Klassiek: Camiel Boomsma

Een regendag

De Hamms. Nooit van gehoord. Ze waren vader en zoon, Gerhard en Karel Hamm. Vader (1835) was vanuit Trier via Luxemburg in Venlo neergestreken, waar hij in de tweede helft van de negentiende eeuw een muzikale stadsnotabel werd zoals ze nu niet meer bestaan; componerend, dirigerend en docerend met het aanzien dat een kunstenaar nog toekwam. De zoon, die in 1937 overleed, trad in de voetsporen van vader. Allebei componeerden ze ook voor piano. Dat deden er in Nederland meer en soms heel goed, ook in de tijd die wordt gezien als nucleaire winter voor muziek van eigen bodem; Leander Schlegel (1844-1913), Dirk Schäfer (1873-1931) of Jan Brandts Buys (1868-1933). De geschiedenis kan ze niet allemaal onthouden en in de zalen zijn de meesterpianisten toch te druk met Beethoven en Schumann of, sinds kunst een overlevingsmarkt is, met Simeon ten Holt en de affreuze klankcoma’s van schmierkoning Einaudi. Oefeningen in historische rechtvaardigheid ten bate van miskende kunst en kunstenaars hebben in Nederland nooit veel effect gehad.

Dan speelt, ergens in deze eeuw, een Hamm-nazaat de pianist Camiel Boomsma een pak klaviermuziek van beide Hamms in handen. Die treffen hem zo dat hij een selectie op cd vastlegt. Ik kan me voorstellen wat hem dreef. Behalve charmante muziek zijn deze werken archeologische artefacten, tijdsdocumenten, herinneringen aan de levende cultuur achter de muren van de canon. Ze geven een interessante nieuwe twist aan wat in Duitsland Rezeptionsgeschichte heet, het verhaal van hoe kunst aankwam bij het volk. Ze indiceren hoe een stille meerderheid de grote tijdgenoten waarnam.

In Gerhard Hamms Clavierstücke Op. 18 lispelt en kwispelt Schumann schumannesker dan Schumann. Het is de zachte Schumann van de weerloos imiterende bewonderaar, die in die weekheid zijn gelijke zoekt. Iedereen weet hoe invloed werkt, hoe de muziek van grote voorgangers door nieuwe grootmeesters wordt ondergaan en overwonnen. Het oeuvre van de Kleinmeister is de oral history van de bewonderaar die in overweldigende eerste indrukken bleef steken, en die zijn leven wijdde aan het imiteren of hervinden van de geliefde grondtoon. Het zoeken naar die gedroomde, door een groter man geopenbaarde intimiteit is in de Clavierstücke bijna ontroerender dan de stukken zelf, al mogen die er zijn. Een enkel deel zou niet misstaan in een van Schumanns miniaturencycli voor piano, waar Schumanns pieken het net overeind hadden gehouden. Want dat ontbreekt eraan. De momenten van visionaire verbeeldingskracht, van licht dat in een flits verbluffend schijnt op wat geen mens voordien hoorde en zag.

De beklijvende indruk is er een van genetisch bepaalde zachtmoedigheid. Vader en zoon Hamm delen hun voorliefde voor serene, mild melancholieke stemmingen, bij de zoon gans Hollands in Een regendag en ’t Schemeruurtje uit zijn Schetsen voor de jeugd. Dan word je nooit groot, tenzij je Schumann heet en alles weet. Maar zo onthielden en koesterden de kleine luiden met toch niet gering talent hun helden. De Hamms zijn een ongeschreven roman over de eervolle vrede met het wonder van de groten. En beter dan bij Boomsma zullen ze niet snel klinken.


Camiel Boomsma, Rediscovered (Challenge Classics)