Het ongrijpbare van de grap

‘Een revolutie breng je niet met humor op gang’

Waar lachen mensen om? Wat is humor? Al eeuwenlang buigen filosofen zich daarover. Het blijken lastige vragen. Een grap verzinnen gaat sneller dan het wezen van humor vangen.

Vertel in je omgeving dat De Groene Amsterdammer een themanummer gaat maken over humor en je krijgt titels van komische films opgedist of namen van cabaretiers. Sommigen beginnen over YouTube of LuckyTV en hoe vreselijk ze moesten lachen, weer anderen over cartoons, en af en toe krijg je een mop verteld.

Een vriend zegt onmiddellijk dat je wat hem betreft overal grappen over kunt maken, behalve over concentratiekampen. O, nee? Deze zou afkomstig zijn van Elie Wiesel, de joods-Amerikaanse schrijver die zelf in een concentratie­kamp heeft gezeten. Vrij vertaald gaat die zo: zegt de ene tegen de andere in het concentratie­kamp terwijl ze hun karige maaltijd aan het verorberen zijn: ‘Hé, eet niet te veel. Denk aan ons die je straks moeten dragen.’ Aan de andere kant van de telefoon wordt gelachen.

Overigens ooit stilgestaan bij de naam Auschwitz? Het eerste deel wordt in het Engels gebruikt in situaties waarin iemand zich realiseert dat alle hoop is vervlogen. En witz is het Duits voor grap. Is dit wrang? Of kun je het vreemde aan die naam ook zo vertellen dat het humor wordt?

Wat is eigenlijk het wezen van humor? Waar moeten mensen om lachen? Al sinds de Oudheid buigen filosofen zich over die vragen. Dat ook zij het moeilijk vinden om die te beantwoorden, heeft de Franse filosoof en Nobelprijswinnaar voor literatuur Henri Bergson mooi omschreven in zijn al meer dan een eeuw oude essay Le rire: Essai sur la signification du comique, dat door uitgeverij Boom onder de titel Lachen opnieuw is uitgegeven. ‘Al sinds Aristoteles’, schrijft Bergson direct aan het begin van zijn essay als hij zichzelf de vraag heeft gesteld wat het lachen betekent en wat er aan het lachwekkende ten grondslag ligt, ‘hebben de allergrootste denkers hun tanden gezet in dit probleempje, dat zich aan iedere gedachtepoging onttrekt, dat wegglipt, ontsnapt, dan weer de kop opsteekt en dat een brutale uitdaging vormt voor een filosofische beschouwing.’

Bergson komt dan ook niet met een definitie, maar met een taai essay, waarin inderdaad sprake is van onttrekken, wegglippen en ontsnappen. Ik schrijf bewust taai, omdat lezen over de filosofie van humor je niet doet lachen, ook al heeft de Brits-Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein ooit geschreven: ‘A serious and good philosophical work could be written consisting entirely of jokes.’

Het essay van Bergson is door dat onttrekken, wegglippen en ontsnappen te complex om hier geheel recht te doen. Daarom slechts enkele fundamentele observaties, zoals de Franse filosoof ze zelf noemt, die hij aandraagt voordat hij begint aan zijn poging om het wezen van het komische te doorgronden.

Lachen kent geen grotere vijand dan de emotie, poneert Bergson onder meer. Maar lachen is toch juist emotie, is je eerste opwelling. Maar dat is niet waar hij heen wil. ‘Neem afstand en bezie het leven met de blik van de onverschillige toeschouwer: heel wat drama’s zullen dan in blijspelen veranderen… Zien we niet dat veel ernstige handelingen opeens grappig worden als we ze losmaken van de begeleidende klanken van ons gevoel?’ Is dat waarom je toch moet lachen om de wrange grap van Elie Wiesel?

Een andere observatie van Bergson is dat ‘van het komische niet genoten wordt als men zich buitengesloten voelt’. Hij bedoelt hier niet het buitengesloten zijn omdat je het slachtoffer bent van de grap, maar het buitengesloten zijn omdat je geen onderdeel bent van een gemeenschap. ‘Om het lachen te begrijpen moeten we het terugplaatsen in zijn natuurlijke milieu, dat gevormd wordt door de maatschappij; we moeten er vooral de nuttige functie van bepalen, die een sociale is.’ Daarom kan een Hagenaar niet lachen om een _inside-_mop over een Helmondse ex-burgemeester tijdens het carnaval en daarom ontgaat Nederlanders bij grappen over de Syrische president soms de pointe.

Lachen om de macht, zoals dus ook nu in Syrië zelfs nog wordt geprobeerd, is van alle tijden, zegt de Amerikaanse filosoof John Morreall tijdens een telefoongesprek. Maar dictators en humor gaan niet samen, en dat was in de Oudheid ook al zo, voegt hij daar aan toe. Morreall is de samensteller van het boek The Philosophy of Laughter and Humor. Hij geeft een schrijnend voorbeeld van de angst van alleenheersers voor humor, een voorbeeld waarvoor hij niet helemaal terug hoeft naar de Oudheid. ‘Een van de eerste dingen die Hitler deed toen hij aan de macht kwam, was het instellen van speciale rechtbanken voor mensen die hem bekritiseerden. Een van die rechtbanken veroordeelde een cabaretier die zijn paard Adolf had genoemd. De man werd opgehangen.’ Het maken van grappen, zo vonden de nazi’s, getuigt van een ‘lage mentaliteit’.

Humor wordt wel het wapen van de machte­lozen genoemd. Maar dan toch vooral om jezelf te wapenen, vindt Morreall: ‘Daarom was er in concentratiekampen veel humor, het was een manier om met de situatie om te gaan, om te overleven.’ Dat je met humor als wapen ook daadwerkelijk een regime omver kunt werpen, betwijfelt hij: ‘Een revolutie breng je niet met humor op gang. In humor zit wel kritiek, maar die kritiek is toch vooral speels. Als je echt verandering wil, zul je met hardere kritiek moeten komen.’

Machthebbers mogen humor dan bedreigend en ondergravend vinden, vaak wordt humor juist gebruikt om de status-quo te bevestigen, om de sociale consensus te bekrachtigen. Daarom lachen mannen zo graag om seksistische grappen over vrouwen, maakten blanken zwarten belachelijk en reden volgens Morreall in de tijd van de Franse filosoof Voltaire wel­gestelden met hun rijtuigen naar gestichten om te lachen om misvormden en gehandicapten.

Dat soort grappen past binnen een van de drie theorieën uit de filosofie over lachen en humor die Morreall beschrijft in zijn boek. Dat is de Superiority Theory, die al teruggaat tot Plato, mogelijk zelfs nog verder, en die door de Engelse filosoof Thomas Hobbes in de zeventiende eeuw als volgt werd samengevat: de lach is de uitdrukking van ‘a sudden glory arising from some conception of some eminency in ourselves, by comparison with the infirmity of others, or with our own formerly’. We lachen om de ander of ons vroegere zelf, omdat we onszelf of ons huidige zelf beter vinden. Laten we eerlijk zijn: dat is heel herkenbaar, ook al is het moreel laakbaar. Misschien is het daarom ook wel dat soms wordt gesproken over ware humor. Meestal wordt dan bedoeld humor die niet ten koste gaat van anderen. De hedendaagse Engelse filosoof Simon Critchley voegt daar nog aan toe dat er bij ware humor ook altijd sprake moet zijn van zelfspot.

Zo kan ik nog altijd hartelijk lachen om het verhaal over een jong Brabants echtpaar dat een paar jaar na het huwelijk nog steeds geen kinderen heeft en van de pastoor het advies krijgt om op bedevaart naar Lourdes te gaan en daar een kaarsje aan te steken. Het stel doet dat en jawel, het jaar daarop – als de pastoor weer op huis­bezoek komt – ligt er een baby in de wieg, het jaar daarop is er al weer een boreling en zo gaat dat maar door. Maar dan, als de pastoor weer een keer op huisbezoek komt, blijken de ouders niet thuis. Waar ze heen zijn? Naar Lourdes, om het kaarsje uit te blazen. Hier nemen katholieken goedmoedig hun eigen geloof en hun eigen kerk op de hak.

Het duurde tot de Verlichting, tot filosofen als Immanuel Kant en Arthur Schopenhauer, dat een andere theorie in zwang kwam, de Incongruity Theory. Ook daarin zit veel herkenbaars: we lachen als een verwachting die we ergens over hebben plotseling niet uitkomt. Bij een koningin verwacht je geen spruitjes schoonmakende mevrouw, wat in de jaren zeventig humor was. Nu maken de filmpjes van LuckyTV ons aan het lachen, omdat ze een draai geven aan beelden die we al kenden. Zo is er het filmpje waarin toenmalig pvda-leider Job Cohen begint aan de algemene politieke beschouwingen en het met een somber gezicht heeft over de onzekerheden die er op de samenleving afkomen waardoor mensen zich afvragen: ‘Heb ik mijn baan straks nog?’ Vanuit de zaal hoor je dan een stem zeggen: ‘Ik denk het niet, Job’, waarop vervolgens pvv-leider Geert Wilders in beeld komt en het geluid je laat denken dat alle Kamerleden niet meer bijkomen van het lachen, waardoor Cohen vervolgens niets anders rest dan afdruipen.

Morreall denkt dat deze theorie klopt voor alle humor, maar dat niet al het lachen voortkomt uit incongruentie. Hij denkt bij dat laatste aan het lachen van een baby die gekieteld wordt. Ook is volgens Morreall niet alle incongruentie om te lachen. Zo verwacht je geen tijger onder je dekbed. Mocht die er toch zitten, dan zul je schrikken, niet lachen.

De laatste van de drie theorieën die ­Morreall aanhaalt, heet de Relief Theory. De negentiende-eeuwse Engelse filosoof Herbert Spencer inspireerde er de grondlegger van de psycho­analyse Sigmund Freud mee. Lachen zou volgens Spencer het loslaten zijn van energie, en volgens Freud dan energie die in het lichaam is opgebouwd door het onderdrukken van verboden gevoelens en gedachten. Misschien is menige seksistische grap wel hieronder te rangschikken en worden die grappen niet of niet alleen gemaakt omdat mannen zich superieur voelen aan vrouwen.

Morreall vindt alle drie de theorieën niet goed genoeg, maar ze bevatten volgens hem wel elementen die hem bij de volgende conclusie doen uitkomen: lachen is het resultaat van een plezierige psychologische verandering. Beetje vaag, inderdaad, dat geeft hij ook zelf toe, maar zodra je volgens hem specifieker wordt, begint het onttrekken, wegglippen en ontsnappen waar de Franse filosoof Bergson het een eeuw geleden al over had.

Je hebt de filosofie over lachen en humor, maar volgens de Engelse filosoof Critchley is humor zelf filosofie. Om bij die conclusie te komen, haalt ook hij Bergson aan die schreef dat in het komische het lichaam vóór de ziel komt. ‘Waarom wordt er gelachen om een redenaar die niest op het meest pathetische moment van zijn toespraak?’ Bergson verwijst ook naar Napoleon die al zei dat alleen al doordat iemand gaat zitten een tragedie verandert in een komedie.

Volgens Chritchley lachen we in dat soort situaties, omdat de mens in staat is ziel en lichaam te scheiden. Dat lukt alleen als we vanuit een filosofisch perspectief kunnen kijken naar onszelf en de wereld: dat wil zeggen met desinteresse. Bergson zou zeggen: zonder emotie. ‘Grappen’, schrijft Critchley in zijn boek Humor, ‘zijn uitdrukkingen van een abstracte relatie tot de wereld.’

Bergson schreef het al meer dan een eeuw geleden: waar mensen om lachen is niet in een definitie te vangen, elke poging daartoe glipt weg. Misschien behoort juist dat tot het wezen van humor. Je moet het niet willen opsluiten, omdat dan de grap eraf is.