Een reis vol wonderen

Een week relitoerisme in het Heilige Land. Van kerk naar wonderplaats en van soek naar sjoel. Met Jeruzalem als uitsmijter. Moet men echt vijftig jaar wachten, drieduizend kilometer reizen, om hier, ergens in Israel, tussen neus en lippen door te vernemen dat…?
DE TAXI stort zich, twintig kilometer boven de maximumsnelheid, in de ochtendspits van Tel Aviv. De passagiers (mijn zuster en zwager, mijn broer en schoonzuster, mijn moeder en ik) wisselen een paar ongeruste blikken. Het voertuig snijdt een bestelauto in de Rehov Ben Jehuda vanuit de linkerflank, vervolgens snijdt het vanuit de rechterflank een collega-taxi in de Rehov Dizengoff. Het maakt de chauffeur allemaal niets uit. Ook de Israeli’s zijn blijkbaar in zelfmoordacties gespecialiseerd, in dit geval niet per autobom, maar per auto. De taxichauffeur opent zijn raam en vuurt een kanonnade orientaalse scheldwoorden op een medeweggebruiker af.

‘Wat zou-ie zeggen?’ vraagt mijn schoonzuster in berustende doodsnood.
'Vuile rotjood, denk ik’, zegt mijn broer.
HET IDEE was van mijn moeder, niet het slechtste uit haar lange, inmiddels 78-jarige leven. Wij, haar kinderen en schoonkinderen, elk met een eigen levensgeschiedenis, waren al sinds mensenheugenis niet gezamenlijk met vakantie geweest. Toen, als kleuters, gingen wij (mijn ouders, mijn broer, mijn zuster en ik) braaf naar Hoenderloo, veertien dagen mens-erger-je-niet achter verregende horren. Nu, inmiddels eerzaam vergrijsd, gaan wij naar het Heilige Land, had de oude dame besloten. Eindelijk. Tot dusverre waren wij allemaal om diverse redenen dit reisdoel uit de weg gegaan - behalve mijn moeder, weduwe van een jood, Duitse christin die een boerderij vol joden de oorlog heeft doorgeholpen. Ik wist van tevoren dat het een op zijn minst opmerkelijke vakantie ging worden. In werkelijkheid werd het een ijkpunt in de familiegeschiedenis. Decennia lang zie je elkaar voornamelijk op verjaardagen, bijeenkomsten zonder veel emotionele substantie. Dan gebeuren er dingen (vrouw gestorven, vader overleden) die een geheimzinnig familiegevoel reactiveren. Resulterend in dat collectieve retourtje Schiphol-Ben Goerion, op weg naar die merkwaardige natie die ons (joden, halfjoden, aangetrouwde niet-joden) toch meer interesseert dan je, als principiele kosmopoliet, wil weten.
Vervolgens staan wij dan gezeslijk, tot onze verbazing, plotseling op de stoep van een hotel in Tel Aviv, in het mediterrane ochtendlicht, terwijl de eerste gepijpekrulde pinguins over het trottoir schuifelen.
'Gek he, zo'n land vol joden’, zegt mijn zuster.
Inderdaad. Zelf heb ik inmiddels al twee keer mijn vader gezien, die nochtans al een half jaar dood is. Die mevrouw aan de overkant van de straat is sprekend mijn tante Liesje, die in werkelijkheid op dit moment drieduizend kilometer verder een boterhammetje smeert.
VAN ZO'N EERSTE DAG in Tel Aviv, opmaat tot onze 'grandioze rondreis langs de toppers van Israel’, herinner je je uiteindelijk niet meer dan een oppervlakkige indruk van de gekeppelde Kinkerstraat, een stad vol kakelende middenstanders te midden der westerse hotelkolossen. Een terras aan de voet van de Middellandse Zee, met uitzicht op badende bejaarden. De winterse, niettemin zonovergoten palmbomen. De soek, met exotische vruchten die je zelfs op de Albert Cuyp niet kunt krijgen. Dat troosteloze busstation waar een paar maanden geleden een bomaanslag op is gepleegd. De huurkazernes waar iedereen, een paar jaar geleden, met zo'n obsceen gasmasker op, huiverde in afwachting van de Irakese Skudraketten.
In het restaurant proberen wij op adem te komen. Mijn broer heeft zijn vertrouwde Ajaxpetje op. Gegeven de intercontinentale populairiteit van ’s wereld beste voetbalclub, veronderstelt hij, zal ons ongetwijfeld de rekening worden kwijtgescholden.
Iedereen is moe. Het is niettemin nog te vroeg om al naar bed te gaan. Wij besluiten nog een kwartiertje de stad te gaan bekijken.
'Moeten wij eerst niet even betalen?’ vraagt m'n moeder.
'Voor iemand die, zoals jij, zo goed in de oorlog is geweest, is in dit land alles gratis’, zeg ik.
Even later komt de rekening - 'service not included’.
DE VOLGENDE MORGEN, na het ontbijt, maken wij kennis met onze reisgenoten. Gewone, rustige mensen, een echtpaar uit Rotterdam, een moeder en dochter uit Den Haag, twee echtparen uit Sneek, wat loslopende dames-op-leeftijd, achttien personen in totaal, in meerderheid bedaagd christelijk, in minderheid (wij) min-of-meer joods, zij het zonder het nihil obstat van de opperrabbijn van Jeruzalem. De kustweg voert ons noordwaarts. Rechts een kilometer johannesbroodbomen, van het soort waarmee de Profeet zich twintig eeuwen geleden in leven hield. Links een aantal landschapontsierende staalconstructies, waarmee vergeleken de Rijnmond een paradijselijke aanblik biedt. De gids (Nederlands meisje uit Galilea) smoort onze premature milieubezwaren in de kiem. Het betreft namelijk brandstofcontainers opdat Israels leger en luchtmacht straks, in oorlogstijd, niet zonder benzine zullen zitten. En wie zien wij daar, op een sokkel? De goede, oude Theodor Herzl, van wie ik net, bij wijze van ideologische reislectuur, Der Judenstaat (1896) heb gelezen. Ging de joodse staat een theocratie worden? 'Nein!’ Wel zou de 'andersgelovige, multinationale’ niet-jood de optimale wettelijke gelijkheid worden gegarandeerd. De belangrijkste bevolkingsgroep van het toenmalige Palestina, de Arabieren, blijven in de tekst ongenoemd.
Op naar Caesarea, veertig generaties geleden de hoofdstad der natie. De stichter was Herodes de Grote, de man die ook het Romeinse amfitheater bouwde dat wij straks gaan bezichtigen. Hij was een hele slechte, weet onze gids, hij collaboreerde met de Romeinse bezetter, en was trouwens geen jood maar een halfjood.
'Wat krijgen we nou! Wij halfjoden worden beledigd!’ mompelt mijn schoonzuster.
Halverwege het historische expose wandelen wij alvast naar de ingang van het monument.
'Heb jij je theaterbonnen bij je, Mil?’ vraagt mijn zwager.
'En jij je vijfenvijftigpluskaart?’ vraagt mijn zuster.
Dit amfitheater was toentertijd de tribune van al dat godverlaten amusement uit die dagen, inclusief de gladiatoren en het wildebeestenspul. Het Romeinse Rijk ging ten onder, het amfitheater verdween onder het stof der eeuwen, Israelische archeologen groeven het na de Tweede Wereldoorlog weer op. Duitsers waren in die tijd niet erg gewenst op Israelische bodem. Behalve de Duitsers van de Hamburgse Staatsopera, die in 1974 in de arena van het amfitheater Arnold Schonbergs Moses und Aron celebreerden, de meest joodse en meest filosofische aller opera’s.
Na afloop werd Moses (de bas Franz Mazura) voorgesteld aan premier Golda Meir.
'Hai Moshe!’ sprak zij en drukte hem zusterlijk de hand.
TUSSENSTOP IN DE havenstad Akko, de eerste kennismaking met die andere inwoners van Israel. Wij slenteren door de soek en belanden op een pleintje dat door een zuilengalerij is omgeven. Arabische kleuters drentelen om ons heen, schurftige Arabische poezen zoeken naar etensresten. Vanaf de toren klinkt de oproep tot gebed. Vanaf diezelfde toren wappert de Israelische vlag met de ondubbelzinnige boodschap: Wij zijn de baas!
De bus brengt ons naar het restaurant waar wij het avondeten zullen gebruiken.
'Hebben ze u wel eens verteld dat u sprekend op Harry Vermeegen lijkt?’ vraagt een mevrouw.
'Pas tweehonderd keer’, antwoordt mijn broer gevleid.
Mijn moeder, over het algemeen het type van een bescheiden zwijgster, praat over het feit dat de meeste van haar onderduikers nooit meer iets van zich hebben laten horen. Behalve N, die nu al jarenlang in Israel andere oorlogsslachtoffers psychoanalyseert. Hij heeft geen gemakkelijk leven gehad. 'Ouders vergast, zelf ondergedoken geweest, twee kinderen gestorven, gescheiden omdat zijn vrouw de ellende niet kon verdragen. Weet jij niet een lieve Hollandse vrouw voor hem?’
Een Hollandse vrouw? Zijn er geen Israelische vrouwen genoeg?
'Die zijn hem te hard’, zegt mijn moeder.
Wij eten wat van het middenoostenvoedsel, dat wij voor de gezelligheid overheerlijk vinden.
Is dat nu jiddische gein die boven de falafels wordt gepraktizeerd?
Mijn zwager werpt zich op als specialist van de joodse keuken. Zeker, beaamt mijn zuster, want hij kan immers water koken, zowel voor thee als koffie. 'Het smeren van een boterham gaat hem trouwens ook heel behoorlijk af.’
'Mijn specialiteit is het bellen van de pizzalijn’, zegt mijn broer.
'Liesbeth, jij wat zuur?’
'Nee, ik heb het al zuur genoeg’, zegt mijn schoonzuster.
'Ik kocht m'n zuur altijd bij Franschman in de Lepelstraat’, zegt mijn moeder. 'In het begin van de oorlog, toen we nog in de Sarphatistraat woonden. Later natuurlijk niet meer. Pa was er gek op.’
'Max, weet je wel zeker dat die schnitzel van jou kosher is?’ informeert mijn zuster.
'Wat kan mij dat schelen?’ zegt mijn zwager.
'Mooie jehoede ben jij!’
In de lounge praten wij nog wat na. Waarom zijn wij eigenlijk geen van allen - moeder uitgezonderd - ooit in Israel geweest? Wij blijken allemaal wel eens met de gedachte te hebben gespeeld. Maar hoe gaat zoiets? De een heeft vliegangst, de ander gaat eigenlijk al jarenlang naar Turkije, en de derde - ik - zegt deftig altijd het standpunt te hebben ingenomen dat de joden eerst moeten leren enigszins fatsoenlijk met hun Palestijnse landgenoten om te springen.
Noblesse oblige, al zeg ik het zelf.
BEDTIJD. Op de hotelkamer realiseer ik mij dat het allemaal fraaiverpakt zelfbedrog is. Wat heeft mij in werkelijkheid al die jaren ervan weerhouden mijn vakantie in Jeruzalem te vieren, in plaats van in Londen of Parijs? Omdat je, besef ik, niet met vakantie gaat naar een land dat je heimelijk vreest. Mede uit particuliere neurosen. In mijn contacten met Nederlanders volstaat een woord, met joodse Nederlanders heb ik aan een half woord genoeg, en in Nederlands-joods gezinsverband, zo blijkt uit deze merkwaardige familiereunie, redden wij ons zelfs met die vergeten gewaande familiecodes, vol one-liners en grappenmakerij, waarachter niettemin oprechte genegenheid verscholen gaat.
Maar Israel is een land met mensen die ik niet versta, mensen die ik nauwelijks begrijp, de Arabieren niet en de joden eigenlijk nog minder. Het is een land waarin zelfs op de goudgele stranden een uitgesproken agressieve sfeer hangt, alsof zich elk ogenblik de apocalyps kan aandienen. Moet ik Israel aangenaam vinden omdat ik toevallig een joodse vader heb? Dan kan ik net zo goed elk jaar in de Duitse gemeente Gladbeck met vakantie gaan omdat daar toevallig mijn moeder is geboren. Nee, een aangenaam land is Israel niet. Niettemin, het is er verre van saai - en over mijn herwonnen band met de misjpoge, boven de blinzes en de appeltaart, ben ik bepaald geroerd.
BIJ HET ONTBIJT nemen wij het dagprogramma door. Veel wonderen, vandaag: de herberg waar de Bruiloft van Kanaan is gehouden, de vlakte van de Wonderbare Broodvermenigvuldiging en een bezoek aan het Meer van Galilea, waar Jezus over het water heeft gewandeld.
Maar de herberg staat wegens verregaande verkrotting in de steigers. Dus rijden wij regelrecht naar Tabcha waar Jezus het voor elkaar kreeg vijfduizend man met vijf broden te voeden.
'En Jezus sprak tot de schare: Wat willen jullie liever, brood of ouwe klare?’ mompelt mijn broer.
Het is een onmiskenbaar Heilige Plaats, geexploiteerd (zullen wij merken) volgens de klassieke wetten van het relitoerisme. Eerst doen de joden hem aan de christenen cadeau. Dan plaatsen de christenen er een kerk overheen. Tenslotte zetten de drie wereldgodsdiensten (joden, christenen en moslims) er een kiosk en een cafetaria naast waar je prentbriefkaarten, Jordaanwater, broodjes gezond en crucifixen kunt kopen.
'En Jezus sprak tot zijn discipelen: Ik neem de fiets, gaan jullie maar tippelen’, mompelt m'n broer.
Aan de oevers van het Meer van Galilea wierf Jezus zijn eerste volgelingen. Sedertdien heeft elk restaurant St. Petrusvis op de spijskaart staan. Het is bovendien de plaats van de synagoge van Kapernaum, waar Jezus de schriftgeleerden versteld deed staan met zijn kennis van recht en wet. Het monument is door de Israelische overheid gewetensvol gerestaureerd, waarna de katholieken er onmiddellijk een kerk naast hebben gebouwd - en wel op de plaats waar Petrus’ vissershut zou hebben gestaan. Monkelend begeven wij ons naar de bus. Wat is het katholicisme toch een kinderachtige godsdienst! Het is toch niet voorstelbaar dat zo'n eenvoudige, ongeletterde visser op precies tien pas afstand van de plaatselijke sjoel, het belangrijkste gebouw van de stad, heeft gewoond? Tja, bij Heilige Plaatsen horen nu eenmaal Heilige Sprookjesvertellingen. Verder dienen wij ons thans geestelijk te prepareren op het hoogtepunt van de dag: Nazareth, waar Maria van de engel Gabriel te horen kreeg dat zij, onbevlekt en wel, de jonge Jezus ter wereld zou brengen.
IN DE BUS ZIT ik naast mijn moeder. Het is een mooie gelegenheid om een jarenlange achterstand bij te praten.
'De onderduik in Huizen herinner ik me nog wel enigszins’, zeg ik. 'Maar die eerste oorlogsjaren in de Sarphatistraat…’
'Kunsjt, je was toen nog een baby’, zegt mijn moeder.
Ik moet het huis, na de oorlog, duizend keer zijn voorbijgelopen. Nee, mijn moeder weet het huisnummer niet meer, zij weet alleen nog dat het pand recht tegenover het gebouw van de Grune Polizei was gesitueerd, die wel dertien keer een inval hebben gepleegd zonder nochtans de zorgvuldig verstopte onderduikers te hebben gevonden. 'Tante Emmy, bijvoorbeeld. En oom Ies. Ken je die nog?’
Ken ik mijn eigen familie eigenlijk wel? Vijftig jaar heb ik moeten wachten, drieduizend kilometer heb ik moeten reizen, om hier, ergens in Israel, tussen neus en lippen door te vernemen… Ik wist natuurlijk zo ongeveer hoe mijn ouders de oorlog zijn doorgekomen. Maar dat zij, alvorens onder te duiken, zelf twee jaar lang joden verborgen hebben gehouden… Waarom heeft mijn moeder daar al die jaren niets over verteld?
'Omdat ik dat niet als verzet beschouw’, zegt zij. 'Verzet werd geboden door de mensen die overvallen pleegden. Ach, al die mensen die de hele tijd maar opscheppen over alles wat zij allemaal in de oorlog hebben gedaan… Wij hebben alleen maar onderduikers verborgen omdat die anders naar Duitsland zouden worden gebracht. Ik noem dat geen verzet, ik noem dat een vanzelfsprekendheid.’
WIJ NADEREN Nazareth. De stad is orientaals, op wat joodse torenflats na, ver in de buitenwijken. En op al die christelijke kerken na, waarvan de Kerk van de Maria Boodschap ons belangrijkste reisdoel is. Niet alleen van ons, maar ook van Galilea Tours, Fairlink Christian Travel, Nazareth Transport, Orientours Pelgrimages en The Mount of Olive Tours. Duizendkoppig begeven wij ons naar de ingang van het godshuis. Die christenen lijken wel stapelmesjogge, zoals zij zich haast vechtend een weg naar het voorportaal banen, om daar, bij de ingang van de Heilige Grot, waar Gabriel aan de ontstelde Maria verscheen, in psalmen en gezangen uit te barsten, de zonnebril opgeklapt, het fototoestel bedrijfsklaar bungelend ten hoogte van de navel. Op de parterre wordt de mis als continubedrijf gecelebreerd: 'And the angel said to her: Have no fear, Mary!’ Een verdieping hoger schreeuwen Nederlanders en Zwitsers hun gewijde gezangen tegen elkander in. 'Wir glauben dass Du lebst.. wir hoffen dass Du kommst…’ Enigszins in verwarring begeven wij ons naar de uitgang. Wat zullen wij kopen van die aardige Arabier op de stoep? Een decoratieve kerststal? Een gedoornkroonde christuskop? Of toch maar niks?
Onder de luifel van snackbar Sheherezade wachten wij op de bus. Als die stoffige stadsbus althans zo vriendelijk is even opzij te gaan.
'Lijn negen. Richting Ajaxstadion’, zegt mijn zwager.
In werkelijkheid rijden wij (een dag later) naar een van de weinige Heilige Plaatsen die nog niet door de christenen is ingepikt: de vesting Massada. De gids, die nog niet door heeft dat de wonderen inmiddels iedereen de strot uit komen, demonstreert ijverig haar relikunde. Links, bovenop die heuvel, is Jezus ten hemel gevaren. En een heuvel verder ligt het dorpje Bethanie, waar Lazerus uit de doden is opgewekt.
'Me togus’, zegt mijn schoonzuster.
Massada is de plaats waar de joden, in 73 na Chr., het laatste verzet tegen de Romeinen boden. De vesting gold als onneembaar. Behalve voor de overheersers, van wie weinig genade te verwachten viel. De historicus Flavius Josephus heeft ons verteld wat er allemaal met de belegerden gebeurde. 'Bij loting kozen zij tien mannen om de rest te doden. Elke man legde zich op de grond neer bij zijn vrouw en kinderen en zij boden hun halzen aan om de slag te ontvangen. En toen de tien hun werk hadden gedaan, werd door het lot een aangewezen die de andere negen moest doden, en tenslotte doodde deze zichzelf.’
De beschrijving van de vesting delegeer ik gemakshalve aan de toneelschrijver George Tabori: 'Vanaf de top ziet men in het zuiden Egypte, Tunesie en Algerije, in het oosten ziet men Jordanie en Saoedi-Arabie, in het noorden ziet men Irak, Libanon en Syrie. In het westen ziet men, op een heldere dag, Auschwitz.’
Vandaar dat hier, hoog boven de woestijn, Israels militairen worden beedigd.
'Nooit meer Massada!’
Het rotsgesteente lijkt inderdaad onneembaar. Behalve voor diegenen die gebruik maken van de kabelbaan die onze Israelische gastheren inmiddels hebben aangelegd. Het blijft een zware tocht, want boven op de berg zal zeker twee uur lang in de kokende hitte worden rondgesjouwd. Bezorgd kijken wij naar mijn moeder die, op haar leeftijd, niet meer zo goed ter been is. Bezweringen onzerzijds ('Ma, blijf toch lekker in de bus!’) hebben niet geholpen. Vrouwmoedig sjokt zij langs de diverse ruines. Schijnbaar onaangedaan strompelt zij de bus weer in, onder applaus van de medepassagiers en hoerageroep van de familie.
'Blij dat ik weer zit’, zegt zij.
Historie maakt hongerig. Gelukkig voorziet zelfs de woestijn in een cafetaria. De kebab ziet er zo slecht niet uit. Dus die bestellen wij.
'Woensdag gehaktdag’, zegt mijn zwager.
'Behalve dat het inmiddels donderdag is’, zegt mijn zuster.
'Dan is het zeker gehakt van gisteren’, zegt mijn broer.
ONS WEEKJE relitoerisme nadert zijn einde. Niettemin, met alle respect voor de vakkundige wijze waarop Jezus zijn wonderen verrichtte, wij, joden en christenen, zijn uiteindelijk in de eerste plaats gekomen voor de stad waarvoor hij twintig eeuwen geleden met Romeinse barbaarsheid ter dood is gebracht. In gewijde stilte laten wij ons naar de top van de Olijfberg vervoeren. Ja, er is toch een emotioneel verschil tussen een vakantie in Benidorm en een vakantie in het Heilige Land. Daar sta je dan, hoog boven het gesnerp der gidsen en het gejammer der minaretten, oog-in-oog met Jeruzalem, de stad die al drieduizend jaar lang de navel der wereld is. Ik realiseer mij scherper dan ooit: mijn belangstelling voor schriftuurlijke zaken is primair cultureel bepaald, maar de cultuurdragers van de bijbelse boodschap - zo'n Johann Sebastian Bach bijvoorbeeld - waren de slechtsten niet. 'Ach, een kind, door u verkoren, aan uw milde borst verloren, zoekt zijn Hoeder te vermoorden, en is van duif tot slang geworden…’ De Hoeder was natuurlijk Jezus en genoemde slang was de ongelukkige Judas, die hem voor dertig shekel heeft verraden. Hier, in het Hof van Getsemane, honderd meter verder gelegen.
Naar de bus. 'Toch niet meer kerken, hoop ik’, huivert mijn zuster. 'Daar word ik langzamerhand gallisch van.’
Integendeel, wij gaan naar Yad Washem, de herdenkingsplaats van de vermoorde joden, die jood noch christen links kan laten liggen. Het eerste monument behelst een aardedonkere zaal waarin een onnoemelijk aantal kaarsjes de kinderen symboliseert die door de nazi’s om het leven zijn gebracht. Geschonken door Abraham en Edita Spiegel, Beverly Hills, ter nagedachtenis van hun zoon Uziel, Auschwitz, 1944, lezen wij op de gedenksteen als wij weer buiten staan. Mijn zwager wrijft langs zijn ogen - hij is trouwens de enige niet.
Dan gaan wij naar het tweede monument, een verzameling van al de verschrikkelijke foto’s die ons al jarenlang onder onze neergeslagen ogen worden gebracht.
'Nee, dat is niets voor Max’, zegt mijn zuster en gaat met haar man op een muurtje zitten, lekker in de zon.
Ik loop in het voetspoor van mijn moeder, die ook voor dit ongemakkelijke programmaonderdeel haar hand niet omdraait. Het zijn documenten uit haar jongemeisjesjaren. Wij passeren foto’s van de gemolesteerde joodse winkels. 'Ach God, wat een schande! Gelukkig was ik toen al weg.’ En een vitrine met davidsterren, het vernederendste stigma uit de geschiedenis der mensheid. 'Ja, pa heeft die ook moeten dragen. Hij probeerde er altijd zijn tas voor te houden.’
In ijltempo passeren wij de foto’s van de concentratiekampen, foto’s waar wij geen van tweeen veel behoefte aan hebben. Dan blijven wij steken voor die beroemde foto van dat kleine, Poolse jongetje met die pet, in het getto van Warschau onder schot gehouden door een Duitse soldaat. 'Moet je dat kind zien! En die SS'er! Dat waren toch geen mensen meer, dat waren gewoon beesten!’
Hebben wij nog tijd om op zoek te gaan naar de boom in het Bos der Rechtvaardigen, die ter nagedachtenis van haar ouders is geplant? Nee, zegt de reisleiding bezorgd, want wij moeten nog naar een diamantslijperij, en wij moeten nog, voor zover de tijd het toelaat, naar de Oude Stad. Die boom heeft, vinden wij, prioriteit, in elk geval meer dan die stomme diamantfabriek, maar ach, ons rest nog een volle week op Israelische bodem, ergens in een strandhotel, zodat er nog alle ruimte is voor tweede dagje Jeruzalem. Hetgeen een halve week later is geschied. Ik doe deze mededeling teneinde de familiekroniek zo compleet mogelijk te maken.
VIA DE DAMASCUSPOORT betreden wij de Oude Stad, die luttele vierkante kilometers waarop joden, christenen en Arabieren elkaar met vooruitgestoken baarden, wapperende pijpekrullen en flapperende pijen proberen te verdragen. De resterende vierkante meters zijn voor de toeristen. Op de stoep van de winkeltjes proberen joodse en Arabische aanschmoezeniers ons hun godslasterlijke rotzooi aan te smeren, liefst in ruil voor harde dollars. Bij statie nummer zes van Jezus’ Via Dolorosa, waar Veronica hem zijn gemartelde voorhoofd wies, worden bijpassende T-shirts verkocht. De Klaagmuur ligt op honderd meter afstand. Is er onder die vrome joden die daar verzameld zijn, werkelijk niemand die zich beklaagt over het feit dat dit grote moment in de geschiedenis der mensheid inmiddels door louter louche kleinhandelaren wordt geprofaniseerd? Vol verlangen kijk ik in de richting van de Koning Davidspoort, waardoor Jezus toentertijd de stad betrad teneinde de godslasterlijke geldwisselaars uit de Tempel te ranselen. Maar de Koning Davidspoort is inmiddels dichtgemetseld, zodat Jeruzalem gedoemd is tot het einde der tijden de Hema onder de Heilige Steden te blijven. Lopen er eigenlijk normale mensen in deze gemeente rond? De paters straalt de godsdienstwaanzin uit de ogen. En die bebrilde, bebaarde en bleekneuzige pinguins die de hele dag in de Heilige Boeken studeren zonder dat de mensheid er merkbaar beter van wordt, lijken mij ook niet de hoop der natie. In looppas banen zij zich een weg door de smalle stegen, een vernietigende blik werpend op mijn broer die hen (in alle discretie) probeert te filmen.
'Spaar je de moeite, Ben’, zegt mijn schoonzuster. 'Ga naar Buitenveldert. Daar vind je er inmiddels meer.’
WIJ ZIJN net op tijd terug voor het sjabbes-maal. Opgediend op het rituele witte tafelkleed, geserveerd door aardige Arabische obers. Wat een vakantie! verzuchten wij. Onvergetelijk, maar het is goed dat wij nog een week vakantie hebben om van onze vakantie uit te rusten. 'Heb ik jullie wel eens verteld, van die kennis van ons…?’ begint mijn zuster. 'Dat is een christenman die hier, in Israel, verkering met een joods meisje kreeg. Dus moest hij zich onder rabbinaal toezicht laten besnijden. Dat is nog een heel werk geweest, want het is een gezonde Hollandse jongen met een jongeheer waarop, zoals hij zelf altijd zei, twaalf spreeuwen kunnen staan…’
Ha, daar is de gefillte Fisch!
Drie gangen later zakken wij vergenoegd achterover. Dus dat is dan afgesproken: volgend jaar gaan wij weer gezamenlijk op stap, nu naar de Heilige Plaatsen in Irak en Iran, met name naar de Heilige Plaats waar Saddam Hoessein overmorgen door de Israelische Geheime Dienst van het keukentrapje zal worden gedonderd.
Precies een week later staan wij, midden in de nacht, weer op het vliegveld Ben Goerion, waar ons familie-uitje twee weken geleden is gestart. De ondervraging van de veiligheidsfunctionarissen duurt drie kwartier de man/vrouw, want de Israelische security is de beste ter wereld. In de krantenkiosk ligt een extra editie van de Jerusalem Post. Het blijkt dat een jonge, joodse student heeft besloten de geschiedenis van de jonge, joodse staat eigenhandig een andere wending te geven.