Een rigoureuze tuinman

JOHN GRAY
GRAY’S ANATOMY: SELECTED WRITINGS
Allen Lane, 481 blz., € 35,-

Een van de beste boeken van John Gray is naar mijn mening nog altijd zijn inleiding tot het denken van Isaiah Berlin, die in 1995 verscheen in de Modern Masters-reeks van Fontana. Hierin schrijft hij dat bij Berlin een idee maîtresse is aan te wijzen, één inzicht dat ten grondslag ligt aan al zijn werk, en daarin dus telkens weer opduikt. Het ging hierbij om Berlins ‘waardenpluralisme’ en zijn aanval op het zogenaamde ‘monisme’. Volgens Berlin was het een fatale, tot Plato teruggaande, misvatting dat op alle fundamentele vragen waarmee de mens geconfronteerd wordt slechts één antwoord mogelijk is, dat er slechts één betrouwbare weg is die naar dat antwoord leidt, en dat al die antwoorden, als ze eenmaal gevonden zijn, tezamen één consistente waarheid vormen. Die fundamentele antwoorden kunnen niet alleen van cultuur tot cultuur verschillen, ook binnen een cultuur zijn er waarden die niet met elkaar verenigbaar zijn – ‘vrijheid’ en ‘gelijkheid’ vormen hiervan het klassieke voorbeeld.
Wie de selectie leest die John Gray heeft gemaakt uit zijn essays van de afgelopen dertig jaar ontdekt al snel dat hij niet alleen dit inzicht van Berlin heeft overgenomen, maar dat hij ook zelf zo’n idee maîtresse heeft. Gray’s centrale overtuiging is dat het vooruitgangsgeloof de grootste en meest fatale illusie is waaraan veel mensen zich overgeven. Uiteraard ontkent hij niet dat er op het terrein van de wetenschap en de techniek immense vorderingen zijn geboekt, maar het is volgens hem onzin om te geloven dat de groei van kennis en vaardigheden automatisch gepaard gaat met vooruitgang op het gebied van de ethiek en de moraal. Mensen krijgen weliswaar steeds meer middelen in handen om bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, maar dat wil niet zeggen dat die doelstellingen per se beter worden.
Dat vooruitgangsgeloof is in Gray’s ogen een erfenis van het joods-christelijke denken. Terwijl de Grieken en Romeinen een cyclische opvatting van de geschiedenis hadden, waarin opgang en verval elkaar voortdurend afwisselen, geloven joden en christenen niet alleen in een begin van de geschiedenis, maar ook in een duidelijk einde ervan. Dit lineaire geschiedbeeld nam volgens Gray in de Verlichting een seculiere vorm aan en manifesteerde zich in ideologieën als het communisme, nationaal-socialisme en het neoliberale denken. Ook het moslimextremisme van al-Qaeda staat volgens Gray in deze traditie.
In een aantal oudere stukken in Gray’s Anatomy – de titel verwijst naar het beroemde anatomische handboek van Henry Gray uit 1857 – levert John Gray scherpe kritiek op de Sovjet-Unie en vooral op de tot 1989 talrijke marxistische intellectuelen in het Westen. Wie deze stukken nu leest zal niet steil achterover vallen van verbazing, maar dient zich wel te realiseren dat dergelijke kritiek in die tijd allesbehalve overbodig was. Bovendien bleek Gray toen al een scherp oog te hebben voor het illusoire karakter van het vooruitgangsdenken.
Vandaar ook dat hij allesbehalve onder de indruk was van het essay waarmee Francis Fukuyama in 1989 op slag wereldberoemd werd, en dat Gray fileerde in een artikel getiteld The End of History, Again? Hoewel Gray sympathiek had gestaan tegenover Margaret Thatchers stormloop tegen de collectivistische denkbeelden en gevestigde belangen van Labour zag hij al vrij snel de gevaren in van het feit dat de pleidooien voor een vrije markt ontaardden in een neoliberale heilsleer die over de gehele wereld verbreid diende te worden. In deze bundel blijkt dat bijvoorbeeld uit een vernietigende recensie van Thomas Friedmans The World is Flat en het essay The Jacobins of Washington, waarin hij van leer trekt tegen George W. Bush en zijn pogingen sommige landen naar een democratisch bestel te bombarderen.
Als men dit soort stukken achter elkaar leest ontstaat wellicht de indruk dat Gray, door ze te bundelen, wilde onderstrepen dat hij altijd al gelijk heeft gehad. Interessanter vond ik daarom zijn essays over denkers als John Stuart Mill, George Santayana, Michael Oakeshott, Friedrich von Hayek en Isaiah Berlin. Hier is Gray op z’n best, omdat hij niet alleen de denkbeelden van deze auteurs helder uiteenzet, maar tevens aangeeft op welke wijze ze ons eigen denken kunnen verrijken.
John Gray is vóór alles een conservatieve scepticus, een tuinman die rigoureus het onkruid van slordig denken wiedt en de bijl zet in pretenties, utopieën en wensdromen. Omtrent de mensheid koestert hij echter zo weinig illusies dat je soms vreest dat er uiteindelijk wel een erg kaal tuintje zal overblijven. Hoewel hij in zijn zeer lange essay An Agenda for Green Conservatism veel verstandige dingen zegt, toont hij aan het eind wel verontrustend veel affiniteit met sommige aanhangers van de zogenaamde Gaia-theorie, die de mensheid vooral zien als een plaag die onze planeet te gronde richt.
Hier is Gray, net als in zijn boek Straw Dogs, de antihumanist die van mening is dat de mens niet wezenlijk verschilt van andere dieren. Hier mist Gray de subtiliteit en het gevoel voor verhoudingen van zijn leermeester Berlin. Het is deze houding die door Terry Eagleton terecht is geridiculiseerd in een recensie van Straw Dogs: ‘Een schepsel als Gray kan fulmineren tegen genocide, maar we moeten de giraffe nog tegenkomen die dat ook kan.’