Opheffer

Een rondje Europa

Eerst ben ik in Italië. Ik loop op een marktje in een klein dorpje. Ik koop een Domenica del Corriere van 23 juni 1940. Op de voorpagina staan Mussolini en Hitler. In het kraampje ernaast koop ik een tape met toespraken van Mussolini en ook een tape met fascistenliederen. Ik raak erdoor in een aangenaam gesprek met enkele Italianen die mij helpen met mijn uitspraak. Ze blijken gehoord te hebben van Theo van Gogh. Ze geven een maatschappijanalyse die ik niet durf op te schrijven.

Een week later zit ik in België. Antwerpen. We zijn daar een film aan het monteren. Opeens raken we in een politiek debat verwikkeld met de editor, die eruitziet alsof hij de voorzitter is van de plaatselijke communistische beweging. Bakoenin in zijn jonge jaren. Niets is minder waar. Hij zou eerder voorzitter kunnen zijn geweest van de SS. Hij is meer dan rechts, terwijl hij trouwens Filip Dewinter haat. Maar die buitenlanders… Die islamieten… «Iedereen is blind», zegt hij, «niemand ziet in Europa hoe ernstig het eigenlijk is.» Ik vraag me af of ik paranoïde aan het worden ben. Terwijl ik, als vriend van Van Gogh, toch eigenlijk forse rechtse standpunten zou moeten hebben (terwijl ik heel genuanceerde rechtse standpunten heb), lijkt het of het afgelopen half jaar Europa veel rechtser is geworden dan ik.

Vervolgens ben ik in Berlijn. Ze gaan daar Interview op het toneel brengen, en ik moet een en ander uitleggen over Theo. Ik ben bij linkse mensen op bezoek. Zo links dat ik in dezelfde ruimte verkeer met iemand die, ik meen, twaalf jaar gevangen heeft gezeten omdat hij lid was van de RAF. Ik weet te voor komen dat ik aan hem word voorgesteld. Maar als ik ben uitgesproken en de bedoelingen achter Interview heb uitgelegd, gaan we eten en in een mum van tijd spreken we over Europa, de multiculturaliteit, de islam, noem maar op. «Er dreigen twee grote gevaren: het gevaar van de islam waardoor wij onze democratie gaan verliezen, en het gevaar dat wij daar uit politiek correcte overwegingen niets tegen durven ondernemen. Wij hier in Duitsland al helemaal niet omdat wij een loodzware geschiedenis met ons mee torsen. Met als gevolg dat de mensen in de straat nog rechtser zijn geworden.»

Er tekent zich een lijn af, denk ik.

«Zijn jullie nog links?»

«Ja», zegt de een.

«Nee», zegt de ander.

Het is of ik met afsplitsingen van mezelf praat. Ik vertel over wat ik in Italië heb meegemaakt op een filmfestival – waar ik trouwens in De Groene verslag van heb gedaan – en ik vertel wat ik in Amsterdam allemaal zie en hoor. Ik vertel dat, gek genoeg, de invloedrijkste filosofen in Nederland, en dan bedoel ik de meest humanistische filosofen, eigenlijk rechts zijn: Cliteur, Philipse. Dat schijnt in Duitsland ook zo te zijn. Men verwijst naar Sloterdijk.

«Een echte Duitser als het gaat om onze genen», wordt er gezegd en men lacht – het verwijst naar een uitspraak van Sloterdijk waarvan ik niet goed op de hoogte ben.

Na Berlijn bezoek ik met mijn dochter Parijs. Ik wil haar laten zien waar papa Sartre heeft ontmoet, waar papa Simone de Beauvoir heeft gezien, waar papa gewoond heeft en waar papa zijn eerste gedichten heeft geschreven en de Nederlandse kolonie heeft ontmoet. Ik neem haar mee naar de Rue de Seine en naar de Palette.

Daar, in dat café, maken we mee dat een schreeuwende man (Algerijn? Marokkaan? Turk?) wordt bespuugd en de deur uit wordt gezet.

«Hij is een Bin Laden en denkt als Bin Laden», hoor ik.

«We moeten ervan af. Parijs is na Londen de volgende stad.»

«Nee… wij zijn tegen Bush. Wij hebben een voordeel…»

«Ze moeten weg! Er komen er te veel. Er zijn geen Parijzenaars meer in Parijs.» Gesprekken aan de tap.

Dan keer ik terug naar Amsterdam.

Ik lees in de krant dat er een serieuze dreiging is. Heeft een of andere Amerikaan gezegd.

«Het gaat de verkeerde kant op», zeg ik tegen mijn dochter in de trein. «Daar werk je zelf aan mee met je rechtse stukken», antwoordt mijn dochter. Ik nuanceer mijn denken. Het wordt ruzie, althans het stadium daarvoor, dus we verdwijnen beiden in ons boek.

«Ik bestrijd een godsdienst, niet de mensen», zeg ik.

«Je bestrijdt mensen met die godsdienst», zegt mijn dochter.

«Ik bestrijd het gedachtegoed, niet die mensen.»

«Een gedachtegoed is niets… Dat bestaat alleen maar als het wordt vormgegeven aan mensen. Je bestrijdt ook fascisten en niet het fascistische gedachtegoed.»

Toen ben ik gaan lezen.

Eenmaal thuis lag er maar één dreigbrief in de bus, maar volgens mij niet van islamitische zijde, en twee brieven van «medestanders» die volgens mij zo lid van de NSB zouden kunnen zijn.

Ik pak de geschenken uit die ik mezelf heb gegeven en luister die avond naar fascisten liederen.