Auke Hulst waagt een verre sprong © Peter Boer / De Beeldunie

De literaire robot ondergaat al een tijdlang een opmerkelijke gedaanteverwisseling. Tot een jaar of tien, vijftien terug waren het toch vooral ijzingwekkende slechteriken, monsters in machinevorm, met Frankenstein als stamvader, die op zijn beurt weer een incarnatie was van Faust. Maar met de opmars van kunstmatige intelligentie en toepassingen als de zorg- en de seksrobot krijgt ook de robot als personage een steeds menselijker gezicht.

Je kunt het bijna al een literair topos noemen, de empathische Adam uit Machines zoals ik (2019) van Ian McEwan, of de kunstmatige vriendin uit Klara en de zon (2021) van Nobelprijswinnaar Kazuo Ishiguro. In Adriaan van Dis’ In het buitengebied (2017) krijgt de verteller gezelschap van Akiko.

Van kunstmatige intelligentie verschuift de invalshoek naar kunstmatige empathie. Of dat nu de pluizige bolletjes zijn waar mensen troost bij zoeken in Hanna Bervoets’ Fuzzie (2017), of de ‘transhumane’ levensvormen die Jeanette Winterson opvoert en onderzoekt in Frankusstein (2019).

In die brede internationale tendens lijken we ook de nieuwe, stevige roman van Auke Hulst te moeten plaatsen. In De Mitsukoshi Troostbaby Company produceert een gelijknamig Japans bedrijf robots, kinderen die niet van echt zijn te onderscheiden, voorgeprogrammeerd met herinneringen naar keuze en affectief gedrag. De verteller, sciencefictionschrijver Auke van der Hulst, bestelt een exemplaar, Scottie, een meisje van zeven, even oud als het eigen kind van deze Auke en zijn ex-vriendin Mila zou zijn geweest als Mila destijds niet had besloten die ongeplande zwangerschap af te breken.

De voor de hand liggende thematiek van de meeste van zulke nieuwe robotromans is steeds: waarin verschillen kunstmatige intelligentie en kunstmatige empathie van de originele, menselijke vermogens?

Die vragen stelt Hulst in deze roman ook wel, maar als de robot eenmaal geleverd is, spelen die een veel minder prominente rol. Scottie wordt zo innemend neergezet dat je al snel vergeet dat ze gefabriceerd is en ze een levensecht personage wordt. Exact de bedoeling natuurlijk, want de ik-verteller vergeet het ook, op sporadische momenten na, waarin de realiteit door de haarscheurtjes sijpelt: ‘Ik hield haar vast om haar te troosten, en zij hield mij vast, maar ik kon me niet losmaken van de gedachte dat ze dat deed omdat die reactie geprogrammeerd is, dat ze niet werkelijk iets voelde, dat ze een toeschouwer was van haar eigen handelingen.’

Al vrij snel is dit boek veel minder sciencefiction dan je verwacht na alle signalen buiten de eigenlijke romantekst (titel, achterflap et cetera). Dat is juist een pluspunt, niet alleen omdat Hulst zo de thema’s uit die eerder genoemde robotauteurs niet hoeft te herhalen, maar vooral ook omdat zijn literaire kracht onmiskenbaar op het psychologische vlak ligt, en minder op het maatschappijbeschouwelijke.

De ik-verteller werkt aan een sciencefictionroman en houdt daarnaast een Privé Domein-achtig dagboek bij, waarin de belevenissen met Scottie terechtkomen en waarin hij uitvoerig terugblikt op de relatie met Mila.

‘Nadat ze naar Myanmar is vertrokken, maakt ze het uit – via een haperende FaceTime-verbinding dit keer.’ Knap: met één zo’n zinnetje typeert hij meteen de hele situatie. Leeftijd, sociale wereld, het globetrotteren met een randje idealisme, de onvermijdelijke stoplichtrelaties (‘dit keer’) – je hebt het allemaal meteen te pakken.

Auke Hulst weet traumatische gebeurtenissen indringend neer te zetten, in zijn obsessieve, meeslepende, beeldende schrijfkunst. Dat weten lezers van Kinderen van het ruige land (2012), zijn succesvolle coming of age-roman, waaruit allerlei autobiografische gegevens nu terugkeren. De moeilijke jeugd in Groningen, de dood van de vader, waarbij onduidelijk blijft of het zelfmoord of een ongeluk was – het komt allemaal weer aan bod, in dat Privé Domein-achtige boek, maar ook in de sciencefictionroman die daar weer in zit, De lasso van de tijd.

De dystopie is een decor. Sciencefiction is alleen het middel om beter bij de gloeiende kern te komen

Daarin is Groningen in de nabije toekomst van de jaren dertig voor een groot deel een ‘exclusie-zone’, door aardbevingsschade onbewoonbaar geworden, bewaakt door robots, in dienst van De Partij – fascistoïde, orwelliaans. Overbekende dystopische elementen inmiddels, waar ook recent al flink wat boekenplanken mee gevuld zijn, en misschien is het daarom dat Hulst ze bijna voor kennisgeving neerzet zonder er al te diep op in te gaan.

Alle andere genres die zich in deze zeshonderd pagina’s manifesteren – een dystopische sciencefiction, alternate history, robotroman, tijdreis – dienen alleen ter ondersteuning van de intieme semi-autobiografie. Ook de door de verwekker niet gewilde abortus zal terug te voeren zijn op ervaringen van de auteur, die hier in interviews naar verwijst.

De dystopie is een decor. Sciencefiction is alleen het middel om beter bij die gloeiende kern te komen. Op die manier laat het project ‘Scottie’ zich lezen als een fantasie van Auke van der Hulst om het verlies te verwerken, in eerste instantie ‘het verlies van wat nooit een kind heeft mogen worden’, zoals hij het zelf noemt, maar ook voor het andere jeugdleed fungeert zij als een soort hightechknuffel. Een meisje dat alles goed zou maken.

Dat Scottie hier de gedaante van een robot heeft aangenomen is dan in feite een bijkomstigheid. Ze had evengoed een imaginair wezen kunnen zijn. En op een ander niveau ís ze dat natuurlijk ook, zoals het kind dat in De lasso van de tijd alsnog geboren wordt dat ook is: een gedagdroomde dochter met wie de schrijver denkbeeldige gesprekken voert en denkbeeldige reizen maakt.

Dat is het, begrijp je dan. Het gaat hier misschien niet zozeer om de vraag of robots empathisch kunnen zijn, maar eerder of personages dat kunnen, of literatuur troost kan bieden, pijn kan verlichten. Het Privé Domein-achtige boek dat Van der Hulst in de marge van De lasso van de tijd besluit te maken, wordt op die manier in feite de hoofdzaak.

Met zoveel elementen die ondersteunend zijn – lijnen, romans-in-de-roman, enzovoort – is dit boek enigszins uit balans. Er is één withete kern, met een heleboel schuim en spinsels eromheen.

Door de opzet ontkom je ook niet helemaal aan allerlei herhalingen. ‘Bij elke hervertelling draait het verhaal een kwartslag’, zegt Van der Hulst daarover. Slim, mooi, maar toch zijn de verschillen tussen Van der Hulst-Mila en Kaj-Sem aanvankelijk wel heel gering.

Voeg daarbij dat in beide boeken de verteller soms wel erg lang blijft malen in een kniezerig-mijmerende modus, en steeds terugkeert bij dezelfde feiten en gevoelens, dan wordt het al te repetitief. Het ontbreekt dan aan echte impulsen die het verhaal een nieuwe richting in sturen. Alleen de schrijfstijl houdt je in die passages geboeid: ‘bijbelzwarte nachten’, een vrouw die tijdens een uitvaart zo hard huilt dat ze wel een ‘eenpersoonsaardbeving’ leek, of een man wiens stem lijkt op een ‘slechte nasynchronisatie’.

Een van de sterkste verhaallijnen is die waarin Scottie langzaam zelf ontdekt dat ze anders is dan de andere kinderen. Ze komt erachter dat ze geen bloed heeft en begint zichzelf te snijden, ontdekt de ik-persoon, die het steeds uitstelt om haar over haar ware oorsprong te verteller. Die scènes raken. Je bent als lezer kennelijk ook aan haar gehecht geraakt. Dit uitstel van de verteller is een uitstel van veel meer dat hij niet onder ogen durft te zien, en waar Scottie hem uiteindelijk mee confronteert en helpt op een onverwachte, aangrijpende manier. Is dat wat kunstmatige empathie kan? Of hebben we het hier over de kracht van de verbeelding en de literatuur?

De toon is overwegend ernstig. Iets van ironie, humor, lucht had ook meer vaart en energie in het verhaal kunnen brengen. We komen schema’s, kaarten en tijdlijnen tegen, en allerlei andere postmoderne grapjes, zoals metafictionele essays over genre en tijd, voetnoten met aanbevelingen voor fictieve boeken uit in de periode 2025-2030.

Maar dat type cerebrale Spielerei brengt niet het soort lichtheid en relativerende afstand die had kunnen ontstaan als de verteller af en toe iets meer boven en buiten de situatie was getreden. Misschien had hij zo ook een andere kant van zijn karakter kunnen laten zien dan dat van het passieve, introverte slachtoffer, die zich wentelt in pijn, schaamte en onvermogen. Maar laten we wel zijn: liever een ambitieus, ver reikend literair avontuur dat uit balans raakt dan een keurige uitgebalanceerde driedelige roman waar alles zonder enig smetje geruisloos in elkaar klikt.

Hier is lef getoond, hier is een verre sprong gewaagd, en die bleef niet zonder blessures. Of zoals Auke van der Hulst het zo sterk kan verwoorden: ‘Elke roman is het manke broertje van een betere die zich uit de voeten heeft gemaakt.’