Een reisgids voor rome

Kees Verheul, Het mooiste van alle dingen: Romeinse essays. Uitgeverij Querido, 216 blz., f39,90
OMGEVALLEN ZUILTJES met slecht geklede toeristen ervoor. Cohorten fotograferende Japanners op de vloer van de Sixtijnse Kapel. Auto’s die luid toeterend Zandvoort spelen. Van Roomse kitsch uitpuilende kerken, met als droevig dieptepunt de Sint Pieter. Hitte en smog. Duur bier. Tasjesdieven op scooters: brutti, sporchi e cattivi. Nee, ik heb het niet zo op Rome. Geef mij Dublin maar, of Deventer. Van Romeinse essays ben ik een tamelijk vooringenomen lezer. Daar komt bij dat ik nogal sceptisch sta tegenover pogingen poezie en werkelijkheid met elkaar in verband te brengen. Wat dichters over hun eigen werk beweren, is meestal onzin, en ik geloof niet dat een excursie naar Hoonte mijn inzicht in het werk van Achterberg zou vergroten. En waagt een dilettant zich aan Latijnse literatuur, dan gaat er vaak van alles mis.

Toch is Het mooiste van alle dingen een buitengewoon overtuigend boek. Dat komt niet door Verheuls poezie-interpretaties - die gaan bijna allemaal veel te ver - en ook niet door zijn stijl - die soms vrij onbeduidend, soms ronduit slecht is - dat komt door zijn methode en door zijn verbluffende eruditie. Alsof hij van tevoren echt niet weet waar hij heen wil, slentert Verheul door de straten en stegen van de literatuur, om uiteindelijk steeds op een onbekend plein terecht te komen. Niet dat plein is interessant, maar de weg ernaartoe: ‘De bezigheid van de dichter en die van de lezer zijn, naar ik vermoed, in wezen aan elkaar gelijk. Zoals de dichter zoekt naar een samenhang in de klanken en ideeen die uit zijn onderbewustzijn naar de oppervlakte komen, zo speurt de lezer naar een betekenis in de vaak raadselachtige woorden die de dichter op schrift heeft gesteld. En beiden gaat het, denk ik, meer om het proces van dit gefascineerde zoeken zelf dan om het bereiken van een resultaat: een af gedicht, een sluitende interpretatie.’
EEN UITBUNDIG vertoon van belezenheid is gevaarlijk. De lezer schaamt zich voor zijn eigen ongeletterdheid, of hij ergert zich aan de opschepperij van de auteur. Maar de eruditie van Verheul, die met het grootste gemak uit de Latijnse, Italiaanse, Engelse, Russiche en Duitse literatuur put, wekt bewondering en een hevig verlangen om alle door hem genoemde boeken onmiddellijk te gaan lezen. Want Verheul maakt voelbaar waartoe eruditie ook al weer bedoeld was: niet om te imponeren, maar om greep te krijgen op het leven.
Wat literatuur in een mensenleven kan betekenen, wordt duidelijk in het eerste essay 'Poetic Passion’, dat, meen ik, eerder in Tirade verscheen (vreemd genoeg bevat het boek geen verantwoording). Het verslag van een bezoek aan een vroegere leermeester, Clay Hunt, vormt de aanzet tot een stroom van herinneringen en bespiegelingen rond twee vragen, namelijk wie zijn leermeester Clay Hunt nu echt was, en wat goede literatuur is. Hunt had in 1957 grote indruk op Verheul gemaakt met zijn close reading van Engelse poezie, Eliot bijvoorbeeld: 'Poetry is not a turning loose of emotion, but an escape from emotion; it is not the expression of personality, but an escape from personality. But, of course, only those who have personality and emotions know what it is to want to escape from those things.’ Voor de zeventienjarige Verheul was dit een openbaring: 'Schoonheid als iets scherps en precies, als een exquise pijn, als een door haar onpersoonlijke volmaaktheid overrompelende ervaring, was een beeld dat me afstootte en diep aansprak.’
Tussen docent en student ontstaat een soort vriendschap, maar pas na het overlijden van Hunt in 1977 realiseert Verheul zich dat hij Hunt eigenlijk nauwelijks heeft gekend. Evenmin als een intrigerend gedicht had Hunt zijn geheimen ooit prijsgegeven. Het verslag van Verheuls zoektocht naar de persoonlijkheid van zijn leermeester leest als de interpretatie van een duister gedicht: 'Als we niet veel van onszelf en elkaar kunnen begrijpen, is een van de beste vormen van communicatie het elkaar doorgeven van geladen, in hun betekenis naar alle kanten open blijvende citaten.’
HOEWEL VERHEUL een verklaard voorstander van close reading is, deinst hij er niet voor terug op een omzichtige manier gebruik te maken van biografische gegevens. Dat dit, mits met verstand toegepast, zinvol kan zijn, blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passage uit het opstel over Leopardi: 'In een van zijn prozafragmenten vertelt Leopardi over de indrukken die hij als kind onderging van een fresco in het plafond van zijn slaapkamer. Turend naar een tafereel met herders en schapen fantaseerde hij over een paradijselijke wereld, waar de tijd stilstond en vormde hij onwillekeurig het ideaal van zijn latere poezie (…) De fresco’s naar zeventiende- eeuws model die je nog steeds in huize Leopardi kunt zien zijn volgens mijn lekesmaak niet beter en niet slechter dan die van elk ander aristocratisch palazzo, maar op een minnaar van het oeuvre waartoe ze de eerste aanzet hebben gegeven, werken ze als een verrassing. Mij althans hebben ze de ogen geopend voor het element van traditionele gestileerdheid in Leopardi’s overigens zo eigen, zo moderne poetische wereld.’ Verheul suggereert dus niet dat de fresco’s een verklaring voor Leopardi’s poetisch universum vormen, maar geeft slechts aan hoe zijn eigen visie op Leopardi werd verscherpt toen hij het palazzo bezocht. Was iedere poezielezer maar zo zorgvuldig.
NIET ALLEEN DE route die Verheul kiest, ook het tempo waarin hij loopt is precies goed. Ik had meermalen de ervaring dat ik, meedenkend met Verheul, een bepaalde wending hoopte of verwachtte, die zich dan in de volgende alinea inderdaad voordeed. Bij het lezen van het fragmentarische essay over de stad Rome kreeg ik het idee een iconisch verband te leggen tussen de opbouw van het verhaal en de ruines van het Forum. En juist op het moment dat ik dat bedacht, bleek dat Verheul me voor was geweest: 'Als criticus van deze “brokken” zou ik opmerken dat de vorm, heel zinvol, doet denken aan het Forum Romanum: afgekapte zuilen, steenfragmenten her en der en onkruid. Een slimme gedachte, maar de auteur heeft het niet zo bedoeld.’
Verheul constateert dat critici de interpretaties van Hunt 'overingenious’ hebben genoemd; helaas lijden Verheuls eigen analyses aan hetzelfde euvel. Zo bespeurt hij bij Horatius anagrammen, waar slechts sprake is van allitteratie. Wanneer Horatius de muze Melpomene aanroept, worden, aldus Verheul, de letters van haar naam als een muzikaal motief herhaald: 'Quem tu, Melpomene, semel/ nascentem placido lumine videris.’ Als dat waar is, bevat de volgende zin een anagram van 'Kees Verheul’: 'Ook in versregels zonder namen creeren bij Horatius de klanken etc.’
Dat Vergilius het prachtigste Latijn heeft geschreven dat er bestaat, klopt. Maar de bewering dat Vergilius 'alles begreep’, lijkt me aanvechtbaar. Ondanks jarenlange verwoede pogingen mijn enthousiaste vakgenoten te volgen, heb ik de Aeneis nooit als meer kunnen zien dan een vrij slap verhaal met een onbekommerd rechtse moraal en personages van goedkoop ingekleurd karton.
Ook Verheuls visie op Ovidius kan ik niet navoelen: 'In de Metamorphosen laat Ovidius zien dat belevenissen tijdens een hardloopwedstrijd in wezen gelijkstaan aan de belevenissen tijdens een seksavontuur en dat beide gelijkstaan aan belevenissen tijdens een goed verteld verhaal.’ Misschien ben ik te grof besnaard, maar mij heeft Ovidius nog nooit een erectie bezorgd. En als iemand in 'iedere snelheidsmeting’ 'erotische symboliek’ ervaart, zegt dat vooral iets over zijn libido.
EEN TREFFEND voorbeeld van Verheuls uitlegkunde is het essay over het gedicht 'De Bleekersgast’ van Guido Gezelle. Het stuk begint met de beschrijving van een foto (die ernaast is afgedrukt) waarop Gezelle een pijpje rookt bij de fabrikantenfamilie Vercruysse. Bewondering voor Gezelle verleidt Verheul tot twee bladzijden puur gelul, dat echter organisch overgaat in een beschouwing over Gezelles houding tegenover de industriele samenleving. Verheul brengt 'De Bleekersgast’ in verband met een embleem uit Het menselyk bedryf van Jan Luyken, constateert een aantal opmerkelijke verschillen, en verbaast zich erover 'hoe discreet en hoe modern onze negentiende-eeuwse dichter is omgegaan met zijn zinnebeeld, hoeveel voor het grijpen liggende mogelijkheden tot symboliek hij ongebruikt heeft gelaten’ - terwijl de conclusie natuurlijk moet zijn dat 'De Bleekersgast’ helemaal niet zinnebeeldig is. Desondanks is Verheul erin geslaagd het gedicht in een sprankelend nieuw licht te plaatsen, met het gevolg dat ik liefst meteen de complete Gezelle zou gaan lezen.
En ik denk dat ik ook maar weer eens naar Rome ga.