wij zijn Nederland. ‘En allemaal mee-eten’, zou Toon Hermans zeggen. En natuurlijk De Feestpartij. De Feestpartij! Die heb ik nog even overwogen – alle dagen feest, daar is de mensheid wel aan toe. Doet me denken aan de Zuid-Afrikaanse Dagga Party, oftewel de Cannabis Partij, opgericht in 2009.

Ik heb uiteindelijk zoals altijd links gestemd, gewoon op een gevestigde club. Dus niet op Lijst Zwarte Koffie 31, Nederland Fietsland, of de Mondkapjes Partij. Het gebrek aan samenwerking tussen de belangrijkste linkse partijen is inderdaad debet aan de huidige, algehele malaise, maar rechts stemmen zou het cynisme ten top zijn. De pandemie vraagt om het tegenovergestelde van conservatisme en angstvalligheid en het recht van de sterkste.

We kunnen niet zonder politiek, maar we verwachten er te veel van. Politiek bedrijven is in theorie leiding geven aan de samenleving, in overleg mét die samenleving, en wellicht is het zelfs ‘idealisme in praktijk brengen’, maar doorgaans komt het neer op onderhandelen, paaien, netwerken, en zorgen dat je een goede bezem hebt en een flink tapijt waar je van alles onder kunt vegen.

Nee, we moeten het zelf doen. Zoals hier. Geen afdoende overheidssteun en voedselhulp tijdens de coronacrisis voor mensen zonder inkomsten? Nou, dan bedenken we zelf wel allerlei kleine en minder kleine initiatieven om mensen van voedsel te voorzien, richten we zelf wel bedrijfjes op waar laaggeschoolden een vak leren en praktijkervaring opdoen, stichten we zelf wel een sportclub, gaan we thuis maaltijden bereiden en bezorgen aan het afgepeigerd, verplegend personeel en hun gezinnen, om hun wat werk uit handen te nemen en een hart onder de riem te steken. Verbod op de verkoop van alcohol en sigaretten? Nou, dan flansen we zelf wel wat in elkaar, misschien smaakt het ook nog, als je je neus dichthoudt.

Ik was een tijd geleden aan het opruimen en kwam een paar brieven van de grote dichter H.H. ter Balkt tegen, met wie ik bevriend raakte in de periode dat ik in Amsterdam werkte, en wiens redacteur ik in die tijd was. Lees ik bijvoorbeeld deze passage in zijn brief van september 2012, dan lijkt Nederland in bijna tien jaar bestuurlijk niet veel veranderd: ‘Het goeds moet nu komen van de briljante managers die als een zwerm bromvliegen overal hun eieren leggen en daarmee allemachtig veel geld opstrijken. De plaag van de managers verziekt de Zorg en de levenskracht, hij gaat maar niet over, en van Mark Rutte, onze premier met zijn Popeye The Sailor-kop hebben we al evenmin veel te verwachten; die slaat geen optreden van Jan Smit en Gordon over, en dat zijn zoals je weet heel grote helden van de geest.’

Ik ben benieuwd wat de uitslag wordt, maar vooral hoe wij hier, op dit continent, het hoofd boven water gaan houden de komende jaren. Want we zullen het zelf moeten doen.

Maar, het glas is halfvol, altijd, desnoods met zure wijn. Laten we daar op drinken, jullie bij ons, of wij bij jullie.