De toneelcarrière van Ramses Shaffy

‘Een ruwe diamant die schitterde en flonkerde’

We hebben er een postume held bij in de Lage Landen. De cd’s van Ramses Shaffy verkopen beter dan ooit tevoren en er staan meerdere aan de chansonnier gewijde muzikale theaterproducties op stapel. Maar Shaffy was ook een begenadigd acteur.

VOOR WAT ZIJN ALLEREERSTE televisieoptreden moet worden komt Ramses Shaffy medio jaren vijftig niet opdagen, omdat hij de datum is vergeten. Dat staat in een oud krantenknipsel en het zal ongetwijfeld kloppen. In de jaren daarna wordt de jonge, veelbelovende acteur een van de eerste tv-sterren (avant la lettre) van ons land. Regelmatig is hij op de kleine zwart-witschermen te zien, vaak in vrolijke jongehonderige rollen, maar ook in klassieke stukken en als gevoelige jeune premier. Vaak zijn het live registraties van toneelstukken waarin hij te zien is.
‘Een ruwe diamant die schitterde en flonkerde naar alle kanten’, zo herinnert zich Jeroen Krabbé de acteur Ramses Shaffy. Als zestienjarige figurant stond hij in 1961 met hem op het toneel in Vondels Gijsbrecht. 'Ramses was een soort bominslag. Dat er iemand het toneel opkwam met zo'n spetterend charisma, je wist echt niet wat je zag! In de eerste plaats was hij adembenemend knap. En het had ook met “ster zijn” te maken. De anderen waren gewoon gedegen acteurs, de een beter dan de ander. Misschien dat alleen Fien de la Mar zo'n ster was, iemand die iets geheimzinnigs om zich heen had, waar je bij wilde horen. Ramses had dat in enorme mate.’
Wie je ook over de jonge Shaffy spreekt, superlatieven schieten te kort. Actrice Petra Laseur, die destijds veel met hem op het toneel stond: 'Dat charisma en die enorme charme, het kwam z'n poriën uit zo ongeveer. Of hij nou een schoft speelde of een minnaar - er gebeurde iets als hij opkwam. Dat heb je niet bij veel mensen. Hij had dat bij alles wat hij deed.’
Op de Amsterdamse toneelschool valt hij al op. Ellen Vogel is meteen van hem onder de indruk: 'Al in 1954 heb ik hem daar zien optreden, samen met Sigrid Koetze. Twee beeldige, slanke, langpotige insecten stonden daar op het podium. Ik dacht meteen: we hebben er weer twee. Als ik een nieuw talent zie, voel ik dat altijd onmiddellijk de eerste de beste keer. Dat had ik sterk met Ramses.’
Omdat hij de theorielessen heeft veronachtzaamd, krijgt Shaffy na zijn examen geen diploma - het zal hem jaren later alsnog worden uitgereikt, bij het afscheid van schooldirecteur Willy Pos. Al een week na zijn afstuderen staat er een artikel in De Telegraaf over de in Frankrijk geboren 'Egyptenaar onder onze toneelspelers’, die nog een Russische moeder blijkt te hebben ook en bovendien 'zeer verdienstelijk liedjes zingt, zichzelf daarbij met veel élan begeleidend op de piano’. Een maand daarna, op 14 juli 1955, debuteert hij in de Amsterdamse Doelenzaal met de zelf geschreven en geregisseerde show Olé la Marguérita. Het is een chaotische vorm van totaaltheater, met sketches, liedjes, klassieke pianomuziek, mime en dans, waaraan wordt meegewerkt door een stuk of twintig getalenteerde jongeren, waaronder Hans van Maanen, Polo de Haas en Rob van Reijn. De critici hebben bewondering voor alle bravoure en geestdrift, maar de algemene indruk is toch dat het allemaal nog wat te hoog gegrepen is. Erger is dat het publiek wegblijft, waarna de show voortijdig wordt gestopt en Shaffy, die het allemaal op eigen risico georganiseerd heeft, diep in de schulden zit. 'Je léért er zoveel van’, zegt hij enkele maanden later optimistisch in Het Vrije Volk. Inmiddels heeft hij dan een contract gekregen bij de Nederlandse Comedie, vaste bespeler van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Hij zal er - met een onderbreking van een jaar - tot begin 1963 aan verbonden blijven.

DE EERSTE TWEE stukken waarin hij speelt zijn flops, die door critica Jeanne van Schaik-Willing in De Groene Amsterdammer worden afgeserveerd als 'naargeestige vergissing’, respectievelijk 'stijlloze vertoning’. Maar in september 1956 scoort hij met zijn eerste hoofdrol, in het blijspel De grote liefde, als 'studentikoze zoon des huizes met ridderlijke verbeeldingskracht’. Shaffy is hierin 'uitmuntend’ volgens Van Schaik-Willing en ook de andere critici zijn vol lof. Na wat minder opvallende rollen baart hij in januari 1958 opzien met zijn eerste optreden in de jaarlijkse nieuwjaarsopvoering van de Gijsbrecht. Er is veel lof voor de eenvoud en gevoeligheid waarmee hij de klassieke teksten brengt. 'Iedere Vondeldreun had hij laten varen’, volgens de Nieuwe Haagse Courant. 'Hij danste over de jambes heen’, herinnert Joop Admiraal zich later. 'Dat heb ik van hem geleerd: je moet er ritme aan geven, niet alleen maar maat.’
Zijn eerste echte hoofdrol in Anatole (1959) wordt echter een mislukking, als je op de kritieken mag afgaan; men klaagt dat hij slecht te verstaan is, niet vurig genoeg en behaagziek sentimenteel. Een half jaar daarna is hij te zien in Engel kijk terug, een moeilijk en niet al te positief ontvangen stuk van Ketty Frings. 'Ramses Shaffy versterkte zo nu en dan de belofte van een knappe acteur die er in hem steekt’, oordeelt het Haarlems Dagblad zuinigjes. Andere bladen zijn positiever, maar meer lof krijgt de debuterende Joop Admiraal, met wie Ramses niet lang daarvoor een stormachtige liefdesrelatie is begonnen, die een jaar of acht zal standhouden.

WANNEER JE AFGAAT op alle kritieken rijst het vermoeden dat de herinneringen van zijn collega’s aan de jonge Shaffy in de loop der jaren wel erg rozig gekleurd zijn. Hij is ongetwijfeld een zeer getalenteerde en interessante acteur geweest, maar zijn entree in de toneelwereld is heel wat minder overrompelend dan bijvoorbeeld die van Admiraal. Zelf beweert Shaffy herhaaldelijk dat hij maar een beperkt talent heeft voor toneelspelen, waarbij wel moet worden opgemerkt dat hij het dan steeds vergelijkt met zijn enorme muzikaliteit.
Vooral zijn 'buitentheater’ - zoals Kees Fens het ooit in een bewonderend stukje noemde - baart opzien. De spontane concerten in restaurants - in ruil voor een maaltijd - cafés, of gewoon bij mensen thuis, overal waar maar een piano staat. En zelfs zonder piano, zoals na een bijeenkomst van het literaire blad Podium in 1954, waar hij ritmisch bonkend met asbakken, glaswerk en stoelen een Braziliaans lied ten gehore brengt. Of gewoon buiten op straat, als hij daar zin in heeft. Ellen Vogel: 'Ik werd een keer ’s nachts om drie uur wakker, toen lag Ramses in het plantsoen mij een ode toe te zingen. In zijn handen had hij een grote bos met papieren Mexicaanse bloemen, die wierp hij me toe. Opeens vond hij je dan ontzettend fijn; hij was nogal impulsief.’
En dan is er natuurlijk het feestgedruis, in The Lucky Star bijvoorbeeld, de eerste echte Amsterdamse dancing, of in nachtclub Le Fiacre, maar ook bij Ramses en Joop thuis aan de Derde Weteringdwarsstraat. Na de laatste voorstelling van Midzomernachtsdroom nodigt hij het hele gezelschap daar uit. Ellen Vogel: 'De deuren waren uit de hengsels gelicht, die hadden ze verguld; over de lampen hingen kunstbloemen; de wc-bril was goud geschilderd en daarboven een paraplu met allemaal kunstfruit. Een sprookje was het. Je moest niet kijken wat er op de vloer lag, maar dat kon ons niet schelen. Zodra je binnenkwam, begon hij achter de piano een lied op je te improviseren. Ik heb nog nooit zo'n leuk feest meegemaakt!’

ALLES VROLIJKHEID, maar Shaffy’s betekenis als professioneel toneelspeler mag zeker niet worden onderschat. Jeroen Krabbé: 'Hij was net zo'n vernieuwer als Gérard Philippe in Frankrijk, Marlon Brando en James Dean in Amerika. Een voorbode van wat hier eind jaren zestig zou veranderen aan het toneel. Omdat hij volledig vertrouwde op zijn intuïtie. Daar was hij toen echt de enige in, zijn generatiegenoten waren in die tijd nog veel klassieker in hun benadering van rollen. Die zaten nog te veel vast aan wat ze op de toneelschool hadden geleerd, waar Ramses gewoon doorheen gefladderd was.’
Dat hij het zich kon veroorloven om wat 'losser’ te acteren had ook te maken met zijn welluidende stem. Laseur: 'Wij werden er vroeger enorm op getraind om de Stadsschouwburg te bespelen, ze moesten je zonder microfoon op de achterste rij kunnen horen. Daarvoor was een flinke techniek nodig, dus alles werd veel nadrukkelijker uitgesproken. Ramses had dat van nature. Net als Kitty Courbois, die had ook zo'n loei van een stem.’
Daarnaast is Shaffy wel degelijk een vakman, die vrijwel altijd zijn teksten kent en zich makkelijk laat regisseren, benadrukt zowel Ellen Vogel als Allard van der Scheer, die bij de Nederlandse Comedie regelmatig met hem speelt: 'We deelden vaak samen de kleedkamer. Dolle pret! Maar op het toneel was hij heel serieus. Ik herinner me niet dat hij veel schmierde.’
Petra Laseur sluit zich hierbij aan, maar van dat schmieren kan ze zich toch wel een aantal voorbeelden herinneren. Midden in zo'n Vondel-stuk kon hij soms ineens overgaan op van die typische Ramses-taal: 'En sjomzon gaane heenen en heenen gaande homdot.’ Dan dacht iedereen: God, ik heb het zeker niet goed verstaan.
Dat de jonge Shaffy vaak te laat en soms zelfs helemaal niet komt opdagen, het wordt hem vergeven. Van der Scheer: 'Hij had dan altijd van die heerlijke smoezen, waar niemand intuinde en waar we allemaal dolle pret om hadden. Dan was er een duif in zijn oog gevlogen, of een paard dood voor de tram gevallen. Hij was een dierbaar mens en een prachtige acteur. Regisseurs vonden het heerlijk om met hem te werken.’
Laseur: 'Iedereen die met Ramses speelde was dol op hem. Altijd. Ik weet werkelijk niemand te bedenken die een hekel aan Ramses had. Hij was er ook nooit op uit om kwaad te doen, het was niet iemand die expres in je licht ging staan op het toneel, of je vliegen afving. Absoluut niet, hij was een en al aardigheid. Zelfs als hij wel eens lazarus voor je op het toneel lag en onzin uitkraamde, dan was dat zo lachwekkend dat je niet boos op hem kon zijn. Hij loste het altijd op, met veel lievigheid en vrolijkheid.’
Ellen Vogel: 'Ramses was altijd enorm aanwezig, maar nooit dominant. Het was niet iemand die druk op je uitoefende. Hij was een soort lamp waar alle muggen op afkwamen. Het soort type dat fascineert, waar iedereen naar kijkt en naar luistert.’
Bovendien is hij heel goed in het stimuleren van anderen, bovenal Joop Admiraal, die daarover later zei: 'Hij vond altijd dat ik vreselijk veel talent had. Dan word je vanzelf beter. Als iemand zegt dat je geweldig bent, dan helpt dat!’

HOEWEL HIJ allerminst met bijrolletjes wordt afgescheept, komt het niet tot een mooie hoofdrol bij de Nederlandse Comedie. Voor het zo ver kan komen verzet de onstuimige Shaffy de bakens. In het seizoen 1960-1961 neemt hij samen met Admiraal een jaar vrijaf, in een poging een internationale filmcarrière te beginnen. Aanvankelijk willen ze naar Berlijn, maar na het zien van La dolce vita besluit Ramses dat het Rome moet worden, hoewel ze geen woord Italiaans spreken. Aan hun beider vriendin Shireen Strooker schrijven ze hilarische brieven (die een paar jaar geleden door Nijgh en Van Ditmar zijn gebundeld). 'Dronken geweest, zondig geweest (Hohoho), alles geweest, het leven gevreten.’ Maar vrolijke uitroepen als 'Hoendewene, Bliebenteeg’ en 'Hopsakete jipegeit’ kunnen toch niet verbloemen dat hun verblijf artistiek gezien allerminst succesvol is. De twee prinsen van het Leidseplein ontdekken al snel dat in Rome niemand op ze zit te wachten. Ze komen niet verder dan wat figurantenrolletjes en nasynchronisatiewerk. Dronken bellen ze ’s nachts een keer Fellini uit zijn bed, die deze geste minder kan waarderen dan Ellen Vogel. 'Mal educato!’ schreeuwt hij door de intercom.
Terug in Nederland neemt Shaffy in de zomer van 1961 deel aan het Songfestival van Knokke, waar hij eindigt op de zesde en laatste plaats. Er volgt nog anderhalf seizoen bij de Nederlandse Comedie, maar dan is dat hoofdstuk echt gesloten. 'Ik vond het een te lang huwelijk worden’, zegt hij later. De directe reden voor zijn vertrek is uiteindelijk dat hij ontslagen wordt. Wanneer Shaffy in Deventer tijdens een voorstelling van Shakespeare’s Driekoningenavond tussen de bedrijven door even televisie gaat kijken in een cafeetje aan de overkant, blijkt daar wonderlijk genoeg een aap aanwezig te zijn, dé attractie van het etablissement. Het beest springt op zijn schoot, trekt de pruik van zijn hoofd en begint zijn kostbare, roodfluwelen kostuum te verscheuren. Wanneer Shaffy, vele drankjes later, met veel moeite weer uit de kroeg is gehaald, wordt hij geacht om in een alles verklarende scène zijn liefde te betuigen aan de koningin, gespeeld door Petra Laseur. 'Met zijn verfomfaaide kleren stortte hij zich aan mijn voeten en sprak op zijn bekende wijze iets in de trant van: “Sheendebotten heilvol! In hielden van dienkenen, ad hesem, val henegal…” En dat dan twintig zinnen lang. Pure onzin!’
Hierna krijgt Shaffy zijn ontslagbrief van directeur Guus Oster, met de legendarisch geworden woorden: 'Acteurs die zich door apen laten belagen kunnen we hier niet gebruiken.’

AAN DE VOORAVOND van Shaffy’s dertigste verjaardag begint de vraag zich op te dringen of de nog altijd zo grote belofte ooit wel helemaal zal worden ingelost. Ruim een jaar later is het eindelijk dan toch zo ver. In het Miranda Paviljoen aan de Amstel presenteert hij samen met Liesbeth List, Loesje Hamel, Polo de Haas en vele vrienden uit de toneelwereld (onder wie Joop Admiraal) de show Shaffy Chantant. Met zijn eigen liedjes, gedichten, klassieke muziek, een intieme sfeer en een overrompelend enthousiasme. Net zo'n totaalprogramma als negen jaar eerder Olé la Marguérita, maar deze keer op een professionele manier gebracht. Het wordt een doorslaand succes. Tout intellectueel en artistiek Amsterdam wil er bij zijn.
De voorstellingen beginnen meestal pas na elven, omdat Shaffy eerder op de avond ook nog in De meeuw van Tsjechov speelt, als gastacteur bij het Tilburgse theatergezelschap Ensemble, samen met Mary Dresselhuys. Acteren en zingen, een heerlijke combinatie vindt hij het, en best vol te houden zolang je maar 'vitaal genoeg bent om je eigen tempo bij te benen’. Na nóg een rol bij Ensemble besluit hij echter voorlopig toch maar te stoppen met toneel, omdat Liesbeth List en de anderen ’s avonds vaak te lang op hem moeten wachten.
Vanaf medio jaren zestig is het vooral nog de zanger die van zich doet spreken. Hij schrijft prachtige liedjes, heeft een grote hit met Sammy en geeft meeslepende concerten, maar echt 'totaaltheater’ zal het nooit meer worden. Polo de Haas heeft na ruim een jaar Shaffy Chantant het gevoel dat hij zijn artistieke ei niet meer kwijt kan en laat zich vervangen door Louis van Dijk. Behalve zijn klassieke pianomuziek verdwijnen ook de gedichten, mode en gastoptredens van bevriende acteurs. Hoeveel muzikale kwaliteiten volgende programma’s ook hebben, de unieke sfeer van Shaffy Chantant zal niet meer terugkeren. Wel speelt Ramses in het programma Shaffy Verkeerd (1969) na de pauze een eenakter van Robert Patrick. Het homoseksueel getinte stuk wordt goed ontvangen en voor tegenspeler Lex van Delden zal het de springplank zijn naar een mooie carrière.
Met deze voorstelling wordt de bovenzaal van Felix Meritis, waar hij een jaar eerder al het muzikale programma Shaffy Chantate heeft gebracht, officieel omgedoopt tot 'Shaffy Theater’. Bijna twintig jaar lang zal dit een podium bieden aan kleinschalige muziek-, cabaret- en toneelvoorstellingen. Totaaltheater in de geest van Ramses, maar zelf heeft hij er al snel niets meer mee van doen, omdat zijn betrokkenheid (op eigen risico) hem financieel weer eens is opgebroken.

IN DE ZOMER van 1969 zingt hij tijdens het Holland Festival in de roemruchte, aan Che Guevara gewijde opera Reconstructie, maar engagement is niet zijn stiel. In een interview vertelt hij eens te hebben geprobeerd om een anti-Vietnam-lied te schrijven: 'Ik sloeg steil achterover van het lachen toen ik dat terughoorde!’ Terwijl Neerlands Hoop en Ivo de Wijs furore maken in het Shaffy Theater gaat Ramses volkstoneel spelen in De Jantjes. Na de nodige aarzeling, dat wel, maar wanneer Beppie Nooij hem spontaan wat scènes voorspeelt, besluit hij op haar uitnodiging in te gaan: 'Geweldig, wat een vrouw!’
Ramses Shaffy is ineens niet zo hip meer, begin jaren zeventig. De culturele voorhoede beschouwt hem als te romantisch, te eigengereid, niet geëngageerd genoeg. Het zijn de jaren van de gepolitiseerde groepsdiscussies en het vormingstheater. Op muzikaal gebied reikt Shaffy in deze periode tot grote hoogten - hij maakt een paar prachtige elpees - maar op het toneel blijft het bij twee gastrollen. Voor het Nieuwe Rotterdamse Toneel speelt hij in een stuk van Brecht, dat voornamelijk opvalt door het affiche, waarop hij hartstochtelijk medespeler Henk van Ulsen kust. Zijn optreden in het allerlaatste stuk van de Nederlandse Comedie wordt in 1971 een dramatische flop, net als het hele stuk.
In de loop van de jaren zeventig gaat hij steeds meer drinken - op het laatst vooral wodka. Alleen wanneer hij werk heeft, is zijn alcoholisme aanvankelijk nog enigszins te beteugelen. Het blijft gissen in hoeverre bij dit drankgebruik artistieke onvrede een rol speelde. In een interview met Ischa Meijer laat hij zich in 1969 nogal laatdunkend uit over zijn jongere collega’s bij Toneelgroep Centrum: 'Ik vind ze zo ernstig. Aaah. En onder de maat. En godverdomme, ík ben toch de eerste om ze lekker te vinden… Maar ik geloof… er is een kloof… er is geen contact meer.’

ROND 1973 heeft Hugo Koolschijn veel contact met hem. 'Hij maakte een desolate indruk. Een fascinerend beeld van teloorgang, iemand die zich echt aan het vernielen was, met veel drank en nachten niet slapen. Ook in die situatie had hij trouwens nog een onvoorspelbare impact op mensen. We zaten een keer platen te luisteren, toen ik me plotseling realiseerde dat ik de tijd vergeten was: ik moest naar de toneelbus. Hij pakte me bij de hand, nam me mee naar buiten het Rokin op, hield de eerste de beste auto aan en riep: “Wij moeten naar het Museumplein!” De bestuurder antwoordde onmiddellijk: “Jawel meneer Shaffy”, en full speed reden we er naartoe. Het was voor hem een chaotische tijd. De relatie met zijn vriend Ad Fernhout liep op z'n eind, maar ik denk dat het voor hem ook erg moeilijk was dat hij kritisch werd bekeken in die jaren van politieke bewustwording. “Mensen verwijten me dat ik een egotripper ben, alsof daar iets op tégen is”, heeft hij toen een keer tegen me gezegd.’
Wel een egotripper met idealen overigens. Hij blijft dromen van een kibboets-achtige vorm van totaaltheater, à la Shaffy Chantant. In een interview met Thomas van den Bergh van Het Parool zegt hij in 1997 hierover: 'Je zou het “spiritueel communisme” kunnen noemen. De projecten die ik zelf heb geproduceerd zijn altijd vanuit dat principe opgezet. Het werkt zo: er is geen geld en iedereen die zin heeft mag meedoen. Heel simpel dus. Als het project uiteindelijk geld oplevert, wordt de winst gelijkelijk verdeeld. Iedereen, in een grote of kleine rol, krijgt evenveel. Ik ook. Mijn ervaring is dat deze werkwijze als een magneet werkt. Je krijgt alle hulp en creativiteit die je maar hebben wilt, op basis van geen geld.’
Enkele malen brengt hij dit gedurende de zomermaanden nog eens op kleine schaal in de praktijk, onder meer in het Amsterdamse theater De Brakke Grond. Een groot aantal, per avond verschillende, artiesten brengt daar chanson en folk, afgewisseld met klassieke muziek en jazz. Zelf zingt Shaffy een aantal van zijn liedjes en speelt hij een eenakter met Ineke Cohen. De kritieken zijn welwillend positief, al zijn er wat klachten over zijn dictie.
In de tweede helft van de jaren zeventig heeft hij plannen een theater te beginnen in Odeon, tegenover de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, maar deze lopen spaak op een aantal verrotte balken in het oude gebouw. In die tijd brengt hij samen met Liesbeth List een aantal grote muzikale shows, waarin hij vooral oudere succesnummers zingt. Liesbeth kan hem nog enigszins in de hand houden, maar ze moet alle zeilen bijzetten om hem nog enigszins nuchter op de planken te krijgen, en dat wordt steeds moeilijker.

NA EEN ZWARE epileptische aanval besluit Shaffy eind 1979 te stoppen met drinken. Hij zal dat een paar jaar volhouden en daarna nog meer dan tien jaar zijn alcoholconsumptie redelijk onder controle weten te houden. Samen met de jonge acteur Vincent Walter, zijn nieuwe vriend, gaat hij de kleinere zalen langs met een sober muzikaal programma, waarin ze ook enkele sketches spelen.
Terwijl hij geestelijke rust vindt bij de Bhagwan slaat hij daarna weer serieus aan het acteren. Op nieuwjaarsdag 1982 speelt hij in de Amsterdamse Stadsschouwburg nog eens zijn oude glansrol Arend in de Gijsbrecht en niet lang daarna krijgt hij een rol in de prestigieuze televisieserie Willem van Oranje. Na een rol in het stuk De sprong, met Mary Dresselhuys (1984) speelt hij een jaar later misschien wel de mooiste rol uit zijn carrière in Mijn diner met André, als een toneelvernieuwer uit New York die vertelt over zijn leven. Hugo Koolschijn is hierin zijn tegenspeler: 'Ramses deed dat vlekkeloos. Hij had anderhalf uur tekst, maar ik geloof niet dat hij ook maar één moment is blijven haperen, het was verbluffend. Hij domineerde met zijn charisma en charme die hele voorstelling. Hans Croiset zei in die tijd tegen me: “Wat Ramses doet in die voorstelling staat op hetzelfde niveau als het beste van Paul Steenbergen.” Het was de top van de top!’
In 1990 en 1991 spelen ze het stuk opnieuw, ditmaal bij Toneelgroep Amsterdam. Ramses doet dat als gastacteur en voor het seizoen daarop wordt hem een vast dienstverband aangeboden. Artistiek leider Gerardjan Rijnders kijkt hier met gemengde gevoelens op terug: 'Het was lastiger dan gehoopt. Teksten leren was tamelijk problematisch.’ Wanneer Shaffy te horen krijgt dat er het seizoen daarop geen werk meer voor hem is bij Toneelgroep Amsterdam, toont hij zich in de herinnering van Rijnders begripvol en lijkt zelfs opgelucht. Het raakt hem echter diep, volgens Koolschijn: 'Hij was er kapot van! Dat heeft hem helemaal geen goed gedaan.’
Zijn ontslag is niet alleen slecht voor zijn (grote) ego, hij heeft er ook van genoten weer aan een gezelschap verbonden te zijn, waar hij bovendien oude vrienden van vroeger ontmoet, zoals Kitty Courbois en Joop Admiraal. Zonder merkbare bitterheid maakt hij het seizoen keurig af met een heel kleine rol als oudere dame in de massaproductie Lady Windermere’s Fan. Shaffy komt op het idee om een kleptomane van de oudere dame te maken, die tijdens een feest van alles steelt. Koolschijn: 'Hij deed dat weer formidabel goed en trok waanzinnig de aandacht, wat voor mij bewees dat het niet verlengen van zijn contract een grote fout is geweest.’
Na Toneelgroep Amsterdam zal hij als zanger nog een paar mooie muzikale nadagen in zijn carrière beleven, met zijn hoofdrol als Don Quichot in de musical De man van La Mancha en een laatste tour de chant. Begin 1999 keert de inmiddels pensioengerechtigde zanger/acteur nog één keer kort terug bij Toneelgroep Amsterdam, waar hij te zien is in de productie Dark Lady. Het zal zijn laatste rol zijn, hij speelt een zanger.

DE LAATSTE jaren gaat hij regelmatig met Kitty Courbois en Joop Admiraal naar de premièrevoorstellingen van Toneelgroep Amsterdam op zondagmiddag. Een mooie traditie, waaraan een einde komt wanneer Admiraal, zijn eerste grote liefde, in maart 2006 plotseling overlijdt. Koolschijn: 'Ramses heeft daarna nog wel eens geïnformeerd of die matinees er nog waren. Voor hem heel ongewoon, dat hij concreet naar zoiets informeerde. Meestal liet hij het in het vage, hield hij altijd alle mogelijkheden open. Dit wilde hij blijkbaar toch heel graag… Maar het was op de een of andere manier niet meer te organiseren.’