INTERVIEW MET PETER D’HAMECOURT

‘Een Rus vindt altijd zijn weg’

Peter d’Hamecourt, ‘onze man in Moskou’, gaat na twintig jaar Rusland met pensioen. Hoe een vrij man zich staande hield in de Russische anarchie. ‘Poetin vindt het maar lastig, al die inwoners.’

ZIJN KENNISMAKING MET Moskou was schokkend en geruststellend tegelijk. Dit was niet de politiestaat waarover hij in Nederland had gelezen. Hij aanschouwde een enorme zwarte markt met gouden roebels, zilveren roebels en zelfs houten roebels. Een volledig parallelle wereld waarop de staat geen enkele invloed leek te hebben. ‘Wat ik aantrof was een anarchistische bende. Hier ga ik me thuis voelen, dacht ik meteen.’
Peter d’Hamecourt (62), vertrekkend Rusland-correspondent van het NOS Journaal en het Algemeen Dagblad, vertelt het met een twinkeling in zijn ogen. In een restaurant in zijn geboorteplaats Vlaardingen legt hij uit dat hij niets met gezag heeft: ‘Ik heb nooit achter een bureau gezeten, ben altijd een vrij man geweest. Laat mij maar buiten spelen in de chaos, ik vind mijn weg wel.’
Een kind van de jaren zestig, zo omschrijft hij zichzelf. ‘Op het bureau springen en uitleg eisen van de leiding. Ik stuurde de vreselijkste memo’s naar de hoofdredactie. AD-hoofdredacteur Jan Bonjer heeft er op mijn afscheidsfeestje enkele voorgelezen: “Als ik niet onmiddellijk word benoemd tot correspondent in Latijns-Amerika zal het met deze hoofdredactie slecht aflopen.” Dat soort taal. Ik ben een enorme driftkikker.’
Na correspondentschappen in het Midden-Oosten en Latijns-Amerika zond het Algemeen Dagblad hem eind 1988 naar Moskou, waar hij vanaf 1991 ook voor Het Journaal ging werken. De dictatuur liep op zijn laatste benen en d’Hamecourt zou ooggetuige worden van een historische omwenteling. ‘Je merkte aan alles dat het systeem op instorten stond. Iedereen was aan het onderhandelen en de wet aan het ontduiken. Als je met de taxi ging, vroeg de chauffeur geen roebels, maar 24 blikjes Heineken.’
Een gecompliceerd maar spannend leven: ‘Er waren toen nog niet zo veel correspondenten in Moskou, zo’n driehonderd, een hechte club. Je praatte met elkaar over de dagelijkse moeilijkheden: geen voedsel, benzine en reismogelijkheden. In feite was het leven één groot probleem. Je móest wel meedoen met de zwarte markt. Dozen wijn haalden we uit Finland. Al snel ben je als correspondent net zo slim als de Russen. Een Rus vindt altijd zijn weg.’

Gorbatsjov maakte een voorzichtig begin met meer openheid, waardoor correspondenten de debatten over de toekomst van de Sovjet-Unie en de communistische partij in het openbaar konden volgen. Onder de eerste regeerperiode van Jeltsin brak een ‘dolle tijd’ aan waarin alles kon: ‘Ik heb als vrije journalist rondgelopen in Tsjetsjenië. Er werd je geen strobreed in de weg gelegd.’
Na de herverkiezing van Jeltsin in 1996 ging het mis: ‘De president was ziek en verloor zijn greep. Je moest weer voor elke reis toestemming vragen en eindeloos brieven schrijven. In Rusland hangt alles af van persoonlijke relaties. Dat is soms vermoeiend. De staat gedraagt zich als een eigenaar. Dat was onder de tsaren al zo. Zij beschouwden het Russische rijk als hun persoonlijke bezit. Onder Poetin is het niet anders. Als er een terroristische aanslag wordt gepleegd is dat in zijn optiek niet in de eerste plaats een bedreiging van de bevolking, maar een belediging van de staat.’
Voor een (import-)Rus zit er niets anders op dan met de eigenaren en eigenaartjes van de bureaucratie te onderhandelen. d’Hamecourt geeft een voorbeeld: ‘Het is uit mijn privé-leven, maar in het werk gaat het op vergelijkbare wijze. Mijn vrouw en ik hebben een datsja, zo’n 130 kilometer buiten Moskou. Op een gegeven moment hebben we er een extra stuk grond bij gekocht. Komt op een goede dag het hoofd van de administratie van een naburige plaats, waaronder ons dorp straks gaat vallen, mij vertellen dat die grond illegaal is verkregen. “De aankoop is tegen de nieuwe wet”, zegt hij. Waarop ik antwoord: “Niet tegen de wet van toen.” Waarop hij: “Vertelt u dat maar aan generaal huppeldepup van de strategische rakettengroep.” Goed, ik bel die generaal, ga met hem lunchen en de banja in. We drinken samen bier en wodka en eten gedroogde vis. We praten over het leven, onze families, Tolstoi en Gogol. Over alles behalve die grondkwestie. Redelijk aangeschoten gaan we uiteen. Een paar weken later bel ik hem weer en hij behandelt me als een vriend die hij al tientallen jaren kent. Ter afsluiting vraag ik: “Generaal, hadden wij nog een probleem?” “Welnee, Peter, vijfduizend roebel.” “We moeten snel weer eens de banja in”, zeg ik, geheel opgelucht, tot slot.’
Rusland is in de ogen van d’Hamecourt één grote façade. Toch meent hij dat hij zijn werk naar behoren heeft kunnen verrichten: ‘Ik ben nooit echt op mijn bek gegaan, nee. Ik ben niet meer of minder geweest dan een verslaggever. Er gebeurt een ongeluk, je rent erop af met je notitieblok in je kontzak, noteert wat je ziet en hoort, en tikt je stuk. Misschien een romantisch beeld, maar journalistiek is in mijn ogen vooral eenvoudig handwerk.’

Die visie bracht hem in de jaren negentig ernstig in botsing met AD-hoofdredacteur Peter van Dijk. Peter d’Hamecourt: ‘Ik had al weinig op met gezag en zeker niet met gezag dat zich positioneert als brenger van de ultieme waarheid. Peter wilde het correspondentschap op een irreëel hoog niveau brengen en had geen oog voor het werk in het veld. Hij kwam naar Moskou om met me af te rekenen, me kalt te stellen. Ik dacht: laat ik hem meenemen naar Tsentralny, een van de vele broeierige tenten die Moskou rijk is. Misschien ontdooit hij daar, wordt hij wat meer mens. Daar gaat de journalistiek per slot van rekening over: mensen. Het werd een fiasco. Ik ben niet vies van plat vermaak – je moet je af en toe verliezen in liederlijkheid, vind ik – maar Peter kwam totaal niet uit de plooi. Het was al niet veel tussen ons, maar na die avond is het nooit meer goed gekomen.’
Peter d’Hamecourt begon, om minder afhankelijk te worden van het AD, zijn eigen bureau, dat later ook ging werken voor Twee Vandaag, Nova en de VRT.
Zijn vertrek als ‘onze man in Moskou’ valt samen met het moment dat er in de vaderlandse journalistiek een (bescheiden) discussie op gang is gekomen over de rol en beperkingen van de buitenlandse correspondent. Joris Luyendijk (voormalig Midden-Oosten-correspondent voor Het Journaal en NRC Handelsblad) poneert in zijn boek Het zijn net mensen de stelling dat een correspondent in een dictatuur zijn werk niet goed kan doen omdat hij eenvoudig niet kán weten wat er speelt. Peter d’Hamecourt herkent zich allerminst in dat beeld: ‘Het probleem met Joris is dat hij met een wetenschappelijke bril op naar de journalistiek kijkt. Hij denkt in voetnoten. Het is niet de taak van de correspondent om de ultieme waarheid boven water te halen. Natuurlijk verschaffen de autoriteiten je gekleurde informatie, maar mensen die zijn doodgeschoten, zijn wel dood. En waarom ze dood zijn kun je aan de familie vragen. Journalisten moeten júist aanwezig zijn in dictaturen, zodat de machthebbers weten dat er over hen wordt geschreven. Correspondenten zijn geen historici, maar misschien wel de secondewijzers van de geschiedenis.’

Luyendijk heeft, wat d’Hamecourt betreft, wel gelijk wanneer hij schrijft dat de denk- en ervaringswereld van ‘Hilversum’ en die van de correspondent vaak sterk uiteen lopen: ‘De Journaal-redactie vroeg mij vaak: maar wat vindt de gewone Rus hier nu van? Waarop mijn antwoord meestal was: de gewone Rus kan hier helemaal niets van vinden omdat hij op de tv alleen maar propaganda ziet. Als je hem een microfoon onder de neus houdt, zou hij zeggen: “Ik ben blij met de stabiliteit.” Dat is immers wat hij de hele dag hoort: het gaat goed met Rusland, een stabiele, welvarende natie. Als burger sta je in Rusland per definitie aan de verkeerde kant. Je hebt de staat en de burgers, en die twee hebben bitter weinig met elkaar te maken. Van Poetin krijg ik zelfs de indruk dat hij het maar lastig vindt, al die inwoners.’
Een democratie is Rusland bij lange na niet, vindt d’Hamecourt: ‘Het land mag lid zijn van de Raad van Europa en Blair, Chirac en Schröder mogen hoog hebben opgegeven van Poetin – vooral vanwege de gasleveranties, vermoed ik – maar op het gebied van vrije pers en mensenrechten scoort Rusland ver onder de maat. Medvedev zou een liberalere koers varen, hoor ik links en rechts. Maar dat is een wensdroom van de media, een geconstrueerde werkelijkheid. Natuurlijk, Medvedev heeft zich positiever uitgelaten over de vrijheid van de media dan Poetin, maar je moet weten uit wat voor denkwereld die uitspraken komen. Het zijn praatjes voor de vaak. Daar heb je het weer: de afstand tussen “Hilversum” en de man ter plaatse.’
Wat in de ogen van d’Hamecourt in Rusland ontbreekt, is een burgersamenleving: ‘Biljartclubs, milieuverenigingen en muziekkorpsen. Dat is de basis van een democratie, politieke partijen komen pas aan het eind. Het begint met mensen die samen iets ondernemen. Zoals je dat in Vlaardingen had: de katholieke muziekvereniging Sursum Corda en de protestantse Pijpers. Je had zelfs De Jonge Pijpers. In Rusland niets van dat alles. De registratie van een vogelvereniging duurt een eeuw. Men wordt steevast verdacht van politieke aspiraties.’
In zijn boek Moskou is een gekkenhuis noemt d’Hamecourt nóg een oorzaak waarom het maar niets wil worden met de Russische democratie. Er is nooit een Neurenberg-tribunaal geweest om in het reine te komen met het verleden. Zelfs geen waarheids- en verzoeningscommissie, zoals in Zuid-Afrika: ‘Estland heeft wél het verleden onder ogen gezien. Er is één begraafplaats aangelegd voor Estse SS’ers, Nederlandse SS’ers, Duitsers, het Rode Leger en nationalisten. Waarmee Estland wil zeggen: kijk, zo ingewikkeld zat onze maatschappij in elkaar, en zo hebben we het opgelost: één begraafplaats voor het verleden. Estland heeft een gecommuniceerde historie. Rusland is nog lang niet zo ver, ondanks oproepen daartoe van Gorbatsjov.’

Twintig jaar correspondentschap in Moskou overziend, heeft Peter d’Hamecourt de indruk dat zijn werk zin heeft gehad: ‘Vlak voordat de Amerikanen Afghanistan binnenvielen heb ik een reportage gemaakt over de enorme aardbeving die dat land trof. Ik werd gebeld door de minister van Buitenlandse Zaken van de Noordelijke Alliantie, die ons bijna smeekte aandacht aan de ramp te besteden. “Ik zorg voor het transport, als jullie de cameraploegen regelen”, zei hij. Met ARD, ZDF, de Spaanse tv en TF1 zijn we naar dat gebied gegaan, waar nog nooit een filmploeg was geweest. Tachtigduizend doden. Toen we ’s avonds onze beelden de wereld in stuurden, stonden we met natte ogen rond de satellietschotel.’