Een rechtse fellowtraveller

HOE KOMT HET toch dat Frits Bolkestein met een lichte beweging van zijn rechter pink de hele linkse journalistenwereld door een brandende hoepel kan laten springen? Hoe komt het dat al die ex-communisten, ex-maoïsten, ex-trotskisten en ex-titoïsten die inmiddels redacteur zijn van Het Parool, de Volkskrant, de NRC en De Groene zó gebeten reageren op elke lapidaire opmerking van de liberale leider?

Want wat is er nu helemaal gebeurd? Twee Amsterdamse journalisten was het ter ore gekomen dat de Bolk weer een boek af had en zij besloten hem te interviewen. In het vraaggesprek verkondigde Bolkestein op luchtige toon dat staatssecretaris Tommel van D66 vice-voorzitter was geweest van de Vereniging Nederland-DDR, een vereniging die tot doel had om in Nederland meer begrip te kweken voor het communistische regime in Oost-Duitsland. Die vereniging was opgezet en werd achter de schermen ook geleid door geheide communisten die goedwillende democraten als Tommel als uithangbord gebruikten. Om die reden noemde Bolkestein de heer Tommel in dat interview ‘een politiek onbenul’.
De reacties lieten niet lang op zich wachten. Tommel verklaarde dat hij zich zwaar beledigd voelde omdat hij de functie van vice-voorzitter van de vereniging Nederland-DDR uitsluitend had gebruikt om met de communisten in gesprek te blijven. Met dissidenten had hij destijds nooit gesproken, want die had hij nergens kunnen vinden. Iedereen viel Tommel bij, zelfs de VVD-ministers vonden de uitlatingen van Bolkestein 'uiterst ongelukkig’.
De columns van oud-fellowtravellers en hele en halve ex-communisten stonden stijf van verontwaardiging: Bolkestein was bezig een heksenjacht te ontketenen! Het Parool publiceerde zelfs een lijst van vooraanstaande politici en intellectuelen die ooit hand- en spandiensten voor communisten, maoïsten of trotskisten hebben verricht. Die lijst verscheen, in een poging tot ironie, onder de kop 'Politieke onbenullen’. De opzet was duidelijk: als zo veel goede en vooral intelligente vaderlanders boter op hun hoofd hadden, moest het verwijt van Bolkestein wel onzinnig zijn.
Toch had Bolkestein mijns inziens volkomen gelijk, zoals Max Pam in NRC Handelsblad met wat oude citaten van Tommel gemakkelijk kon aantonen.
EEN ANDER MIKPUNT van Bolkestein was de huidige directeur Emancipatiezaken van het ministerie van Sociale Zaken, Ina Brouwer. Deze had vijftien jaar geleden, als partijbestuurder en fractieleider van de CPN, partijgenotes de mond gesnoerd die binnen de CPN de verkrachtingen door Russische soldaten bij de bevrijding van het vrouwenkamp Ravensbrück aan de orde wilden stellen. Brouwer, toen nog communiste en geen feministe, had deze onthullingen opgevat als een belediging van de antifascistische strijders en ze in de communistische doofpot gestopt. Bolkestein vond het onbegrijpelijk dat zo iemand nu het emancipatiebeleid mag bepalen, zonder over dat verleden verantwoording af te leggen. Ina Brouwer was woedend en verklaarde in het televisieprogramma Buitenhof 'dat Bolkestein over een grens gegaan was’. Welke grens dat was, vertelde ze niet, maar het klonk heel dreigend. Op de beschuldigingen van Bolkestein ging zij wijselijk niet in.
Al in 1995 had Bolkestein zich in Nieuwe Revu opgewonden over het feit dat vooraanstaande communisten in Nederland nooit verantwoording hebben afgelegd voor hun politieke verleden. Hij noemde toen de naam van Gijs Schreuders en dat was een domme fout, want Schreuders had over zijn communistische verleden nu juist een heel boek geschreven. Bolkestein heeft toen in een open brief zijn verontschuldigingen aangeboden. Die 'Open brief aan Gijs Schreuders’ is bij wijze van inleiding opgenomen in het nieuwe boek van Bolkestein Onverwerkt verleden.
Ook bij herlezing is die brief een indrukwekkend egodocument. Niet alleen omdat de schrijver zo ruiterlijk zijn ongelijk bekent ('ik had jou niet moeten noemen als iemand die geen rekenschap over zijn communistisch verleden heeft gegeven’), maar ook omdat hij zijn eerste ervaringen met het communisme zo eenvoudig maar treffend onder woorden brengt. In 1956, op een congres van de door communisten gedomineerde International Union of Students in Praag, had hij kritiek geuit op de Sovjetunie. 'Mijn toespraak had weinig om de hakken, op één punt na. Nederland kreeg daar veel kritiek omdat het Nieuw-Guinea niet wilde opgeven. Ik erkende dat, maar zei dat Polen door de Sovjetunie werd gekoloniseerd. Toen ik van dat hoge spreekgestoelte afdaalde en over dat lange middenpad naar achteren liep, heerste er een doodse stilte.’
Ikzelf herinner mij een soortgelijke stilte na een korte toespraak van Arnold Koper op een CPN-congres. Daarin oefende hij - zeer voorzichtig - kritiek uit op het ondemocratische karakter van die partij. Misschien kunnen buiten Bolkestein alleen dissidenten de dreiging van die stilte navoelen.
Zou daar in Praag Bolkesteins belangstelling voor leven en werken van Oost-Europese dissidenten zijn gewekt? Feit is dat Bolkestein in zijn nieuwste boek die dissidenten uitgebreid aan het woord laat. De gesprekken met Heiner Müller, Stefan Olszowski en Jiri Pelikán behoren tot de hoogtepunten van Bolkesteins boek. Maar ook de gesprekken met de Hongaarse bisschop in Roemenië László Tökés, met de schrijver György Konrád, en met de leider van de liberale partij in Hongarije, Victor Orbán mogen er wezen.
NET ALS IN zijn vorige boeken is Bolkestein op zijn best als hij anderen aan het woord laat. Eigenlijk had hij niet de prijs van de beste parlementariër moeten krijgen maar de prijs van de beste journalist van Nederland. Want interviewers die zich zo goed voorbereiden en die bovendien zo geïnteresseerd zijn in het verhaal van hun gesprekspartner zijn zeldzaam. Van de arrogantie die zijn parlementaire optreden nog wel eens kenmerkt, is hier weinig te merken. Zelfs voor een schrijver als Heiner Müller, voor wiens politieke opvattingen Bolkestein zeker geen bewondering heeft, toont hij respect.
Dat respect voor communistische dissidenten is even onmiskenbaar als het respect voor communistische verzetsstrijders ('Ik zou willen dat ik zo moedig was geweest, had ik de leeftijd gehad’). Daar ligt ook de kracht van Bolkesteins liberalisme. Hij is wars van tirannie en toont een oprechte bewondering voor individuen die zich daartegen verzetten. 'Het rode of het bruine fascisme: voor mij was het één pot nat’, schrijft hij, en de logische consequentie daarvan is dat praktiserende antifascisten en anticommunisten dezelfde bewondering verdienen. Dat is natuurlijk even schrikken voor al diegenen die het communisme beschouwden als de erfvijand van het fascisme en daarom antifascisme en communisme op één lijn zetten.
In politiek-filosofische zin is Bolkesteins positie verre van origineel. Hij is, daar maakt hij geen geheim van, schatplichtig aan politiek filosofen als Hannah Arendt en Carl Friedrich. Ook is het op zich weinig origineel om mensen als Heiner Müller, Stefan Olszowski of Jiri Pelikán aan het woord te laten. Op het stalinismecongres dat in 1979 onder auspiciën van de Politiek Sociale Faculteit in Amsterdam werd gehouden, hadden Oost-Europese dissidenten, onder wie Pelikán, het woord gevoerd. Bij de organisatie van dat congres waren overigens ook CPN'ers betrokken.
Origineel is de nadruk die Bolkestein legt op de politieke dilemma’s waarvoor de Oost-Europese dissidenten in leidinggevende posities zich geplaatst zagen en het vergelijkend perspectief dat hij aanbrengt. Bolkestein laat het interview dat hij met Stefan Olszowski had aan Jiri Pelikán lezen, die daarop een interessant commentaar geeft: 'Hij nam in 1956 het unieke standpunt in dat hij de revolutie van Hongarije openlijk steunde. Ik benijdde hem om dat standpunt omdat ik dat ook graag zou willen (innemen - mf) maar niet mocht. Hij werd gesteund door de Poolse partijleiding, door Gomulka, die plotseling op de voorgrond was getreden. Gomulka werd door een massabeweging aan de macht gebracht. Voor ons was hij buitengewoon omdat zijn toespraken vol nieuwe ideeën waren.’
Het boek van Bolkestein bevat geen nieuwe inzichten maar wel nieuwe zijlichten op de ondergang van het reëel bestaande socialisme.
DE EIGEN ARTIKELEN, die wat korter zijn en al eerder gepubliceerd waren in NRC Handelsblad, De Groene Amsterdammer of The Economist, zijn minder overtuigend en ook minder interessant dan de lange tweegesprekken. Vooral het artikel dat in 1982 in The Economist werd afgedrukt onder de titel 'The Dutch Qualm Disease’ (letterlijk 'De Hollandse gewetensziekte’, in deze bundel opgenomen onder de titel 'Het Nederlandse pacifisme’) toont een andere kant van Bolkestein. Hier fulmineert hij tegen het idealisme in de buitenlandse politiek, dat vooral door het IKV en een aantal actiegroepen wordt uitgedragen. Degenen die de spreekbuis waren van die actiegroepen noemt hij penintelligentsia’, lieden die lijden aan 'een provinciaals manicheïsme’. 'De democratisering leidde tot een geringschatting van deskundigheid. Een goed deel van het intellectuele establishment stortte in, wat weer een aanmoediging betekende voor zijn belagers. Actiegroepen kregen veel invloed op de buitenlandse politiek. Soms leek het alsof de Nederlanders Zuidelijk Afrika als ’s werelds belangrijkste knelpunt beschouwden.’
De Nederlandse gewetensziekte - die als verklarende factor wordt aangedragen - zou volgens Bolkestein voortspruiten uit het protestantse karakter van onze natie. 'In het Zuiden houdt de katholieke ethiek het eerder op verantwoordelijkheden dan op goede bedoelingen (…). Franse ministers doen niet aan gewetensonderzoek, althans niet in het openbaar. Sommige Nederlandse politici lijken bijna niets anders te doen.’
Hier schiet Bolkesteins geheugen wel ernstig tekort. Hij schijnt zich niet te herinneren dat Franse ministers van Buitenlandse Zaken - misschien wel door gebrek aan gewetensonderzoek - in West-Europa de trouwste bondgenoten waren van Moskou. De alliantie tussen gaullisten en communisten lag vooral op het terrein van de buitenlandse politiek.
WAT MIJ STOORT in dit essay is niet alleen de toon van een conservatieve mopperkont, maar vooral de flagrante tegenstelling tussen het bijna cynische pleidooi voor realisme in de buitenlandse politiek als het gaat om Zuidelijk Afrika, en zijn impliciete suggestie in de andere hoofdstukken dat westerse intellectuelen geen oog hadden voor oppositionele bewegingen in Oost-Europa. Bolkesteins kritiek op het IKV is dat het - net als Henry Kissinger - ontspanning boven mensenrechten liet gaan. Maar dat is nu juist een vorm van realisme in de buitenlandse politiek, waarvoor Bolkestein zelf pleit als het om Zuid-Afrika gaat.
Kortom, als het om linkse dictaturen gaat lijken bij Bolkestein mensenrechten prioriteit te hebben, gaat het daarentegen om rechtse dictaturen, dan bepleit Bolkestein een realistische buitenlandse politiek waarin het Nederlands Belang voorop staat. Zo blijkt Bolkestein zelf ook te lijden aan een selectieve verontwaardiging die hij zijn tegenstanders verwijt.
Het olie-embargo tegen Zuid-Afrika noemt Bolkestein 'een gratuite actie’, alsof zijn eigen poging als Tweede-Kamerlid om een Roemeense dissident te bezoeken niet met dezelfde termen zou kunnen worden afgedaan. Voor Bolkestein is de apartheid in Zuid-Afrika een detail in de geschiedenis. Hij vergeet daarbij te vermelden dat zijn eigen VVD-fractie inzake het apartheidsregime net zo apologetisch was als het IKV inzake het communisme. Het heeft immers wel erg lang geduurd voor de VVD ongeclausuleerd het one man one vote-kiesstelsel ook voor Zuid-Afrika geschikt achtte.
DEZE OUDERE ESSAYS weerspiegelen veel meer dan zijn interviews - die van recenter datum zijn - de impasse waarin links en rechts tijdens de Koude Oorlog zaten: rechts verweet links een gebrek aan steun voor de democratische oppositie in Oost-Europa, China, Cuba en Nicaragua. Links verweet rechts hetzelfde, maar dan inzake Zuid-Afrika, Chili of Griekenland. Misschien verklaart die oude Koude-Oorlogsideologie Bolkesteins succes in de media. Door Bolkestein geprovoceerd schieten bijna alle journalisten die ooit links waren, weer in hun oude rol: het verdedigen van het onverdedigbare. Hun woede tegen de man die alleen belangstelling heeft voor sociaal onrecht als dit zich voordoet in een communistisch land, verhindert hen te zien dat wat Bolkestein over het communisme te berde brengt, welgemeend en interessant is. Het is te hopen dat hij, nu het communisme nauwelijks meer bestaat, zijn gevoel voor rechtvaardigheid ook laat meespelen in zijn beoordeling van kapitalistische regimes.