Het gedachtegoed van Thierry Baudet

Een romantisch conservatief met incorrecte neigingen

Velen scharen Thierry Baudet door uitspraken en incidenten in het kamp van extreem-rechts. Het laat de voorman van Forum voor Democratie koud. Wie echt wil weten hoe hij denkt, zegt hij, moet zijn geschriften lezen. Bij deze.

Small terry medelijden2 wit

Thierry Baudet was het afgelopen jaar overal. Niet alleen behaalde hij opmerkelijke politieke successen, met als sluitstuk de verkiezing tot politicus van het jaar, ook verscheen hij te pas en te onpas in het nieuws. Zeker in de mainstream media ging dat vanaf het allereerste moment gepaard met negativiteit. Dat was goed zichtbaar tijdens de afgelopen oudejaarsconferences. Baudet kreeg er scheldwoorden naar het hoofd als ‘geföhnde acteur van de Partij voor Volk en Vaderland’, ‘penis agraricus giganticus’, ‘gladde eikel met twee lavendelzakjes’ en ‘gladkakker’.

Schrijf u in voor onze dagelijkse nieuwsbrief en ontvang iedere ochtend het beste uit De Groene in uw mailbox

Pijnlijker nog zijn de talloze opmerkingen en gebeurtenissen waaruit zou blijken dat Baudet tegen extreem-rechts aanschuurt, zo niet een halve fascist, racist en vrouwenonderdrukker is. Het lijstje is lang en gaat van een spreekbeurt op de IJzerwake in 2014 via opmerkelijke uitspraken (‘homeopathische verdunning’, ‘auto-immuunziekte’), begrip voor versiergoeroe Julien Blanc (‘als een vrouw nee zegt bedoelt ze ja’), ontmoetingen met white supremacist Jared Taylor en antisemiet Jean-Marie Le Pen naar zijn gewraakte opstelling in de IQ-discussie. Deze en andere zaken leidden vooral in de afgelopen maanden tot oeverloos gehakketak en eindeloze verhalen in de media. Zelf doet Baudet dit alles af als misinterpretaties, manipulaties, versprekingen en bewuste verdraaiingen met het doel zijn persoon te beschadigen. Daarbij verwijst hij regelmatig naar zijn geschriften. Wie écht wil weten hoe ik denk, zegt hij, moet daar te rade gaan. Bij deze.

***

Zo’n dertien jaar geleden, op 22-jarige leeftijd, voltooide Thierry Baudet zijn bachelorscriptie voor het vak geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was zijn studie begonnen in dezelfde week waarin negentien mannen een stukje van het centrum van de wereld opbliezen, de week van 9/11, waarna Pim Fortuyn, mede onder invloed daarvan, binnen enkele maanden het politieke landschap op z’n kop zette. In die razendsnel veranderende context werden dingen gedacht en gezegd die tot dat moment uitzonderlijk waren.

Zo bezien is het niet vreemd dat het onderwerp van Baudets scriptie de argumenten waren van de achttiende-eeuwse conservatief Elie Luzac tegen de Patriottenbeweging en de vergelijking van die argumenten met de bezwaren van Edmund Burke tegen de Franse Revolutie. De wereld zinderde en wat kun je als aanstaand historicus met politieke belangstelling beter doen dan je in het verleden oriënteren op het heden? Baudet richtte zich hierbij, anders dan tot dan toe veelal gebeurde, op antirevolutionaire, niet-progressieve denkers. Daarmee was hij typisch een kind van zijn tijd. Zoals bij zovelen was het ook bij hem Pim Fortuyn geweest die de conservatieve geest wakker schudde.

Uit Baudets scriptie wordt meteen een aantal van zijn latere stokpaardjes duidelijk. Een daarvan is het gevaar van abstracta – denk alvast aan Baudets latere strijd tegen Europa. ‘Zo vinden beiden [Luzac en Burke]’, schrijft hij, ‘dat een samenleving slechts beoordeeld kan worden vanuit criteria afkomstig uit die samenleving zélf. Abstracte principes zoals natuurtoestand en oorspronkelijke soevereine rechten zijn niet relevant.’ Opvallend ook is Baudets belangstelling voor het machtsspel tussen elite en volk. Later zou hij met zijn fulmineren tegen het partijkartel (elite?) en zijn pleidooi voor referenda (volk?) een ander standpunt innemen dan zijn achttiende-eeuwers die, niet verwonderlijk voor toenmalige intellectuelen, van ‘het volk’ niet veel moesten hebben. Tot slot valt in deze scriptie de belangstelling voor intermediaire lagen tussen staat en individu op, voor de ‘maatschappelijke ordening waaraan ieder mens zijn bestaanscontext ontleent’. Hier al is Baudets fascinatie voor het thema ‘thuis’, het kernbegrip van zijn denken, zichtbaar.

Ruim een jaar na het voltooien van zijn geschiedenisstudie schreef Baudet nóg een scriptie, nu voor de masterstudie rechten aan dezelfde universiteit. De titel van deze nieuwe scriptie is Over de democratie in Nederland: Politieke partijen en machtsbalans. Hierin doet hij een poging een antwoord te vinden op de vraag of de huidige politieke praktijk nog spoort met de oorspronkelijke politieke theorie. Moderne politiek, stelt hij, is vooral partijpolitiek terwijl de grondwet uitgaat van een politiek van individuen en beginselen. Volgens de grondwet vertegenwoordigen parlementariërs niet een partij maar ‘heel het volk’ (art. 50) en stemmen ze ‘zonder last’ (art. 67, lid 3), dat wil zeggen zonder de noodzaak hun achterban te raadplegen. In partijpolitiek gebeurt het een noch het ander. Daar vertegenwoordigt een Kamerlid zijn partij, niet het volk, en stemt in discipline, niet individueel. Dit leidt niet alleen tot een discrepantie tussen theorie en praktijk maar ook – en dat is volgens Baudet kwalijker – tot een gebrek aan machtsevenwicht, met een onvolkomen democratie tot gevolg. Dit laatste komt met name doordat (regerings)partijen en regering twee handen op één buik zijn en laatstgenoemde dus onvoldoende wordt gecontroleerd.

In deze scriptie vallen vooral op: losse toon, grote greep en politiek moralisme. Hier spreekt geen aankomend wetenschapsman die onbewogen een detail onderzoekt. Hier spreekt een betrokkene met een visie op het ‘grote plaatje’. Ook dit is tot op de dag van vandaag kenmerkend voor Baudet. Hij grossiert in grootse uitspraken, dikke woorden en enorme bogen. Relativering is niet zijn grootste kracht. Daarmee doet hij velen en in ieder geval mij regelmatig met de oren klapperen. Maar deze neiging tot dramademocratie zat er dus al vroeg in.

Wat betreft de inhoud valt opnieuw de belangstelling voor machtsproblematiek op, met daarbinnen het besef dat democratie geen eenduidig fenomeen is, en ook geen vanzelfsprekendheid. Ook besteedt Baudet weer veel aandacht aan het fenomeen elite. Van anonimiteit en discipline moet hij wederom niet veel hebben. In verband met zijn latere opvattingen valt tot slot op dat het begrip ‘referendum’ in deze scriptie niet voorkomt. Ter doorbreking van ‘het partijkartel’ komt hij met andere voorstellen, zoals meer aandacht voor voorkeurstemmen en een herinvoering van het districtenstelsel.

Opmerkelijk is de vanzelf­sprekendheid, het gemak, ja zelfs de trots waarmee Baudet zich conservatief betoont
***

Na het behalen van zijn doctoraal volgde Baudet enkele losse vakken bij de masterstudie rechtsfilosofie te Leiden (Andreas Kinneging, Paul Cliteur). Hier ook kreeg hij in 2007 of 2008 een aanstelling als promovendus. Beoogd promotor was Cliteur. Net zo min als de naam van Edmund Burke mogen de namen van Kinneging en Cliteur in de ontwikkelingsgang van Baudet ontbreken. ‘Zonder Paul Cliteur was Baudet bankier geworden’, kopte NRC Handelsblad vorig jaar oktober en voegde eraan toe dat Cliteur een hele generatie politici, wetenschappers en opiniemakers inspireerde. Elsevier noemde deze generatie zelfs het ‘klasje van Cliteur’. Wat men in dat klasje leerde is minder eenvoudig te zeggen. In ieder geval dat er veel mis is met onze tijd en dat het ter verbetering noodzakelijk is zich te bezinnen op oude waarden en beproefde principes. Kinneging gaat hierbij zelfs helemaal terug naar de Oudheid. Cliteur zoekt het dichter bij huis. Maar kenmerkend voor beiden, en later ook voor Baudet, is de overtuiging dat het in een gemeenschap uiteindelijk om morele waarden te doen is en dat die waarden slechts met moeite opgelegd kunnen worden. Ze moeten van binnenuit komen.

Innerlijke overtuiging is ook een terugkerend thema in de essaybundels die Baudet in 2010 (Conservatieve vooruitgang) en 2012 (Revolutionair verval) met historicus, jurist en tegenwoordig advocaat van het grote geld Michiel Visser uitgaf. Beide bundels gaan over conservatieve denkers, van de twintigste eeuw respectievelijk de achttiende en negentiende eeuw.

In het eerste deel schreef Baudet, naast de inleiding met Visser, een opstel over de in Nederland zo goed als onbekende Amerikaanse literatuurcriticus Irving Babbitt. Ook deze legt de klemtoon op innerlijke overtuiging. Dat verklaart zijn voorliefde voor het humanisme en twijfel aan ‘stromingen’ als Verlichting en Romantiek. De Verlichting zou immers een instrumentele rede voorstellen, dat wil zeggen een gebruik van de rede om buiten het individu gelegen doeleinden te bereiken. De Romantiek ging hier juist tegenin en stelde dat de mens aan zichzelf genoeg heeft. Babbitt noemt dit de sentimentele rede. Beide redes schieten volgens hem ernstig te kort. Vandaar zijn pleidooi voor een oudere traditie, het humanisme oftewel ‘de overtuiging dat we aan wetten [instrumentele rede] alleen niet genoeg hebben, en dat de mens ook zichzelf [sentimentele rede] in toom moet houden’. Het zijn gedachten die Baudet in de ziel werden gegrift.

In het tweede deel werkt Baudet samen met Visser deze notie uit in een essay over de in verband met conservatisme altijd weer genoemde Edmund Burke – de in 2000 opgerichte naar Burke genoemde stichting won Baudet naar eigen zeggen, naast Fortuyn, voor het conservatisme. Ook Burke legt de klemtoon niet op het individu (Romantiek) of het grote geheel (Verlichting) maar op de tussenlaag, wat hij ‘little platoons’ noemt: gezin, kerk, lokale gemeenschap, vereniging. Burke stelt dat iedereen die deel uitmaakt van zo’n, zeg, civil society, belang heeft bij de instandhouding ervan. De little platoons, schrijven Baudet en Visser, vormen het maatschappelijk middenveld dat de bron is van deugd en gezag. Zonder deze, besluiten zij met een citaat uit Burke’s Reflections, ‘man could not by any possibility arrive at the perfection of which his nature is capable’.

Small terry fronst baard3

Al met al is hiermee een eerste constante in het denken van Baudet gegeven. Er is eigenlijk maar één op zichzelf weinig zeggende term voor: conservatisme. Opmerkelijk in ieder geval is de vanzelfsprekendheid, het gemak, ja zelfs de trots waarmee Baudet zich conservatief betoont. Dit is vooral opmerkelijk omdat deze ideologie in de Nederlandse samenleving, althans tot voor een jaar of tien, een zeer negatieve klank had. Maar dat is tegenwoordig wel anders en die verandering is ondertussen ook al herhaaldelijk beschreven, begin dit jaar nog door Merijn Oudenampsen die promoveerde op de wortels van de ‘grote ruk naar rechts’ ten tijde van Fortuyn. Oudenampsen doet zijn analyse vergezeld gaan van een these, tevens de kern van zijn betoog, namelijk dat Nederlandse conservatieven wel degelijk de waarden van de Verlichting accepteren – en dus niet conservatief zijn in de traditionele, Edmund Burke-achtige betekenis van de term.

Hij geeft hiervoor een aantal verklaringen, twee voorop. Om te beginnen verscheen het Nederlandse conservatisme zo laat op het toneel dat het zichzelf buiten spel gezet zou hebben als het progressieve (‘verlichte’) waarden als individualisme, anti-autoritarisme, secularisme en seksueel libertinisme niet accepteerde. Verder put het conservatisme in Nederland (en elders) veel kracht uit het verzet tegen de islam. Hiermee kreeg die omarming van progressieve waarden een, wat Oudenampsen noemt, ‘instrumenteel karakter’. Dit wil zoveel zeggen als dat Nederlandse conservatieven zich realiseerden dat zij zonder aanvaarding van verlichte waarden onvoldoende kracht hadden om zich tegen de islam te keren.

Maar geldt wat voor Pim Fortuyn, Geert Wilders en andere Nederlandse conservatieven geldt ook voor Baudet? Hoe verhoudt hij zich tot de Verlichting? De vraag is te meer interessant omdat Baudet zich, anders dan de meeste andere Nederlandse conservatieven die politiek actief zijn, ook daadwerkelijk in de Verlichting verdiepte. Het is daarom jammer dat zijn naam in de dissertatie van Oudenampsen niet voorkomt.

Een van de opstellen die Baudet schreef tussen het moment van afstuderen en het begin van promoveren is getiteld Criticising the Enlightenment. Daarin verwijst hij weliswaar kort naar de conservatieve kritiek op de Verlichting, maar heeft hij toch vooral belangstelling voor progressieve denkers, met name die van de Frankfurter Schule. Vanzelfsprekend gaat het daarbij over het beroemde boek dat Theodor Adorno en Max Horkheimer aan het eind van de Tweede Wereldoorlog publiceerden, Dialectiek van de Verlichting, met als centrale stelling dat het belangrijkste instrument van de Verlichting, de rede, de wereld niet alleen inzichtelijker en beheersbaarder maar ook gevaarlijker heeft gemaakt. Immers, via een ‘dialectisch proces’ reduceerde zij het individu tot pion in eigen spel. De rede heeft een januskop, zij is vriend en vijand tegelijk.

‘Het belangrijkste risico is dat we allemaal grijze muizen worden die hard werken, zonder grandeur of diepe dalen’

In zijn paper betreurt Baudet dat zulke sterke denkbeelden verkondigd worden door mensen die er zo’n onzinnige ideologie (lees: marxisme) op nahouden. Instemmend schrijft hij dat de mannen van de Frankfurter Schule zich beklagen over het verval van de Kunsten met een grote K en de vervanging daarvan door massacultuur, over het onderspit dat het individu delft in zijn confrontatie met bureaucratie en staat én over het verlies van vakmanschap in een geïndustrialiseerde wereld. Maar hij verbaast zich erover dat deze gebeurtenissen volgens Adorno en Horkheimer een voorbode zouden zijn van de arbeidersstaat – wat bij nader inzien inderdaad verre van het geval is geweest. ‘This makes their writings, as much as I may agree with their pessimism concerning the state of the modern world’, schrijft Baudet, ‘rather alienating to me.’

In dezelfde periode maakte hij ook een werkstuk over de persoon die hem van alle conservatieven het meest verwant is en die daarom volgens mij ook het best aangeeft welk type conservatisme hij voorstaat: Alexis de Tocqueville. Zo liet Baudet in zijn Haagse werkkamer niet alleen een piano maar ook een portret van de Franse edelman plaatsen – en zichzelf daarmee trots fotograferen.

In dat werkstuk over Tocqueville doet Baudet iets wat voor hem uitzonderlijk is: hij maakt zichzelf ondergeschikt aan zijn onderwerp. Dat doet hij verder nergens, ook niet in zijn dissertatie. De vermoedelijke verklaring hiervoor is dat hij in Tocqueville zijn meester erkent. In november zei hij tegen een journaliste van Trouw niets minder dan dat Tocqueville de grondlegger is van Forum voor Democratie. Nu mag je zo’n opmerking met een korrel zout nemen, maar in dit geval schuilt er op z’n minst een kern van waarheid in. Baudet had dan ook een veelzeggend antwoord op de vraag van de journaliste wat een negentiende-eeuwer als Tocqueville nog te betekenen had voor de moderne Haagse politiek: het besef dat ‘democratie veel kansen geeft, maar ook gevaren kent. Het belangrijkste risico is dat we allemaal grijze muizen worden die hard werken, zonder grandeur of diepe dalen. Dat we een doorzonbestaan leven, met een overkoepelende staat die alles voor ons regelt. Dan zijn we werkbijtjes in een bureaucratisch web terwijl de grote politiek, de grote idealen, geleidelijk teloorgaan.’

Hoewel dit een behoorlijk gemoderniseerde versie is van Tocqueville’s denken klopt het dat de kern ervan de gedachte is dat democratie misschien nog wel grotere gevaren met zich meebrengt dan aristocratie. Tocqueville kwam tot die conclusie na een reis door de Verenigde Staten, het eerste land ter wereld dat daadwerkelijk ervaring opdeed met het politieke systeem van de toekomst. Daarover schreef hij zijn meestal in het Engelse geciteerde Democracy in America (1835-1840).

Een absolute vorst regeert op basis van fysieke macht, stelt Tocqueville, en kan daarmee de daden van mensen beïnvloeden. Wat betreft hun overtuigingen staat hij in laatste instantie machteloos. In een democratie ligt dat anders. Daar verhindert de macht van de meerderheid niet alleen bepaalde daden, ze verhindert zelfs de gedachte aan dergelijke daden. Ik ken dan ook geen land, stelt Tocqueville, waar minder intellectuele onafhankelijkheid en discussievrijheid bestaat dan de Verenigde Staten.

In absolutistische regimes, vervolgt hij, vindt men aan het hof mensen die zich buigen naar de grillen van de vorst en hopen aldus bij hem in de gratie te komen. Het grootste deel van de natie houdt zich echter ver van deze vorm van verknechten. In een democratie daarentegen vindt men veel meer mensen die een leven van knechtschap leiden. Niet omdat zij slechter of zwakker zijn maar omdat de druk groter is. Anders gezegd, democratie democratiseert de mentaliteit van de hoveling. Iedereen gedraagt zich zoals deze: slaafs. Vandaar de noodzaak van een – zeg – ethisch reveil. En dat is dan ook precies, denk ik, waartoe Baudet oproept.

Met het thuisgevoel is het de kern van zijn conservatisme, de kern ook van zijn gedeeltelijke weerzin tegen de Verlichting die immers, anders dan het humanisme (en deels ook de Romantiek), geneigd is de waarden van het bestaan buiten het individu en zijn gemeenschap te zoeken: bij staat, verzorgingsstaat, bureaucratie of economie. Opvallend genoeg is dit precies hetzelfde als wat linkse denkers als Max Horkheimer en religieuze filosofen als de Canadees Charles Taylor tegen de, wat ook zij noemen, verlichte rede inbrengen: dat deze het belangrijkste wapen van de mens tot instrument maakt van buiten de mens en diens gemeenschap gelegen doeleinden. Daarmee verving de Verlichting een metafysische religie door een aardse mythe en werd per saldo niets gewonnen, wellicht zelfs verloren. Let wel, dit alles zijn niet de woorden van Thierry Baudet, hij doet in zijn werkstuk weinig anders dan Tocqueville’s werk braaf samenvatten. Het zijn mijn woorden, met het doel de kern van Baudets conservatisme te vinden.

***

Het lijkt misschien flauw om bij een beschrijving van dat conservatisme naar teksten uit de studententijd te verwijzen. Maar dat is niet flauw, want Baudets opvattingen werden al in een vroeg stadium gevormd en ook in latere teksten propageert hij een toekomst waarin op z’n minst deels een einde wordt gemaakt aan verlichte waarden. Daarmee onderscheidt hij zich van het conservatisme dat Merijn Oudenampsen beschrijft. Anders gezegd, nostalgie is Thierry Baudet niet vreemd.

Hijzelf zal het hiermee slechts ten dele eens zijn. Nadrukkelijk wijst Baudet erop dat conservatief niet tegenover progressief maar tegenover revolutionair staat. Tegelijkertijd beklemtoont hij dat een conservatief een beproefde, ja zelfs premoderne wijsheid koestert, namelijk dat het menselijk tekort eeuwig en onvermijdelijk is. ‘De condition humaine blijft eeuwig hetzelfde. Dit voert conservatieven tot een andere – respectvollere – kijk op de premoderne tradities en gebruiken, ook al zijn sommige van die tradities op het eerste gezicht misschien niet rationeel of “nuttig”’, schrijft hij in de inleiding bij de essaybundels over conservatieve denkers.

Een conservatief koestert een beproefde, zelfs premoderne wijsheid: het menselijk tekort is eeuwig en onvermijdelijk

In Conservatieve vooruitgang onderscheiden Baudet en Visser drie soorten conservatisme. De derde hiervan noemen zij romantisch. Deze ‘legt de nadruk op het natuurlijke ritme van het leven vóór de industrialisatie, op kleinschaligheid en het platteland. Voor die derde stroming is de “nostalgie”, het terugverlangen naar een verloren thuis, en het gevoel van ontheemdheid dat daarvan het gevolg is, een kenmerkende gemoedstoestand (…) Deze conservatieven zien de moderne mens als ontworteld, thuisloos.’ Het is niet moeilijk hierin op z’n minst gedeeltelijk Baudets opvattingen en emoties te herkennen, met alle innemende maar ook risicovolle kanten van dien. Van nostalgie naar reactie is immers maar een kleine stap.

In de jaren tussen de verschijning van de twee bundels over conservatieve denkers werkte Baudet niet alleen aan zijn dissertatie, maar schreef hij ook een flink aantal columns in NRC Handelsblad. De eerste column, uit september 2011, begon meteen met een kanonschot, een grote greep en een stellige conclusie. Dat kanonschot was: ‘De Europese leiders houden zich bezig met gepruttel in de marge.’ De grote greep: ‘Daarom moeten we even uitzoomen en kijken naar het grotere plaatje.’ Conclusie – let wel, dit speelde op een roerig moment, te midden van de Griekse schuldencrisis, Arabische lente en een aanzwellend migratiedebat: het is meer of minder Europa, een tussenweg is onmogelijk. En aangezien volgens Baudet voor meer Europa de basis, lees eensgezindheid, ontbrak, ‘is het nodig dat we nadenken over alternatieven voor de bestaande EU waarbij meer bevoegdheden komen te liggen bij de lidstaten en de nationale parlementen en waarbij de macht van Brussel geleidelijk wordt ontmanteld’.

Aldus werd een toon gezet. Baudet zou deze toon gedurende ruim een jaar, tot december 2012, aanhouden en daarbij niet alleen de EU maar ook moderne kunst, filosofie (het postmodernisme), milieupessimisten, het rechtssysteem, de islam, migratiepolitiek en meer hekelen. Steeds weer deed hij dat op zo’n manier dat het tal van NRC-lezers in de pen deed klimmen. Baudet trok zich er niets van aan.

***

Ondertussen – werklust en enthousiasme kunnen Baudet onmogelijk ontzegd worden – promoveerde hij ook nog. Titel van zijn proefschrift: The Significance of Borders: Why Representative Government and the Rule of Law Require Nation States, in de beter leesbare, gelijktijdig verschenen Nederlandse editie De aanval op de natiestaat getiteld. Baudet smeedde daarin zijn tot dan toe losse gedachten tot een visie op nationale en internationale politiek. Het is die visie die, relletjes ten spijt, uitgangspunt werd van zijn doen en denken.

De aanval op de natiestaat gaat vanzelfsprekend over de natiestaat. Helaas klinkt dat eenvoudiger dan het lijkt, want natiestaat is een lastig begrip dat zelfs in dit boek niet helder wordt omschreven. ‘We hebben “staat” gedefinieerd als het gezagsapparaat dat politieke macht structureert en de wet handhaaft’, schrijft Baudet. Dat is duidelijk. ‘En we hebben de “natie” gekenmerkt als een ingebeelde, territoriale gemeenschap, die een beleving van lidmaatschap oplevert, een collectief “wij”.’ Dat is weliswaar minder duidelijk maar begrijpelijk en bovendien een directe verwijzing naar het motto van het boek, een uitspraak van Paul Scheffer: ‘Zonder “wij” gaat het niet.’

Maar wat is natiestaat? In de lopende tekst van het ongeveer honderd pagina’s lange eerste deel wordt dit slechts één keer min of meer uitgelegd. In een passage op pagina 34-35 staat: ‘In een poging om een gevoel van thuis aan zijn inwoners te bieden, terwijl hij politieke organisatie realiseert op een schaal die veel groter is dan de mogelijke sociale kring van elke individuele bewoner, combineert de natiestaat twee in principe strijdige elementen.’ Die twee elementen worden in het citaat vermeld (door mij gecursiveerd) maar in combinatie verder niet duidelijk gemaakt. Dat wreekt zich in de rest van de tekst – en volgens mij ook in Baudets latere politieke boodschap. Zo is en blijft onduidelijk waarom niet andere politieke constellaties dan de natiestaat een thuisgevoel zouden kunnen bieden.

Baudet zelf heeft van deze onduidelijkheid geen last, integendeel, en dat komt doordat het eigenlijke onderwerp van zijn boek niet het bestaan maar het verdwijnen van de natiestaat is. ‘Welke factoren scheppen nationale loyaliteit’, vraagt hij zich aan het eind van het eerste deel af, ‘en hoe verreikend kunnen de onderlinge verschillen tussen de burgers worden, voordat nationale loyaliteit wordt opgegeven?’ In dit (opnieuw door mij) gecursiveerde zinnetje na de komma schuilt de crux, de angst, de suggestie, het uitgangspunt en uiteindelijk ook de conclusie van het boek: dat een te grote scheiding tussen natie en staat dan wel onvoldoende loyaliteit van de bevolking met die zogenoemde natiestaat tot onoverkomelijke problemen leidt.

Toch is desintegratie van de natiestaat niet het belangrijkste onderwerp van Baudets dissertatie. Dat is, zoals de titel ook aangeeft, de bewuste ondermijning ervan, niets minder dan een aanval. Vandaar de openingsregels: ‘In West-Europa is in de tweede helft van de twintigste eeuw één groot project consequent doorgevoerd, van verkiezing op verkiezing, van regering op regering. Of “links” nu aan de macht was of “rechts”. Of het economisch nu voorspoedig ging of niet. Dat project was de aanval op de natiestaat. Het was het belangrijkste thema van de naoorlogse elites (…) Het verzwakken van de nationale soevereiniteit, het structureel ondermijnen van de natiestaat – zodanig dat het nooit meer oorlog zou worden.’

Deze aanval verliep volgens Baudet langs twee wegen – daarover gaat het tweede deel van het boek. Enerzijds via de overheveling van het gezag naar supranationale organisaties als de Europese Unie, de Wereldhandelsorganisatie en het Internationaal Strafhof, anderzijds via ‘het bewust verzwakken van de nationale cultuur door de golven van massa-immigratie’. Het woordje ‘bewust’ (mijn cursivering) verwijst niet naar die instroom maar naar de ideologie waarvan deze vergezeld ging: het multiculturalisme. Deze maakte ‘dat aan immigranten geen duidelijke loyaliteit en aanpassing aan de dominante cultuur mocht worden gevraagd’.

‘De ambitie om verschillende volkeren in een keurslijf te persen leidt tot oorlog. Het is de Europese eenwording, kortom, die leidt tot oorlog’

Het derde deel van het boek gaat over de vraag waarom zo’n aanval op c.q. de desintegratie van de natiestaat onaanvaardbaar is. Daarmee keert Baudet terug naar het motto, tevens de centrale stelling van het boek: dat een democratie zonder gedeelde waarden geen toekomst heeft.

Eenmaal zo ver onthult zich, zeker gekoppeld aan de nog altijd onduidelijke betekenis van het begrip ‘natiestaat’, een tweede zwakte van het boek, namelijk de relatie tussen natiestaat en democratie. De twee zijn volgens Baudet onlosmakelijk verbonden. Hoewel de argumentatie hierachter volgens hem appeltje-eitje is, is zij volgens mij op z’n minst complex en feitelijk aanvechtbaar. Dit wordt meteen duidelijk als je je afvraagt waarom een natiestaat geen dictatuur zou kunnen zijn. Immers, als natiestaat alleen een vergaande mate van loyaliteit van de natie met de staat veronderstelt, zou je de dictatuur van Hitler een modelexemplaar kunnen noemen. Dat is evident niet het geval en dat komt doordat een natiestaat niet alleen gekenmerkt wordt door loyaliteit maar ook, zo blijkt, door de aanvaarding van democratische principes. Maar spreekt dat zo voor zich als Baudet doet voorkomen? En waarom heeft hij dit aan het begin van het boek niet duidelijk gemaakt? Of gaat het hier slechts om een taal- of definitieprobleem?

In een impliciet antwoord op deze door Baudet zelf niet gestelde vraag (want appeltje-eitje) naar de relatie tussen natiestaat en democratie wordt de zaak omgedraaid en gesteld dat een democratische rechtsstaat staat of valt met sociale cohesie. Immers, als er geen overeenstemming bestaat over de spelregels bestaat er geen overeenstemming over, bijvoorbeeld, de betekenis van een democratische stem of het meerderheidsprincipe zoals er ook geen overeenstemming is over de waarde van een wet of grondwet. Zo’n gebrek aan overeenstemming impliceert dat men het gezag niet aanvaardt van degenen die deze regels en wetten bewaken, met chaos (in plaats van rechtsstaat) tot gevolg. ‘Een rechter wordt niet zozeer verondersteld “objectief” te zijn’, stelt Baudet, ‘maar eerder “gezaghebbend” – en dat kan hij alleen zijn als hij deel uitmaakt van een groter geheel, waartoe ook de strijdende partijen behoren.’ Sociale cohesie, lees ‘een groter geheel’, is dus een voorwaarde. Als je zo’n geheel vervolgens omschrijft als ‘natie’ is het onmiskenbaar dat waar die ‘natie-ervaring’ ontbreekt ‘groepen terug[vallen] op hun eigen rechters, wier religie, huidskleur, etniciteit of zelfs politieke overtuiging vanaf dat moment relevant wordt’.

Maar, nogmaals, kan zo’n groter geheel niet ook iets anders zijn dan een ‘natiestaat’? Dat lijkt mij de kernvraag. Zo niet voor Baudet. Voor hem is het niet eens een vraag, het is een weet die slechts één antwoord kent: nee! Maar, om toch een andere mogelijkheid te noemen, en wel uit het recente Nederlandse verleden: de verzuiling. Tussen pakweg 1880 en 1960 was Nederland voor zijn tijd een van de beter ontwikkelde democratieën ter wereld, maar waren de voormannen van de verschillende zuilen het fundamenteel met elkaar oneens over de belangrijkste ideologische, sociale en culturele principes. Nederland was tot voor een jaar of zestig, zo zou je kunnen stellen, één staat met meerdere naties en toch functioneerde de democratie prima. Dat komt doordat de elites op politiek niveau steeds weer compromissen wisten te sluiten, pacificatiepolitiek heet dat in de literatuur, terwijl de bevolkingen van de verschillende zuilen elkaar op sociaal en cultureel gebied hun gang lieten gaan. Volgens mij spoort deze historische werkelijkheid niet of nauwelijks met de door Baudet gegeven theorie en als hij wél spoort, dan blijft toch veel onduidelijk.

Dat Baudet zelf dit allerminst zo ziet, blijkt ook al uit het feit dat hij relatief kort na de publicatie van zijn dissertatie met een boek kwam waarin hij het centrale thema van zijn dissertatie en kernthema van zijn politiek (‘thuis’) nog eens dikjes overdeed, zij het met andere zwaartepunten, andere onderwerpen, in een journalistiekere toon en met een duidelijker politieke boodschap. Dat werd Oikofobie: De angst voor het eigene, grotendeels een bundeling van columns, artikelen en lezingen, wat meteen ook de onsamenhangende inhoud van het boek verklaart. Niettemin zijn er enkele duidelijke lijnen, plus een herhaling van de centrale stelling van De aanval op de natiestaat: dat de Europese of Nederlandse elites al het mogelijke doen en gedaan hebben om het eigen huis (oikos) af te breken en dat daarin de oorzaak van alle ellende ligt.

Een verrassende stelling van Oikofobie is dat nationalisme niet tot oorlog leidt (zoals eigenlijk ‘altijd en door iedereen’ verkondigd wordt). Ik las hetzelfde onlangs in een boek van Piet Emmer en ontdekte dat een dergelijke gedachte steeds vaker opgeld doet. Dat is opmerkelijk, want het staat haaks op de sinds de Tweede Wereldoorlog leidende gedachte dat een zekere ontmanteling van de nationale staat c.q. opbouw van Europa nodig was om toekomstige (wereld)oorlogen te voorkomen. Zo verscheen vorig jaar de studie Nationalism and War waarin John Hutchinson, nationalisme-specialist en oude rot aan de London School of Economics, precies hetzelfde betoogt, zij het in voorzichtige termen. Baudet doet conform zijn theatrale stijl het tegenovergestelde en stelt simpelweg dat nationalisme niet tot oorlog leidt, juist niet; imperialisme leidt tot oorlog zoals ook ‘de ambitie om een Europees rijk te vestigen tot oorlog [leidt]. De ambitie om verschillende volkeren in een keurslijf te persen leidt tot oorlog. Het is de Europese eenwording, kortom, die leidt tot oorlog.’

Of dit klopt, is een tweede. Maar voorop staat dat dit perspectief goed spoort met het vanaf 2012-2013 almaar sterker wordende verzet van Baudet tegen de EU. Dat verzet bleek onder meer uit de in 2012 door hem gegeven H.J. Schoolezing (Pro Europa dus tegen de EU) en het begin 2013 door hem met anderen opgezette plan voor een referendum ‘over de toekomst van Nederland binnen de Europese Unie’ – een referendum dat er ondanks 56.000 handtekeningen niet kwam. De EU, zo stelt Baudet ook in Oikofobie steeds weer, is een monsterproject dat slechts tot ellende kan leiden. De Europese landen hebben geen andere keuze dan terugkeren naar de eigen oikos om zo hun toekomst vorm te geven. Want ‘voor een democratie is een soeverein parlement vereist dat kan beslissen over oorlog en vrede, over de begroting, over immigratie. Den Haag heeft op die gebieden vrijwel elke zeggenschap verloren. Het Europees Parlement kan intussen onmogelijk democratisch zijn. Want er bestaat geen Europees volk. Meerderheidsbesluitvorming is daardoor niet legitiem. Er bestaat geen Europees “wij” en geen Europees publiek debat. Evenmin kan een rechtsstaat op Europees niveau bestaan.’

Enzovoort. Terug naar de eigen haard dus, wat hetzelfde betekent als afstand nemen van de EU. Maar, het lijkt me een kernvraag, kan zo’n haard bestaan én heeft zo’n haard buiten de gesloten gemeenschappen van ver weg of lang geleden ooit bestaan? Volgens Baudet wel. Zo begint hij Oikofobie met een beeld van het warme gevoel dat je krijgt als je bij terugkeer uit het buitenland uit het vliegtuigraampje kijkt. ‘Thuiskomen’, schrijft Baudet. ‘Waar de mensen je taal spreken en waar je de gezichten kunt lezen. Waar je de weg weet in de stad. Komend vanuit het vreemde word je je bewust van het eigene (…) Maar dit herkenbare thuis van ons, dit Nederland – hoe lang zal dat er nog zijn?’

Bij deze retorische vraag beseft Baudet blijkbaar niet dat de Nederlandse taal voorlopig niet verdwenen zal zijn, het landschap evenmin en dat we wel heel rare steden moeten bouwen opdat zelfs de inwoners erin verdwalen. Met andere woorden, er is geen logisch verband tussen het gevoel van de terugkerende reiziger en het politieke punt dat Baudet wil maken. De suggestie is volledig gebaseerd op emotie. Deze emotie wordt vervolgens ingezet voor het debat. Dat werkt, maar zegt nuchter beschouwd meer over de instelling van de spreker dan over de besproken werkelijkheid.

‘Komend vanuit het vreemde word je je bewust van het eigene. Maar dit herkenbare thuis van ons, dit Nederland – hoe lang zal dat er nog zijn?’

Dit geldt volgens mij voor heel dat thuisdebat. Om even bij mezelf te blijven: ik voel me prima thuis in Nederland, er zijn weinig dingen die ik zo mooi vind als mijn eigen taal en zo fijn als fietsen door het Nederlandse landschap. Maar ik voel me ook thuis in Spanje, voel me Europeaan, voelde me ooit import-Amsterdammer, was gedurende lange tijd een echte Utrechter en zo kan ik nog wel even doorgaan. In mijn inborst schuilen vele thuizen. Ik denk dat dit voor de meeste mensen in mijn omgeving geldt – en zeker voor mijn kinderen die zoals steeds meer Nederlandse kinderen geheel of deels allochtone ouders, grootouders en andere familieleden hebben. Precies dat immers kenmerkt onze wereld. Volgens mij is dat, hoewel soms lastig, geen verlies maar winst.

‘Ook wordt de Oikos stukgemaakt door de kunsten’, schrijft Baudet aan het begin van zijn boek, om vervolgens te herhalen wat hij steeds weer beweert: dat moderne kunst haar gelaat heeft verbrand en het tegenovergestelde van schoonheid brengt; zij brengt schok, vervreemding, verwarring. Daarmee biedt ook zij het tegenovergestelde van een thuis. Moderne kunst is een vreemd land geworden. ‘Vanavond luister ik naar de pianoconcerten van Saint Saëns’, twitterde Baudet in oktober 2017. ‘Je voelt aan alles: zijn tijd was beter dan de onze.’

Wat hij hiermee bedoelt, had Baudet enige maanden eerder in een interview met Vrij Nederland gezegd. ‘Het project van mijn leven bestaat eruit dat ik de heelheid van de wereld wil herstellen: de heelheid die er voor de Eerste Wereldoorlog was. Kunsten gingen nog over een coherent verhaal, een ideaal (…) Grenzen moeten [tegenwoordig] continu worden overschreden: het veilige, het thuis [is niet meer].’

Maar volgens mij heeft zo’n thuis nooit bestaan, zeker niet in de algemene zin waarin Baudet het bedoelt. Wat wél altijd heeft bestaan, is het verlangen naar zo’n thuis. Het is in de loop van de geschiedenis een belangrijke en niet ongevaarlijke politieke kracht geweest, want onvermijdelijk uitgangspunt van allerlei vormen van insluiting (‘dwang’) aan de ene én uitsluiting aan de andere kant. Maar zowel insluiting als uitsluiting botst met de fundamenten van de huidige samenleving.

Medium terry modepop
***

Tussen 2014 en nu publiceerde Thierry Baudet, soms met anderen, nog een paar boeken. Het meest verrassende is een boekje dat hij in 2014 samen met Geert Mak uitgaf – verrassend vooral omdat Baudet hierin voor zijn doen opvallend onderkoeld redeneert: Thuis in de tijd. Zo’n andere toon is vanzelfsprekend deels het gevolg van de samenwerking met Mak, een overtuigde sociaal-democraat en links-liberaal. Ze is ook een gevolg van de keuze van de auteurs, onder wie een man die een internationaal erkend specialist is op het gebied van het ‘thuisverlangen’, maar daarover volstrekt anders denkt dan Baudet: socioloog Jan Willem Duyvendak. Tot slot komt die gematigde toon – en dat zou met name politici van d66 te denken moeten geven – doordat Baudet in dialoog met mensen als Mak en Duyvendak opener, verdraagzamer en voorzichtiger is dan zijn huidige faam wil.

Heel anders van toon is het begin 2017, kort voor de verkiezingen, verschenen boek Breek het partijkartel! De noodzaak van referenda. Zo’n andere toon ligt voor de hand. Om te beginnen omdat Baudet een van degenen was die in het voorafgaande jaar, in april 2016, succes had geboekt met zijn inzet voor het referendum over het Oekraïneverdrag. Dit succes was een van de redenen dat hij enkele maanden later, in september 2016, besloot van de door hem in 2014-2015 opgerichte denktank Forum voor Democratie een politieke partij te maken en daarmee aan de verkiezingen mee te doen. Daartoe had hij niet alleen een partijprogramma maar ook een speerpunt nodig. Wat lag meer voor de hand dan het onderwerp waarvoor hij in zijn masterscriptie de theoretische basis had gelegd en dat hem met het Oekraïnereferendum zoveel succes had bezorgd: de noodzaak een einde te maken aan de geslotenheid van de Nederlandse partijpolitiek? ‘Zoals kartels in de zakenwereld prijsafspraken maken en drempels opwerpen om nieuwkomers weg te houden’, schrijft hij, ‘zo maken politieke partijen opinie-afspraken. Daarmee dekken ze eerst het electorale speelveld af, om vervolgens gezamenlijk de invloedrijke maatschappelijke posities te verdelen.’

Het is een bekend verhaal dat door zo goed als elke nieuwe partij herhaald wordt – logisch, want waarom anders zou aan zo’n partij behoefte zijn? Meestal mislukt de poging. In het geval van Forum voor Democratie lijkt ze, tot op heden althans, te slagen. Dit succes verklaart volgens Baudet en de zijnen de gedreven pogingen van de zittende partijen om de nieuweling buiten de deur te houden, onder meer door steeds weer de klemtoon te leggen op zaken die er niet of nauwelijks toe doen en die geen ander doel dienen dan om de partij en haar voorman te beschadigen. Bedoeld zijn de relletjes rond IQ, Jared Taylor, homeopathische verdunning, de IJzerwake en meer. Die pogingen zijn voor Baudet een zoveelste bewijs van zijn gelijk: dat de Nederlandse politiek een gesloten wereldje is en uit zelfbehoud zelfs bereid is onder de gordel te trappen. Maar is dat daadwerkelijk de reden? Is hier niet veeleer sprake van een botsing tussen twee fundamenteel verschillende visies op wat politiek is en moet zijn: een zakelijke visie versus een bevlogen visie of, onvriendelijker gezegd, een saaie visie versus een populistische?

Volgens Baudet is het verschijnsel ‘compromis’ zo verankerd in het democratisch systeem dat het aan bedrog grenst. Dat komt, schrijft hij in Breek het partijkartel!, doordat we eens in de zoveel tijd stemmen op de afgevaardigde van een partij die eerst in die partij, vervolgens in het parlement en in geval van regeringsverantwoordelijkheid ook nog eens met zijn coalitiegenoten tot een compromis moet komen. Verkiezingen zijn een compromis, partijen zijn een compromis, parlementen zijn een compromis, regeren is een compromis en dus is politiek een compromis van een compromis van een compromis – en dat terwijl de kiezer gewoon hom of kuit wil. Maar omdat hij in plaats daarvan steeds weer compromissen voorgeschoteld krijgt, neemt het wantrouwen toe, zo ook de neiging om ‘de politiek’ af te straffen, bijvoorbeeld door op een nieuwe partij te stemmen of zich zelfs geheel van de politiek af te keren.

‘Het project van mijn leven bestaat eruit dat ik de heelheid van de wereld wil herstellen: de heelheid die er voor WOI was’

Het antwoord van de zittende politiek op dit ‘gevaar’ (van machts- of prestigeverlies) is afsluiting, ‘partijkartel’. Zo komt de cirkel rond en ontstaat een politiek van bedrog. Dat is althans de mening van Baudet. Volgens een andere, zakelijke visie op politiek is dit onzin, omdat geschipper, compromissen en coalities inherent zijn aan de complexiteit van de huidige samenleving en de moderne democratie. Als je een einde wil maken aan het ene (compromissenpolitiek) wil je ook een einde maken aan het andere (moderne samenleving c.q. democratie). Hier schuilt op een dieper niveau het gevaar van Baudets politiek, stellen zij. Van partijkartel is geen sprake. Wél van overeenstemming over de principes van het politieke spel.

***

Tot slot kort twee andere boeken van Thierry Baudet: een roman over de liefde en, samen met Arie Boomsma, een inleiding tot de klassieke muziek. In dit laatste boek, Van Bach tot Bernstein, staat weinig wat in dit verband relevant is – of het zouden enkele bitse opmerkingen over moderne kunst moeten zijn. De roman Voorwaardelijke liefde leverde Baudet meer gedoe op, vooral omdat daaruit volgens sommigen grote vrouwonvriendelijkheid zou spreken. Dat verwijt is op z’n minst kort door de bocht. Sinds wanneer worden de beweringen van een (fictie)auteur gelijkgesteld aan die van zijn personages? Maar onder zo’n eenvoudig hoedje laten de critici zich toch niet vangen. Baudet doet hier en daar immers ook zelf vrouwonvriendelijke uitspraken. Daaruit blijkt dat de schrijver wel degelijk in zijn eigen fictie gelooft.

Onvoorwaardelijk geloof in eigen beelden, vertrouwen in eigen ‘fictie’ – naast conservatisme en het thuisthema zou je dat een derde constante in het denken van Baudet kunnen noemen. Je zou die fictie ook een welhaast Amerikaanse, desgewenst populistische vorm van large talk (grootspraak) kunnen noemen. Ze is goed zichtbaar in Baudets apocalyptische visie op het huidige Nederland en zijn sluimerend complotdenken. Nog even, zo zou je verwachten als je bijvoorbeeld Baudets toespraken op de twee partijcongressen van Forum voor Democratie beluistert, en Nederland is niet meer. Verdwenen, vergaan, verkommerd, opgeslokt door barbaarse horden na verraden te zijn door een vijfde colonne.

Maar gaat het echt zo slecht met Nederland? Volgens de meeste van Baudets tegenstanders niet. Het gaat juist goed. Natuurlijk, vervolgen zij, er zijn tal van problemen, van migratie tot identiteitsverlies, maar dat is iets anders. En zoals onder meer blijkt uit de meest recente versie van het rapport De sociale staat van Nederland van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) ervaren de meeste Nederlanders het ook zo. Zij zijn tevreden, zelfs meer dan dat: ze zijn ‘gelukkig’. Daar is volgens het scp-rapport en het merendeel van Baudets opponenten ook alle reden toe.

Immers, Nederland en de Nederlanders zijn er wat koopkracht, arbeid, opleiding, levensverwachting en andere zaken in de afgelopen decennia aantoonbaar op vooruit gegaan. Baudet ontkent dit niet, maar legt andere klemtonen: op maatschappelijke emotie en innerlijke kwesties als identiteit, gemeenschap, vervreemding en gevoelens van (on)veiligheid. Daar en niet bij genoemde uiterlijkheden ligt volgens hem de essentie van het maatschappelijk leven.

Volgens mij is de kern van het probleem dat er inderdaad sprake is van geheel verschillende visies op politiek en samenleving (al zijn die visies niet zo scherp gescheiden als ik nu om wille van de duidelijkheid doe voorkomen): aan de ene kant die van een wereld waarin eenieder verantwoordelijk is voor zichzelf en de uit vrije wil gekozen omgeving, een wereld ook waarin het in de openbaarheid vooral draait om aanwijsbare, haalbare doeleinden en waarin de staat tot taak heeft voor dat streven de voorwaarden te scheppen. De wortels van deze wereld en dit wereldbeeld zou je inderdaad kunnen zoeken in de Verlichting.

Aan de andere kant een wereld waarin mensen er in de eerste plaats voor elkaar zijn, maar waarin ‘elkaar’ vooral de eigen kring betreft, een wereld ook waarin privé en publiek door elkaar lopen en waarin het draait om innerlijkheden en vergezichten, om moraal, ideaal, verbondenheid en gevoel. De wortels van dit wereldbeeld zijn ouder dan de Verlichting en herleven sindsdien in allerlei varianten van, zeg, ‘romantiek’.

Met deze constatering ben ik terug bij het begin en de vraag of alle recente opwinding rond Baudet een structuur blootlegt. Voorop staat dat in het door Baudet geschreven werk niets te vinden is waaruit racisme, extreem-rechts, fascisme of iets in die richting blijkt. Baudet is een uitgesproken en overtuigd conservatief van het romantische soort. Volgens mij is daar op zichzelf niets mis mee. Fortuyn is niet in staat geweest zijn conservatisme ideologisch vorm te geven. Wilders interesseert het niet. Hij is een praktisch, geen ideologisch politicus. Blijft, op dit moment, Thierry Baudet.

Overigens is hiermee niet ontkend dat hij soms de verdenking van, zeg, extreem-rechtse sympathieën op zich laadt. Dat doet hij wel, al is het alleen maar omdat het in de wereldwijde omgeving, van Donald Trump tot Silvio Berlusconi en van Marine Le Pen tot Pegida, gonst van dergelijke sympathieën en Baudet daarvan onvoldoende afstand neemt. Ook is hiermee niet ontkend dat Baudets thuisverlangen gevaren in zich bergt, van uitsluiting én insluiting. Beide tendensen passen, althans als politiek principe, niet bij het Nederland van nu. Baudet beseft dat volgens mij onvoldoende.

Wie inzicht heeft in historische processen weet dat het vaak zo gaat: dat een nieuweling op het toneel verschijnt. Dat hij of zij dingen zegt die opzien baren. Dat dit opzien tot polarisatie leidt. En dat door die polarisatie de zaak in het honderd loopt, dat wil zeggen dat het niet langer over uitgangspunten gaat maar over bijverschijnselen. Uiteindelijk heeft niemand daar baat bij. Ik denk dat voorlopig niets gewonnen wordt met de gedachte dat Thierry Baudet ‘gevaarlijk’ is. Te meer niet omdat zo’n gedachte zelfvoorspellende waarde zou kunnen hebben en Forum voor Democratie in een hoek drijft die niemand wenst. Dan zijn we daadwerkelijk ver van huis.


Dit verhaal kwam mede tot stand door Fonds 1877