Duitsland mag weer ten oorlog

Een reus in het hart van Europa

Voor het eerst sinds 1945 zal de Bundeswehr deelnemen aan een oorlog. Duitsland kruipt weg uit zijn ondergeschikte positie en moet zich, ook als het aan bondskanselier Schröder ligt, weer gedragen als de reus die het werkelijk is. Over «het Duitse nationale belang» wordt zonder historisch schuldgevoel gesproken.

Skopje, begin april — Een angstaanjagend, gierend geluid komt snel naderbij. Het is een pantserwagen die op weg tussen de Macedonische hoofdstad Skopje en de stad Tetovo op hoge snelheid personenauto’s passeert. Uit de geschutskoepel steekt een hoofd in bivakmuts, dreigend boven het snelvuurkanon. Uit een luik aan de achterkant van het vehikel verheft zich een in gevechtstenue gehulde soldaat die met een groot machinegeweer achterop komend verkeer op een afstand houdt.

Niets vreemds aan in Macedonië. Begin april maakten Albanese rebellen de streek rond Tetovo en Skopje onveilig. Hun lievelingsdoelen waren politieagenten en militairen.

Toch klopte er iets niet. Want de gierende pantserwagen met zijn zwaarbewapende berijders droeg niet de rood-gele Macedonische zon als herkenningsteken. Het ding was beschilderd met een groot zwart kruis met witte randen: het herkenningsteken van de Duitse Bundeswehr.

In Tetovo was een duizend koppen tellend Duits contingent gelegerd. Bevoorradings troepen voor het Duitse Kfor-legioen in Kosovo, heette het officieel. Maar in de praktijk bleek de eenheid zo zwaar bewapend — met pantserwagens, mortieren en zware machinegeweren — dat Macedoniërs in Tetovo spraken van een bezettingsmacht. Toen Albanese rebellen per abuis enkele mortiergranaten deden belanden in de buurt van de Duitse kazerne, brieste Rudolph Scharping, minister van Defensie: «Wij laten ons door niemand bij de neus nemen, ook niet door Albanese terroristen.»

Het jargon klonk nog wat onwennig. Maar de tegenmaatregel loog er niet om. Per omgaande liet Scharping Leopard-tanks naar Tetovo overbrengen. Eind september toonde Michael Steiner, adviseur voor buitenlandse zaken van de Duitse bondskanselier Gerhard Schröder, zich al wat bedrevener in het uiten van dreigende taal. «In aanwezigheid van Duitse soldaten in Macedonië zal er geen Srebrenica plaatshebben», waarschuwde hij de strijdende partijen — en passant het Nederlandse leger (dat voor een groot deel met Duitse eenheden in een Duits-Nederlands legerkorps is ondergebracht), diep beledigend.

De boodschap was duidelijk: Duitsland is terug op de Balkan.

«Toen ze daar troepen gingen ontplooien, dacht ik: op de Balkan zijn ze al eens geweest», zegt oud-PvdA-minister van Defensie (1973-1977) Henk Vredeling. «Het is wel wat raar om daar dan weer dat ijzeren kruis te zien. Het zou mijn idee niet zijn geweest om dat te behou den voor de Bundeswehr. Ik heb hun voorgangers nog zien lopen met die kruizen van ze.» Het herkenningsteken van de Bundeswehr is een beladen symbool. Het stamt van de vroegmiddeleeuwse Duitse ridderorden, en werd prominent gevoerd door de Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zowel als herkenningsteken op vliegtuigen en voertuigen als ter onderscheiding van betoonde dapperheid. Het kruis met zijn vier wijd uitlopende poten werd zo een van de symbolen voor de oorlogsmisdaden van de nazi’s. Volgens de Bundeswehr moet het ijzeren kruis heden ten dage worden beschouwd «als nationaal herkenningsteken, en als zinnebeeld voor dapperheid, vrijheidsliefde en ridderlijkheid». Menig oudere inwoner van Macedonië en Kosovo zal daar anders over hebben gedacht. Het Duitse optreden in wat vroeger Joegoslavië was, kostte (direct dan wel indirect) het leven aan 1,7 miljoen mensen. Een moeilijk uitwisbare herinnering.

Zoveel Duitse onverschilligheid jegens het oorlogsverleden is uiterst zeldzaam. Over het algemeen zijn Duitse politici zich juist zeer bewust van de gevoeligheden die de geschiedenis met zich meebrengt. Ook nu weer. Want voor het eerst in de naoorlogse Duitse geschiedenis zal de Bundeswehr deelnemen aan een oorlog. Tenminste, als de Amerikanen het nog nodig vinden een beroep te doen op de Fuchs-pantserwagens, de vliegende hospitalen, marinevaartuigen en de honderd man commandotroepen van de Kommandos Spezialkräfte die Schröder heeft aangeboden. Het gaat om het principe. De ongeveer 3900 Duitse manschappen kunnen worden ingezet om oorlog te voeren, dan wel de oorlogsvoering te ondersteunen. De missies in Kosovo en Macedonië zijn officieel «humanitair» van aard, en er juist op gericht strijdende partijen uit elkaar te houden.

«In mijn tijd was inzet van de Bundeswehr buiten het Duitse grondgebied volstrekt ondenkbaar», zegt Henk Vredeling. «Dat had natuurlijk te maken met het Duitse verleden en de angst dat Duitsland weer militaristisch werd. Maar ook met de onmogelijkheid van buitenlandse inzet. Er waren toen geen vredesmissies, de situatie was heel anders.»

Het besluit troepen ter beschikking te stellen voor de «oorlog tegen de terreur» is een historisch besluit, en zo werd het ook gevoeld in Duitsland. De bondskanselier zelf maakte het nieuws bekend. Duitsland, zo werd hij niet moe te benadrukken, moet nu eindelijk zijn verantwoordelijkheid nemen. De Amerikaanse vraag om Duitse militaire bijstand was in zijn ogen de uiterste consequentie van de «onbeperkte — ik benadruk: onbeperkte — solidariteit van Duitsland» die hij de Amerikaanse president George W. Bush toezegde. In Schröders redevoeringen en interviews van na de aanslagen van 11 september betoont de man die er meermaals van werd beschuldigd geen grootse ideeën te koesteren, een opmerkelijke visie. Uit alles blijkt dat hij Duitsland een nieuwe fase wil laten ingaan. Dat hij de oorlog en zijn nasleep nu écht achter zich wil laten.

In de Bondsdagrede van 11 oktober gaf Schröder aan te streven naar een nieuwe rol op de wereldbühne: «Na het einde van de Koude Oorlog, herstel van de staatkundige eenheid van Duitsland en het opnieuw uitoefenen van onze volledige soevereiniteit moeten we onze internationale verantwoordelijk op een nieuwe manier uitdragen, een verantwoordelijkheid die voortkomt uit onze rol als belangrijke Europese en transatlantische partner, maar ook als sterke democratie en economie in het hart van Europa. (…) Internationale verantwoordelijkheid op je nemen en daarbij elk risico vermijden kan en mag niet de leidraad zijn van de Duitse veiligheids- en buitenlandpolitiek.» Om twee weken later in le Monde uit te leggen waarom deze wending nodig is: «We kunnen niet meer zeggen dat we een opgedeeld land zijn en op een aparte behandeling naast onze partners aanspraak maken. Niemand zou het begrepen hebben, en zeker de Verenigde Staten niet, als we ons anders opgesteld zouden hebben. Het is echter niet bepaald eenvoudig daarvoor in onze maatschappij een draagvlak te creëren. Wij Duitsers zijn gewend geraakt aan het beeld dat we economisch een reus en politiek een dwerg zijn. Dat paste goed bij ons, daarbij voelden we ons goed. Niemand zou het nu toelaten dat we een dergelijke positie zouden blijven bekleden.»

Met andere woorden: Duitsland moet zich weer gedragen als de reus die het werkelijk is, zowel op politiek als op economisch gebied. Gulliver slaakt zijn banden, en richt zich op. Eerder al maakte Schröder duidelijk niet meer terug te deinzen voor het benoemen van zoiets beladens als «het Duitse nationale belang». Hij deed dat wederom in de Bondsdag, bij het uitzenden van Duitse gevechtseenheden naar Macedonië, om de Albanese rebellen te ontwapenen. «Wat doen jullie eigenlijk op de Balkan? Wat willen jullie daar? Dat vragen vooral oudere mensen zich af die de Tweede Wereldoorlog nog hebben meegemaakt en daaraan herinneringen hebben, anders dan ik en anderen van mijn leeftijd alsmede degenen die jonger zijn.» Schröder beantwoordde de gewetensvraag glashelder: «De Duitsers zijn op de Balkan omdat zij een eigen nationaal belang hebben bij stabiliteit in de regio.» En stabiliteit definieerde hij als «een kans op vrede en welvaart».

Het was Gerhard Schröder die met goed voorbereide toespraken stukje bij beetje de historische zwenking in het buitenlandbeleid van Duitsland naar buiten bracht. Zijn defensieminister Scharping en Joschka Fischer van Buitenlandse Zaken kwamen er niet aan te pas. Schröder heeft zich zo waarschijnlijk een plaats verworven in de Duitse geschiedenis. Met het verdwijnen van Helmut Kohl verdween ook het oorlogstrauma uit beeld en werd het herenigde Duitsland eindelijk volwassen. Een goede zaak voor Europa en de wereld, want Schröder laat er geen twijfel over bestaan dat het Duitse optreden slechts kan en zal plaatsvinden binnen het raamwerk van de Europese Unie, de Navo, en eventuele «gelegenheidscoalities» als die tegen de terreur. Dat hij juist in de belangrijkste Franse krant duidelijk maakte dat Duitsland de machtspositie opeist die het zijns inziens behoort in te nemen, maakt duidelijk dat de Frans-Duitse as, de Europese motor die de laatste jaren toch al plofte en kuchte, tot het verleden behoort. De Fransen doen er merkwaardig luchtig over. «Heel goed voor onze positie» noemde de Franse minister van Buitenlandse Zaken Hubert Védrine in een interview met de Frankfurter Rundschau de nieuwe Duitse politiek.

Volgens dr. Alfred van Staden, directeur van Instituut Clingendael en bijzonder hoogleraar internationale betrekkingen te Leiden, is het logisch dat Schröder de normalisering van zijn land ter hand heeft genomen. «Er is een nieuwe generatie leiders die minder belast zijn door het verleden. Je ziet dat dat uiteindelijk gevolgen heeft voor de machtsverhoudingen in Europa. Schröder voelt zich niet meer geroepen om hand in hand met Chirac het einde van de Eerste Wereldoorlog te herdenken. ‹We moeten vooruitzien›, zegt hij. En Fischer speelt, zonder onder een historisch schuldgevoel gebukt te gaan, een veel grotere rol in de internationale diplomatie dan zijn voorgangers. Duitsland kruipt langzaam maar zeker weg uit zijn ondergeschikte positie. Zeker door Frankrijk laat het zich niet meer de les lezen. Normalisering houdt in dat Duitsland zich binnen Europa gedraagt als Frankrijk en Engeland, en dat het dus ook medeverantwoordelijkheid neemt op internationaal gebied. De Duitsers doen hun best, maar ze blijven een geval apart wegens hun moeite met de inzet van de Bundeswehr, het pacifisme van de Groenen en ook de twijfels die binnen de SPD bestaan over bijvoorbeeld de effectiviteit van de Amerikaanse strategie in de huidige oorlog.»

De terbeschikkingstelling van Duitse militairen voor de oorlog tegen de terreur is cruciaal voor de nieuwe internationale rol die Schröder wil spelen. Zou de Bondsdag niet akkoord gaan met hun uitzending, hoe kon Duitsland dan nog serieus worden genomen als bondgenoot en opkomende Europese grootmacht? Even zag het ernaar uit dat het voorstel het niet zou redden. Binnen de rood-groene regeringscoalitie van de sociaal-democratische SPD en Bündnis 90/die Grünen tekende zich brede weerstand af tegen het actief bijdragen aan een Amerikaanse vergeldingsoorlog. Om het voorstel toch aangenomen te krijgen en tegelijkertijd te tonen dat het hem ernst was, stelde Schröder afgelopen vrijdag de vertrouwensvraag. Dat was nog maar twee keer eerder gebeurd in de geschiedenis van de Bondsrepubliek. Als de uitzending zou worden weggestemd, zou dat het einde betekenen van de regering-Schröder. De dissidente SPD-leden gingen allen overstag, van de acht weiger achtige Groenen-pacifisten besloten er vier uit tactische overwegingen toch maar voor te stemmen.

Schröder kreeg nipt zijn 3900 militairen en daarmee de afgedwongen steun van zijn eigen coalitie voor een volwassener buitenland- en veiligheidspolitiek.

Accepteert de wereld het wel van ons dat we militairen uitzenden? Zijn we niet te gretig met macht, gaat dat wel goed? Die twijfel, die een ontspannen en rationele Duitse internationale politiek in de weg staat, komt voort uit wat «de Duitse kwestie» is gaan heten. De Duitse kwestie bestaat uit een vraag: hoe is het mogelijk dat één en hetzelfde land in de loop van nog geen eeuw twee wereldoorlogen op zijn naam schreef en twee onmenselijke dictaturen voortbracht? In de loop der tijd zijn allerlei antwoorden op die vraag bedacht. Het zou de late Duitse natievorming zijn geweest (1871, stichting van het Wilhelminische keizerrijk); de veel te snelle modernisering; de aard van het onderwijs; de geografische ligging in het hart van Europa, waardoor door middel van een agressieve «schommelstoelpolitiek» West en Oost tegen elkaar moesten worden uitgespeeld om niet vermorzeld te raken tussen de windrichtingen; de nadruk op het private en het autoritaire binnen de Duitse samenleving. Hoe dan ook: Duitsland had zich ergens in de geschiedenis van de rest van Europa afgewend en was eenzaam voortgegaan op zijn Sonderweg, die tot hel en verdoemenis leidde.

Oud-minister Henk Vredeling: «Nederland is er altijd voor geweest dat Duitsland volledig bij Europa werd betrokken. Je creëert een lastige situatie als je de Duitsers alleen laat. Daar zijn ze zelf ook een beetje bang voor. Duitsland heeft een belast verleden en dat gaat alleen maar zwaarder wegen als je het apart houdt. Reken maar dat ze beseffen dat ze al eens op de Balkan zijn geweest. Maar door er terug te komen, kunnen ze tonen dat het nu anders is. Rond de eenwording heeft Duitsland zich steeds heel terughoudend opgesteld. Maar het heeft de hereniging nog steeds niet verwerkt. Dat maakt het land politiek en economisch kwetsbaar. Duitsland heeft altijd moeite gehad met zijn bijzondere positie. Tachtig miljoen mensen, daarmee ben je de baas in Europa. Dat is een van de redenen dat ik altijd flink heb rondgesjouwd in Europa om de Duitsers een plek te geven. Om onheil te voorkomen.»

Geen Europees land heeft zich in de twintigste eeuw zo vaak en zo snel weer opgericht als Duitsland, schrijven Frits Boterman en Willem Melching in De Duitse Phoenix. De oorlogen waren verwoestend, maar het herstel was wonderbaarlijk. Uiteindelijk zou ook de geopolitieke leiderspositie van Duitsland weer in zicht komen. Nog vóór de val van de Berlijnse Muur realiseerden de Amerikanen zich dat Duitsland onvermijdelijk de leidende macht in Europa zou worden. Dat was niet wat de Duitsers zelf wilden horen: nog steeds werd de politieke elite uiterst nerveus als ze dacht aan de consequenties van die macht. Volgens velen was het herenigde Duitsland simpelweg te groot om onschuldig te kunnen blijven. Toen de oorlogen in Joegoslavië uitbraken, verrichtte het halbstarke Duitsland maar half werk: Slovenië en Kroatië werden in een vroeg stadium erkend, en dat zette de toon voor het Europese beleid. Maar Duitsland weigerde Europa op sleeptouw te nemen waar het ging om militair ingrijpen. Duitsland wilde zich koste wat het kost houden aan de grondwettelijke bepaling dat de Bundeswehr niet buiten de grenzen mocht. Politiek en psychologisch achtte Duitsland zich niet in staat voor te gaan in militaire actie op de Balkan. Pas begin jaren negentig ging de Bondsdag na intensieve debatten akkoord met een nieuwe interpretatie van de grondwet, waardoor militair ingrijpen in Navo- of VN-verband in bijvoorbeeld Joego slavië mogelijk werd. In 1994 keurde het Bundesverfassungsgericht de interpretatie goed. Het gemodder had geleid tot een zeer gedemoraliseerde Unie, die niet had kunnen voorkomen dat op anderhalf uur vliegen van Berlijn tweehonderdduizend doden vielen.

Volgens prof. dr. Ton Nijhuis, waarnemend wetenschappelijk directeur van het Duitsland Instituut in Amsterdam, wordt de nieuwe leidersrol Duitsland opgedrongen. «Niemand geeft de Duitsers de ruimte om hun eigen beleid te voeren. Kijk naar (kandidaat EU-lid en Navo-bondgenoot) Polen. Dat hangt aan de bel in Berlijn als het iets geregeld wil hebben, niet in Brussel. Ze zetten de Duitsers moreel onder druk. In de trant van: jullie hebben ons zoveel aangedaan, nu mag je weleens helpen.»

Nijhuis stelt vast dat het slecht gaat met de EU. «En dus is er sprake van een renationalisering. Duitsland houdt daar niet van, gezien het verleden, en probeert onder die renationalisering uit te komen door te spreken in Europese termen. De hereniging werd als een Europees project gepresenteerd, niet als een exclusief Duitse aangelegenheid. Het liefst zouden ze de Polen naar Brussel doorverwijzen. Maar dan moet Europa wél functioneren, en dat doet het niet. Duitsland is bereid om een groot gedeelte van zijn nationale soevereiniteit op te geven om Europa draaiende te houden: de ijzersterke mark wordt ingeruild voor een dubieuze euro. Maar het krijgt er nauwelijks iets voor terug. Kijk maar naar de lauwe reacties op Fischers plan om de structuur van de EU te hervormen. De zaken waar Duitsland het moeilijk mee heeft, buitenlandbeleid en veiligheidspolitiek, waren daarin communautair geregeld. Dat had Duitsland lucht gegeven. Maar er komt niets van terecht.»

Nijhuis constateert een groeiende «Bonnalgie», naast de «Ostalgie» van de voormalige Oost-Duitsers. «Tijdens de republiek van Bonn waren al die problemen er niet — Oost-Europa dat aan de poort klopt, bondgenoten die militaire inzet verlangen, economische crisis. Duitsland kon zich klein houden. Dat maakte het politieke leven een stuk overzichtelijker. Men kon de VS en West-Europa volgen. Tegenwoordig staat Duitsland min of meer zelf aan het roer van de EU. Dat is even wennen.»

Volgens Nijhuis is er geen garantie dat er niet een flinke terugslag komt in het Europese integratieproces. Als de EU naar het oosten uitbreidt, verlegt het zwaartepunt zich automatisch nog meer naar Berlijn. Als de EU net zo stug blijft functioneren als nu, krijgt Duitsland nog meer zeurende buren aan het hoofd, plus een fikse dosis frustratie omdat het zijn kaarten heeft gezet op een Europese Unie die niet werkt. De reactie kan dan maar een kant op: nog sterkere nationalisering. Tel daarbij op dat Duitsland op dit moment economisch gezien de zieke man van Europa is, en er is een heel scala aan doemscenario’s denkbaar.

Zo’n vaart zal het niet lopen, meent Dr. Kerry Longhurst, docent Duitse en Europese Veiligheid aan het Institute for German Studies in Birmingham. «Je ziet hier in Groot-Brittannië juist een proces van geruststelling. Tot ongeveer midden jaren negentig waren politici er niet gerust op dat het goed zou aflopen met de Duitse eenwording. Maar door de terughoudendheid die Duitsland heeft betracht, en misschien nog meer dankzij de nieuwe generatie leiders van na de oorlog en de verwantschap van Blairs New Labour en Schröders SPD, zien de meeste zwartkijkers het hier wel weer zitten. Bovendien», lacht ze, «voor de Bundeswehr hoeft niemand bang te zijn. Die lopen verschrikkelijk achter.»

De Duitse krijgsmacht telt op papier bijna driehonderdduizend troepen, maar in de praktijk is maar een heel klein deel daarvan goed getraind en uitgerust. De defensie-uitgaven liggen ver onder het Europese gemiddelde en er heerst nog dienstplicht in Duitsland, wat de inzetbaarheid van de Bundeswehr en de kwaliteit niet ten goede komt. Belangrijkste reden voor het krampachtig vasthouden aan de dienstplicht: de angst dat de Bundeswehr een staat in de staat wordt, net als ooit het Pruisische leger. «Ze doen net alsof het militarisme hun zo in het bloed zit dat het zich meteen manifesteert als ze het niet onderdrukken. Onzin natuurlijk», meent Longhurst.

In Münster, onder de rook van het Nederlands-Duitse legerkorps, zetelt prof. dr. Friso Wielenga, directeur van het Zentrum für Niederlände-Studien. «Tegen de oprichting van het gezamenlijke legerkorps was geen verzet. Zonder slag of stoot gaf Nederland een stukje soevereiniteit op, en dat nog wel aan Duitsland. In de publieke opinie, noch in de politiek was dat een probleem.» Ook hier slechts geruststellende geluiden. «Voor Nederland verandert er niet zo veel. We zijn vaker overrompeld geweest door de as Frankrijk-Duitsland. Het kleine land zal nu moeten ondergaan dat zijn oosterbuur volwassen wordt op internationaal politiek gebied. Dat zal af en toe best spanningen geven. Dat zag je onlangs, toen op de Eurotop in Gent Blair, Chirac en Schröder zich afzonderden, om daarna bijeen te komen in Londen. Zonder dat Nederland was uitgenodigd. Of we de Duitse machtstoename moeten vrezen? Welnee, dat zijn vragen van gisteren. Nederland zal altijd wel op zijn hoede blijven als relatief kleine Europese speler. Maar dat zijn we altijd geweest.»