Een saaie dag in bosnie

‘Enorm positief’ was iedereen na de verkiezingen in Bosnië. Want er werd niet gevochten en er vielen geen doden. Maar onder die rust gaat nog veel leed schuil.
(De naam Petar is gefingeerd)
SREBRENICA - Het plaatsnaambordje van deze voormalige Moslimenclave is nu in het cyrillisch geschreven. De weg is gerepareerd en heeft verkeersdrempels. Aan de rand van het dorp ligt het vroegere kamp van de Nederlandse bravo-compagnie er uitgestorven bij.

De muur van de toegangspoort kleurt nog steeds rood-wit-blauw. Vanuit het hoofdbureau van de kiescommissie wappert het blauw-rood-wit, de driekleur van Republika Srpska. Schuin tegenover het stadhuis staat een rijtje mensen voor het stemlokaal te wachten. Het zijn allen Serviërs. Gevluchte Moslims uit Srebrenica die terugkomen om te stemmen, zullen uit veiligheidsoverwegingen op minstens een half uur rijafstand worden gehouden.
In het dorpje Zutica staan acht Servische politiemannen bij het pad naar het stemlokaal te posten. Zij zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor de orde op verkiezingsdag. Daarnaast is er het internationale leger Ifor, waarvan de zwaarbewapende pantserwagens het gebied doorkruisen. Politieagenten van de Verenigde Naties staan eveneens paraat. De Servische autoriteiten hebben er zelf alles aan gedaan deze verkiezingsdag zo rustig mogelijk te laten verlopen. Vanaf vrijdag is Republika Srpska zelfs voor een periode van 48 uur drooggelegd; het is in cafés verboden alcohol te schenken. In Zutica was speciaal voor de verkiezingen een brug over het riviertje de Jadar aangelegd, maar door de zware regenval van de afgelopen dagen is die weggespoeld. Het stembureau is nu alleen nog bereikbaar via een modderig pad. Als de drieduizend Moslims die de Servische autoriteiten hier verwachten inderdaad komen opdagen, zal het een chaos worden.
Om elf uur is echter nog geen enkele bus aangekomen uit Tuzla, de stad waar na de val van Srebrenica de meeste Moslims heen zijn gevlucht. Een Italiaanse waarnemer komt een kijkje nemen in Dzugun, een gehucht zo'n tien kilometer verderop. Hij denkt niet dat veel Moslims gebruik zullen maken van de gelegenheid in Republika Srpska te stemmen ‘Waarom een gevaarlijke reis ondernemen als ze ook in Tuzla kunnen stemmen?’ zegt hij. 'De bevolking hier zal hun aanwezigheid zien als een provocatie. En ze kunnen toch niet naar hun vroegere huizen terug, er is nog zoveel haat. De Serviërs hebben machinegeweren in huis, bazooka’s, alles. Als de Moslims één voet in hun vroegere dorpen zetten, worden ze afgeslacht.’
Het is al bijna middag als de eerste bus uit Tuzla aankomt. De twintig inzittenden, voornamelijk vrouwen en bejaarde mannen, stappen aarzelend uit. Voor velen is het de eerste keer in jaren dat ze weer voet zetten op hun geboortegrond. Sommigen herkennen de Servische agenten ter plekke, voormalige buurtbewoners met wie ze vroeger een kop koffie dronken. Ze lopen voorzichtig op hen af, schudden hun hand, maken een praatje - maar veel verder dan over koetjes en kalfjes gaat het niet.
'De vrouwen zullen het voortouw moeten nemen in het verbeteren van de contacten’, zegt Ferhat Begovic-Zehra. Ze is voorzitter van Bosfam, een niet-gouvernementele organisatie die zich inzet voor de Bosnische familie en waar bijna alleen vrouwen lid van zijn. 'Vrouwen in Bosnië hebben over het algemeen niet meegevochten in de oorlog. Alleen mensen die geen bloed aan hun handen hebben, kunnen werken aan een betere toekomst.’ Begovic-Zehra is kwaad als na het stemmen de vluchtelingen weer in de bus gedirigeerd worden. 'Deze verkiezingen zijn een farce’, zegt ze: 'Het is een vernedering zo dicht bij onze huizen te mogen komen en vervolgens weer afgevoerd te worden.’ Een politie-escorte brengt de bus naar de 'inter-etnische scheidslijn’, de grens tussen de republiek Srpska en de federatie Bosnië-Herzegovina die eigenlijk geen grens mag zijn. ’s Avonds voert freelance-diplomaat Richard Holbrooke, de architect van het Dayton-akkoord, in het Holiday Inn Hotel een all-American show op. Met een delegatie van twintig Amerikaanse waarnemers jubelt hij hoe goed de verkiezingen zijn verlopen. 'Ik was erbij in El Salvador, ik was erbij in Panama, en telkens was er sprake van ongeregeldheden en geweld. Vandaag was een saaie dag’, zegt een Congress-lid. 'Voor wie het niet begrepen heeft, dat is goed nieuws’, vult zijn collega aan.
Ed. van Thijn, hoofd van de waarnemingscommissie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), die de verkiezingen heeft georganiseerd, is in zijn voorlopige verklaring eveneens 'enorm positief’: 'Van grote ongeregeldheden was absoluut geen sprake’. Toch wordt volgens hem het correcte verloop van de verkiezingen overschaduwd door het geringe aantal vluchtelingen dat is teruggekeerd om te stemmen. Op zaterdag werden er tussen de dertig- en honderdvijftigduizend verwacht .'Exacte cijfers heb ik niet, maar ik heb getallen gehoord van tussen de vierduizend en dertigduizend. Dat is echt teleurstellend. Wat dat betreft gingen vrede en stilte met elkaar samen.’
'VRIJHEID VAN BEWEGING’ was het motto van de verkiezingen. De OVSE heeft er keer op keer op gewezen dat iedereen in principe vrij is om in Bosnië-Herzegovina te gaan en staan waar hij wil. Toch heeft Ifor de opdracht gekregen op verkiezingsdag verkeer uit de federatie naar Republika Srpska alleen maar toe te staan via daarvoor aangewezen routes, en dan alleen voor bussen met minimaal acht personen. Hoe moet Bosnië ooit weer een multi-etnische staat worden als vluchtelingen hun huis niet meer kunnen zien, laat staan dat ze er weer kunnen gaan wonen?
Het verdrag van Dayton staat op gespannen voet met de multi-etnische staat die het document toch beoogt te bewerkstelligen. Bosnië als geheel krijgt een driekoppig presidentschap waarvan het Moslim- en het Kroatische lid alleen uit de federatie en het Servische lid enkel uit Republika Srpska mogen komen. Om de 'etnische’ geschillen in Bosnië nog eens te benadrukken, komt er een 'Huis van Volkeren’ als senaat met daarin vijf Kroaten, vijf Moslims en vijf Serviërs. Carl Bildt, Bosnië-gezant van de internationale gemeenschap, noemde met gevoel voor understatement Bosnië 'het meest gedecentraliseerde land ter wereld’. Het is nog steeds niet duidelijk waar de gezamenlijke instituties van dit gedecentraliseerde land moeten worden gehuisvest: in de federatie, in Republika Srpska of ergens precies op de grens.
Ook al zijn de verkiezingen een eerste stap op weg naar vrede, het einde van de problematiek is nog lang niet in zicht. De gemeenteraadsverkiezingen waarin vluchtelingen over hun plaats van herkomst moeten kunnen beslissen, moeten nog worden gehouden. En nog steeds dreigt Republika Srpska zich van Bosnië af te scheiden. Om de Serviërs daarvan af te houden, stelt Holbrooke de autoriteiten in Republika Srpska en in Servië de afschaffing van de economische sancties, de Amerikaanse erkenning van klein-Joegoslavië en internationale kredieten in het vooruitzicht. Verheugd kon Holbrooke zaterdagavond meedelen dat de presidente van Republika Srpska, Biljana Plavsic, had toegezegd dat het Servische lid zeker zou plaatsnemen in het gezamenlijke presidentschap van Bosnië, maar als geen ander weet Holbrooke dat woorden weinig hoeven te betekenen op de Balkan. 'We moeten Republika Srpska beoordelen naar haar daden en Amerika zal nooit toestaan dat het land zich afscheidt.’
Toch heeft Plavsic in de aanloop naar de verkiezingen ferme onafhankelijke taal uitgeslagen en wijst alles erop dat Republika Srpska zich klaarmaakt om alleen verder te gaan. Dat land is momenteel Servischer dan Servië zelf; zelfs de auto’s hebben cyrillische kentekens.
Wat zich zal wreken in Bosnië, is dat de internationale gemeenschap de democratie heeft opgedrongen aan een land dat daar nog helemaal niet klaar voor was en pas een keer eerder, in 1990, meerpartijenverkiezingen heeft gehad. Het komt niet vaak voor dat de internationale gemeenschap zich zo sterk met interne aangelegenheden bemoeit als ze nu in Bosnië doet, door verkiezingen te organiseren in plaats van het aan de politieke partijen in het land zelf over te laten. 'Het is een beetje paternalistisch om democratie van bovenaf op te leggen’, zegt Van Thijn 'maar wat moeten we anders?’
DE DAG NA de verkiezingen. Petar sluit de deur van zijn appartement in het centrum van Sarajevo zorgvuldig af en loopt in de richting van de rivier de Miljacka. Petar is 23 en heeft tweeëneenhalf jaar in het Bosnische leger gediend. 'Ik heb gevochten voor een multi-etnisch Bosnië’, zegt hij. Zijn moeder is Kroaat, zijn vader Serviër. 'Wat maakt dat dan van mij?’, vraagt hij zich af. Petar is op weg naar de wijk Grbavica, waar hij met zijn ouders en zijn broer woonde voor de oorlog uitbrak. De flat heeft een tijd lang precies in de vuurlinie gelegen en is voor een groot deel verwoest. Samen met zijn vader, die naar Slovenië is gevlucht en af en toe in Sarajevo op bezoek komt, probeert Petar het appartement weer bewoonbaar te maken. De twintig verdiepingen hoge flat is lange tijd in Bosnisch-Servische handen geweest, maar is na het verdrag van Dayton aan de oorspronkelijke bewoners teruggegeven. Petars vroegere buurman Sherif Sunja, een Moslim, is ook weer naar zijn flat teruggekeerd. Ook hij is druk bezig met renovatiewerkzaamheden. Elektriciteit en stromend water heeft hij niet, in de badkamer staan een paar jerrycans met water.
Voor de meer dan driehonderd mensen die voor de oorlog in het gebouw woonden, zijn er niet meer dan vijftig teruggekeerd. De muren van het trappenhuis staan vol Servisch-nationalistische symbolen. Sommige verdiepingen zijn geheel uitgebrand. 'Relax, this is only a life’ staat op de muur van een verlaten tienerkamer gekalkt. Vanuit het raam van deze kamer heeft in de oorlog een sniper het Moslimgedeelte van de stad bestookt. In de kamer ernaast ligt nog een ansichtkaart uit de zomer van 1987 op de grond: 'Lieve Anna, het regent al drie dagen maar we hebben nog wel in de zee kunnen zwemmen. Liefs en kusjes, Lela’ staat erop. Het kaartje komt van de Kroatische kust.
De flat bood voor de oorlog ook onderdak aan Biljana Plavsic, de huidige presidente van Republika Srpska, toen docente biologie aan de universiteit van Sarajevo. Sunja maakte regelmatig een praatje met haar in de lift. 'Ze was altijd al heel erg pro-Servisch’, zegt hij: 'Het Servische volk was het enige waar ze het over had.’ Op de deur van haar appartement hangt een briefje: 'Eigendom van de universiteit, voor tachtig procent verwoest.’ 'Begin 1992 is ze vertrokken’, vertelt Petar: 'de dag erna lag deze flat onder vuur.’
Petar is met zijn familie nog een maand in het appartement gebleven. Daarna zijn ze naar het Moslimgedeelte aan de overkant van de rivier gevlucht en is Petar in het Bosnische leger terechtgekomen. 'Als ik was gebleven, had ik waarschijnlijk voor het Bosnisch-Servische leger moeten vechten’, zegt hij. 'Nu is oorlog aan beide kanten gruwelijk, maar ik was het niet eens met de Bosnisch-Servische politici. Voor de oorlog wist ik niet wie in deze flat Moslim, Kroaat, Serviër of een mengeling daarvan was, het deed er ook niet toe. De Bosnische Serviërs hebben de zaak op de spits gedreven en zijn deze oorlog begonnen. Aan die kant wilde ik niet vechten.’
Maar na 29 maanden werd het Petar te veel. 'Elke dag zag ik dood en verderf om me heen. Tijdens een aanval ben ik in een kwartier tijd zeven vrienden kwijtgeraakt.’ Op tweede Kerstdag 1994 wist hij te vluchten. Na drie dagen lopen bereikte hij Kroatië, vanwaar hij naar de Sloveense hoofdstad Ljubljana ging. Hij kon er niet aarden. 'Ik had het gevoel dat de Slovenen op me neerkeken omdat ik uit Bosnië kwam’, zegt hij. Toen de Bosnische regering amnestie afkondigde voor deserteurs, voegde Petar zich bij zijn grootmoeder in Sarajevo.
Nu is hij werkloos en van het leger krijgt hij geen cent. Al een maand lang breekt hij zich het hoofd over de vraag waar hij de Duitse marken vandaan moet halen waarin hij zijn collegegeld - in oktober wil hij economie en management gaan studeren - moet betalen. 'Voor politici zijn mensen slechts goed voor drie dingen: om belasting te betalen, om te vechten en om te stemmen. Ik heb er geen bezwaar tegen als Bosnië een Amerikaans protectoraat zou blijven. Verbetering moet vooralsnog niet vanuit de politiek maar vanuit de economie komen. Bijna iedereen is werkloos en de Moslims geven de Serviërs de schuld, de Serviërs de Moslims of de Kroaten en ga zo maar door. Als de internationale gemeenschap ervoor zorgt dat iedereen tenminste bezig is, een beetje fatsoenlijk kan leven, dan kunnen de mensen de oorlog stukje bij beetje vergeten en dan kan er een begin gemaakt worden met veranderingen op het politieke vlak.’