Een rode ballon

Er zijn nog te veel verschillen binnen de linkse oppositie om de kans op een fusie hoog te achten. Toch zit de kiezer erop te wachten.

SINDS EEN AANTAL maanden betrap ik me erop dat ik na een week Haagse politiek behoefte heb aan ‘iets moois’. De vaak agressieve toon in het debat, de haat die er soms opklinkt als het gaat over kunst of natuur en milieu, de idee die door dit kabinet wordt uitgedragen dat we in Nederland vooral geplaagd worden door onveiligheid, de manier waarop over de islam en moslims wordt gepraat, het doet me allemaal verlangen naar iets anders, naar passie voor iets positiefs.
Na een week vol PVV-Kamerleden die ontucht hebben gepleegd met een ondergeschikte, verdacht worden van een kopstoot, veroordeeld zijn voor het misleiden van klanten of betrapt zijn op het zich anders voordoen dan ze zijn, plus al het daarbij komende gekonkel omdat Geert Wilders in zijn rol als leider van de gedoogpartij van dit minderheidskabinet geen enkele PVV-zetel kan missen, betrapte ik me er ook weer op: nu iets moois, alstublieft. Vrijdagavond bofte ik: in Den Haag was Crossing Border.
Van de film uit 1956 die zowel een Oscar als een Gouden Palm won, had ik nog nooit gehoord, evenmin als van de band die er live muziek bij speelde. Maar ik heb ademloos zitten kijken naar Le ballon rouge van regisseur Albert Lamorisse, een sprookje met een boodschap die - zoals het sprookjes betaamt - van alle tijden is. De muziek van het Mercury Rev Clear Light Ensemble daarentegen was snoeihard en daardoor ogenschijnlijk niet passend bij het jongetje dat in een naoorlogs en grauw Parijs een rode ballon vindt die vrolijk achter hem aan begint te dansen.
De muziek echter trok de rode ballon naar het nu. De dreiging die ervan uitging, paste bij de jacht die grotere jongens op de ballon gaan maken. Niet om van die ballon te kunnen genieten, maar om hem kapot te maken. Kon het symbolischer in het weekeinde van de protestschreeuw tegen de bezuinigingen op kunst?
De rode ballon begon in mijn hoofd te staan voor alle burgers en organisaties die de harde, soms haatdragende toon in de samenleving niet willen, die niet willen dat verschillende bevolkingsgroepen, verschillende generaties of verschillende soorten werkenden en niet-werkenden tegen elkaar worden uitgespeeld, die zich zorgen maken om natuur en milieu, die kunst niet zien als linkse hobby. Hoe zou je al die mensen eendrachtig bij elkaar kunnen krijgen zonder dat deze rode ballon wordt vertrapt, zoals in de film?
Deze week bestaat GroenLinks twintig jaar. Tijd om terug te kijken, maar ook om vooruit te kijken. Paul Lucardie en Gerrit Voerman van het in Groningen gevestigde Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen doen dat in het boek Van de straat naar de staat. Daarin schetsen ze vier toekomstscenario’s voor GroenLinks: marginalisering, consolidatie, groei of fusie.
Als het om een sprookje ging, dan zouden alle leden van politieke partijen en alle kiezers die zich kunnen vinden in de hierboven omschreven wens hun oude partijen verlaten, dan wel die partijen laten samenwerken of fuseren om samen een mooie vuist te maken. Of ze nou lid zijn van of stemmen op GroenLinks, D66, PVDA, SP, of zelfs CDA en VVD. Maar de werkelijkheid is een andere.
Lucardie en Voerman laten nog eens zien dat de geschiedenis leert dat partijen meestal pas gaan samenwerken of fuseren als het water hun tot de lippen staat. GroenLinks ontstond pas toen de vier samenstellende partijen bij de verkiezingen van 1986 zes van de negen zetels hadden verloren. Zoals ook het CDA, dat dit najaar zijn dertigjarig bestaan viert, ontstond toen de drie samenstellende partijen hun zetelaantal in negen jaar tijd met 28 zetels hadden zien dalen, een verlies van bijna veertig procent.
De Verelendung in de linkse oppositie is nu niet groot genoeg en de overeenstemming over inhoudelijke onderwerpen evenmin, om de kans op een fusie hoog te achten. GroenLinks en D66, de progressief-liberale partijen in de oppositie, wonnen bij de verkiezingen zelfs, respectievelijk drie en zeven extra zetels. De PVDA, die zich veel meer probeert te richten op laagopgeleide kiezers dan GroenLinks en D66, verloor er 'slechts’ drie. De SP verloor weliswaar tien Kamerzetels, maar haar programma is moeilijk te 'fuseren’ met dat van de andere drie, met name met dat van GroenLinks en D66.
Dus wie zou er baat hebben bij een fusie? De kiezer! Alle kiezers die graag zien dat bij volgende verkiezingen een progressieve partij die verder kijkt dan alleen het materiële de grootste wordt in de Tweede Kamer en zo het voortouw zou kunnen nemen bij de kabinetsformatie. Een meerderheid zal zo'n partij in het huidige politieke klimaat niet halen, maar door de grootste te worden zou ze wel een niet te verwaarlozen machtsfactor zijn. De kiezers die op zo'n nieuwe partij of alliantie zouden willen stemmen, zijn voor de huidige linkse of progressieve partijen de rode ballon waar ze allemaal afzonderlijk achteraan jagen.
D66 lonkt naar het vacuüm dat door de verrechtsing is ontstaan in het politieke midden en vertrouwt op de eigen kracht om die plek in te kunnen nemen. Dat maakt GroenLinks, als ze wil samenwerken met D66, tot de vragende partij. Geen fijne uitgangspositie. PVDA, vervolgens, heeft te weinig verloren in juni om nu over fuseren te willen praten. Bovendien weet deze partij niet hoe ze de twee zielen in haar borst moet verenigen. Mocht er al sprake zijn van een fusie of samenwerking, dan zal de ene ziel dat willen met GroenLinks en D66, en de andere met de SP.
Toch zweeft die rode ballon in de lucht. GroenLinks-leider Femke Halsema stak deze week moedig haar hand ernaar uit. Zij ziet in dat samenwerking nodig is, wil de ballon niet vertrapt worden.