Film

Een roofdier in de stad

Film: ‹Collateral› van Michael Mann

De charmante Vincent (Tom Cruise) is een huurmoordenaar. Opdracht: liquideer in één nacht vijf mensen. Aan het begin van de avond stapt Vincent in de taxi van Max (Jamie Foxx), een zachtaar dige alleenstaande wiens leven is verzand in onbereikbare dromen. Na de eerste «afspraak» dwingt Vincent hem te rijden naar de andere locaties in de stad. Het wordt een bloedige helletocht in de straten van een stad die zich als «personage» gaandeweg door de textuur van het verhaal heen weeft. Op elke mogelijke oppervlakte weerkaatst het stadsschijnsel afkomstig van de verlichte wolkenkrabbers: de natte wegen, het glimmende lakwerk van auto’s, de kleurrijke etalages. En op het lichaam van Vincent, zodat hij fuseert met de omgeving die hem heeft voortgebracht.

Zelden heeft een regisseur de moderne stad zo mooi in beeld gebracht als Michael Mann in zijn nieuwe film Collateral. Net als David Lynch in Mulholland Drive (2001) zet Mann het nachtelijke Los Angeles neer als een sensuele, gevaarlijke omgeving. Op een gegeven moment brengt Max zijn taxi tot stilstand. Met Vincent op de achterbank staart hij vol ongeloof naar de weg: twee prairiewolven steken over, de kop nerveus heen en weer draaiend, kaken opengesperd, ogen glinsterend in het licht van de koplampen.

De roofdieren zijn los, en geen dier gevaarlijker dan Vincent. Wat hem dodelijk maakt is niet zijn gewelddadige karakter, maar zijn motivering. Of de afwezigheid ervan. Wanneer Max geschokt toekijkt als het eerste slachtoffer van de avond valt, reageert Vincent cynisch: «Heb je je ooit zorgen gemaakt over de duizenden die zijn omgekomen in Rwanda? Nee.»

Hoe overleeft Vincent dan zelf? Hij heeft er één woord voor: «indifference». Het doden laat hem koud, en dat is de kern van de film – en van het oeuvre van Mann. Zijn werk is ten nauwste verbonden met het moderne leven in een westerse stad. Zijn personages zijn sympathiek en herkenbaar, ook al zijn zij sociopaten, het product van een onmenselijke omgeving. In een van Manns beste films, Thief (1981), probeert Sonny (James Caan) een zoontje te adopteren. Als dat niet lukt doordat Sonny een crimineel verleden heeft, gaat hij over de rooie. Hoe is het mogelijk dat de staat voor een kind wil zorgen, nota bene in een soort instelling waar hij is opgegroeid? Hij, Sonny, een dief en een moordenaar.

Door het harde bestaan heeft de Mann-held een ingewikkeld innerlijk leven. Centraal staat het boeddhistische idee van «leegte». In Thief volgen leven en dood elkaar op natuurlijke wijze op. Als Sonny’s boezemvriend overlijdt, wordt het gat tijdelijk opgevuld door een geadopteerd zoontje. Tijdelijk, want het einde is onvermijdelijk tragisch. Leegte bestaat niet, zeker niet binnen de werkelijkheid van de grote stad. En als zij al bestaat, dan is dat alleen in de gedachte van de killer, die haar aanwendt om zichzelf emotioneel af te stompen, zodat het moorden kan beginnen.

Dat is een deprimerend gegeven. Bevrijd van iedere vorm van moraliteit haalt Vincent de trekker over. Hij is de koning van de stad. Naadloos past hij in de scènes van de film. Zijn kleuren zijn die van de stad; zijn pak is metaalgrijs, net als zijn haar, baard en pistool. Wanneer hij Max achtervolgt om hem te doden, is het alsof hij verschijnt vanuit de glimmende muren van de wolkenkrabbers, als een roofdier dat zich camoufleert alvorens zijn prooi te bespringen.

Er is weinig hoop in de films van Michael Mann. Zijn boeven zijn mooi en stijlvol en zij dromen over een leven op een exotisch eiland of op z’n minst in de voorsteden. Daar komt nooit iets van terecht.

Te zien vanaf 30 september