Een rommelende vulkaan.

Te zien in het Amsterdamse Muziektheater tot en met 3 mei
Verreweg het meest huiveringwekkende verhaal uit de mij op jonge leeftijd al voorgeschotelde kinderbijbel was dat van Johannes de Doper. De gruwelijkheid ervan ging eigenlijk de kinderfantasie te boven, ware het niet dat de tekening van het zojuist afgehouwen en nog volop druipende hoofd bewees dat een dergelijke wreedheid wel degelijk tot de mogelijkheden behoorde. Pure horror, die, hoe eng ook, een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefende. De herinnering aan die sensatie is nog altijd zo sterk dat ik niet zonder een gevoel van onbehagen Strauss’ Salome kan zien. Hoe groot was dan ook de verrassing dat je bij Kupfers enscenering, die nu door de Nederlandse Opera opnieuw op het programma is gezet, ontspannen achterover kunt leunen!

De grootste boosdoener is het decor. Net als in de eveneens door Kupfer geregisseerde Die Frau ohne Schatten is dat van enorme proporties. Zo overweldigend dat de personages tot nietige wezentjes worden gereduceerd en er van eigenmachtig handelen geen sprake kan zijn. De immense leegte, die wordt omgeven door een koud glimmende staal- en buizenconstructie a la het Parijse Centre Pompidou, suggereert bovendien een openbare ruimte. Bijvoorbeeld een moderne bibliotheek of de entree van een groot kantorencomplex. Niet een plaats waar zich allerlei familieconflicten zullen afspelen, die gaan culmineren in een bloederige slachtpartij. Nog afgezien van het feit dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat zich in zo'n high tech-gebouw niet een geisoleerde cel bevindt waar de gevangen genomen Johannes naar hartelust kan fulmineren zonder dat iemand er last van heeft.
De personenregie is evenmin bevredigend. Weliswaar wordt onmiddellijk duidelijk dat alle drie de hoofdrolspelers - Herodes, Herodias en Salome - om verschillende redenen op scherp staan, maar de hysterie ligt er zo dik bovenop dat er nauwelijks nog verdere ontwikkeling mogelijk is. Met name Salome is vanaf het allereerste begin een vulgaire, grove vrouw, die zich met hoekige, onbehouwen bewegingen over het podium begeeft. Die visie vindt een hoogtepunt in de beruchte sluierdans. Elke sensualiteit is uitgebannen en in plaats daarvan zien we een dronken nachtclubdanseres die een ordinaire, van elke erotiek gespeende striptease doet.
Het effect is nihil. Een personage dat alleen maar afstotelijk is, verliest snel de interesse van het publiek. Humor zou nog een handje kunnen helpen, maar dat is een woord dat niet in het vocabulaire van Kupfer lijkt voor te komen. Dan resteren eendimensionale cliches, die je als toeschouwer onaangedaan kunt observeren.
Dat de slotscene wel door merg en been gaat, heeft weer alles met dat onpersoonlijke decorum te maken. Voor het eerst gaat het tl-licht uit en wordt Salome, zittend aan de rand van het toneel, door een spot uitgelicht. Opeens zit daar een mens van vlees en bloed. Zo gek als een deur zit ze beurtelings tegen dat afgehakte hoofd en de zaal te orakelen. In al haar perversiteit is ze plotseling een kind dat hunkert naar liefde en ze verwijt de bloederige kop dat hij haar niet heeft willen aankijken.
Dit tragische slotbeeld maakt veel goed. De werkelijk reddende engel bevindt zich echter in de orkestbak. Wat Edo de Waart met het Radio Philharmonisch Orkest daaruit laat opklinken, is naar Muziektheater-maatstaven ongekend. Met grote precisie, kracht en helderheid leidt hij het orkest door de weelderige en kleurrijke partituur. Hier speelt het werkelijke drama zich af: de muziek klinkt als een rommelende vulkaan, die soms in de vorm van prachtige blazerssoli of zinderende viooltremoli zijn adem inhoudt, dan weer kokend en bruisend tot uitbarsting komt.
Voor de zangers, die stuk voor stuk uitstekend uit de hoek kwamen, was het niet altijd even gemakkelijk tegen zoveel geweld op te zingen. Maar onder De Waart gebeurt er wat in de bak. Doodzonde dat die man indertijd niet de vaste dirigent is geworden.