In de Jordaan wonen alleen nog yuppen

Een saamhorig paradijs

De Amsterdamse Jordaan geldt als dé volksbuurt bij uitstek: een eigenzinnige wijk vol gezellige en brutale mensen met een groot hart. Vroeger is een gevoelig onderwerp.

WIE EEN DAGJE naar Amsterdam komt, wordt door het lokale toeristenbureau enthousiast naar de meest authentieke, volkse en gezellige buurt van de hoofdstad verwezen. Wie daar langsgaat, bezoekt eigenlijk heel Amsterdam: ‘Geen buurt in Amsterdam is Amsterdamser dan de Jordaan.’ Het is 'een volksbuurt die symbool staat voor het Amsterdam van de oorspronkelijke inwoners’ en voor 'het echte Mokum’. Eigenlijk is de ervaring nog veel groter, want de Jordaan 'is zonder twijfel het meest bezongen, beschreven en geromantiseerde gebied van heel Nederland!’
Die aanprijzing is voor Nederlandse toeristen eigenlijk overbodig, want die weten waarschijnlijk al wat zij zullen aantreffen: een buurt met die 'typische Jordaan-sfeer’ van gezelligheid op straat en liedjes in de kroeg, waar de buurtbewoners de bekende eigenschappen hebben: een groot hart dat ook nog eens voor op de tong ligt, lak aan gezag maar altijd bereid om elkaar te helpen en gastvrij als je geen kapsones hebt. Nederland kent de Jordaan al, via de liedjes van Willy Alberti, Johnny Jordaan en Tante Leen. Het Amsterdamse Stadsarchief heeft er net nog een expositie over gehad, over de Jordanezen 'van het wiegje tot de houten kist, in een openhartige gemeenschap van onbezorgde kinderen, hardwerkende en feestvierende volwassenen en ouden van dagen die deel uit blijven maken van de mooie, die fijne Jordaan’.
Wie de Jordaan niet vindt via het toeristenbureau maar er onvoorbereid binnenloopt, zou die echt Amsterdamse volksbuurt zomaar kunnen missen. Op zaterdagmorgen stromen de jongens niet de huizen uit om in de smalle straten te voetballen, maar dirigeren mannen in Zuidas-vrijetijdskleding hun hockeysticks-dragende dochters naar grote auto’s. Strak gestylde jongemannen met kleine fashion-hondjes drinken dure koffie in papieren bekers en nemen aanstellerig afscheid van jonge vrouwen die nu écht naar hun personal trainer moeten. Op de markt kost een tweedehands jas meer dan een nieuwe in de winkel en kun je vooral terecht voor die écht goede ingrediënten met een designzakje erom.
Wat vooral opvalt aan de Jordaan zijn de mensen die er níet zijn. Afgezien van een paar straten is het er stil, zelfs op het drukste moment van de week. Wie er niet in het weekend komt maar op een ochtend door de week, vindt een pittoresk, rustig en trendy stadsdeel. Maar volks? Dat zeker niet. 'Ze zijn er nog wel, de echte Jordanezen’, zegt een buurtbewoner. 'Je herkent ze doordat ze doen alsof je er niet bent als je een café binnenkomt. Ze praten alleen nog met mensen die ze kennen van vroeger.’
'Vroeger’ is een gevoelig onderwerp in de Jordaan. De nieuwkomers weten namelijk niet hoe de zaken er toen aan toegingen. Ze klagen dat de Westertoren de hele nacht klingelt, dat hun portiek wordt volgepist tijdens het Jordaan Festival en tonen een algemeen gebrek aan besef voor de volkse gezelligheid waar de Jordaan van oudsher bekend om staat. Bij dat beeld van 'vroeger’ als paradijs van saamhorigheid stellen historici inmiddels ook de nodige kanttekeningen. Of sterker: ze stellen het aan de kaak als een mythologische constructie. 'Het klopt totaal niet met hoe de Jordaan werkelijk was’, zegt bijvoorbeeld emeritus hoogleraar stedenbouwgeschiedenis Auke van der Woud.
De Jordaan werd in de eerste helft van de zeventiende eeuw gebouwd als uitbreiding van het uit zijn voegen barstende Amsterdam. Het was niet alleen de eerste stadswijk buiten de verdedigingslinie van de stad, ook was al het geld voor bouwprojecten opgegaan aan de grachtengordel. De Jordaan werd daarom goedkoop gebouwd langs de bestaande sloten die in de weilanden lagen. De kavels waren klein, de bouwkwaliteit was laag. Het was dan ook een wijk voor handwerkslieden, 'kleyne luyden’ en voor de industrie die in het centrum niet gewenst was. Daarmee was de Jordaan nog geen krottenwijk of een buurt voor uitschot, zoals de Jordaan-mythe wil. De wijk was een stuk gevarieerder: ook in de Jordaan waren duurdere delen, zoals de Bloemgracht.
Maar in de negentiende eeuw ging het bergafwaarts met de Jordaan. Het inwonertal ging omhoog door de trek naar de steden. Huisjesmelkers bouwden binnenplaatsen vol en splitsten huizen, tot de wijk vierenhalf maal zo veel mensen herbergde als nu - een kwart van de totale bevolking van Amsterdam. De werkloosheid ging omhoog en het aantal armen nam toe. Er waren cholera- en malaria-epidemieën en de levensverwachting daalde tot een jaar of veertig. Dat had voor een belangrijk deel te maken met de barre hygiënische omstandigheden. De meeste huizen waren niet aangesloten op de riolering: daarvoor zorgde de 'Boldootkar’ (naar het parfummerk) waar de huisvrouwen hun emmers in kiepten. Of het ging zoals zo veel afval in de gracht, waar de vrouwen ook het water voor hun huishouden vandaan haalden.
In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond zo de verpauperde wijk die velen zich bij de Jordaan voorstellen, een buurt waar de Amsterdammers uit betere wijken zich voor schaamden, die zij minachtten of links lieten liggen. Om daar verandering in te brengen probeerden bezorgde patriciërs en socialisten rond 1900 aandacht voor de Jordaan te krijgen met rapporten als Krotten en sloppen: Een onderzoek naar den woningtoestand te Amsterdam, waarin werd gerept van het 'eenvoudig verbazende aantal sloppen, holen en gangen, volgepropt met onbewoonbare krotten in het stadsgedeelte dat Jordaan heet’. Fotografen en gravuremakers probeerden hun steentje bij te dragen, al legde angst voor ziekten en radicale ideeën meer gewicht in de schaal. In 1901 kwam mede daardoor de Woningwet tot stand, waarna woningbouwverenigingen goedkope woningen gingen bouwen en de woninginspectie huizen begon af te keuren. Dat alles maakte weinig verschil: de overbevolking en armoedige omstandigheden in de Jordaan bleven bestaan.
Daar zou pas verandering in komen toen in de jaren vijftig het Algemeen Uitbreidingsplan werd uitgevoerd. In rap tempo verrezen frisse woonwijken met 'licht, water en lucht’ aan de westkant van Amsterdam, met een voor- en achtertuin of een balkon, centrale verwarming en een plek voor de auto: Slotermeer, Geuzenveld, Osdorp en andere wijken wenkten de Jordaan-bewoners het centrum uit. De gemeente moedigde dat enthousiast aan met fietstoers langs de bouwprojecten, een paar maanden gratis huur en voorlichtingscampagnes.
De Jordanezen begonnen hun verpauperde wijk uit te stromen, naar Nieuw-West, Noord, en later - aangemoedigd door het 'overloopbeleid’ van de gemeente - naar Purmerend, Almere, de Zaanstreek en de Bijlmer. Terwijl studenten en kunstenaars de vervallen huizen begonnen te betrekken, kwam de hele wijk op de nominatie te staan voor sloop en nieuwbouw, zoals al gebeurd was bij andere roemruchte buurten als Kattenburg en de Jodenhoek - buurten die daarmee hun ziel hadden verloren. Die nieuwbouwplannen werden in 1969 met één klap van tafel geveegd na protesten van de Jordanezen en in plaats daarvan werd de wijk in de jaren zeventig ingrijpend gerenoveerd. De Jordaan werd aantrekkelijk, de prijzen gingen stijgen en langzaam groeide de wijk uit tot wat die nu is.
In die razendsnelle omslag in de twintigste eeuw bleek veel te zijn gewonnen, maar ook verloren te zijn gegaan. In de decennia na de oorlog verlieten vierhonderdduizend Amsterdammers voorgoed de stad; veel Amsterdammers die wel bleven, verhuisden naar een wijk met minder sociale binding dan waar ze vandaan kwamen. En niet alleen veel mensen trokken weg, ook de kleine bedrijven verdwenen. 'De kracht van Amsterdam had altijd gelegen in het intieme kantoor aan een grachtje, en in het kleine bedrijf, ergens in een onderstuk in de Jordaan’, schreef Geert Mak in Een kleine geschiedenis van Amsterdam. In de jaren zestig en zeventig leken zij wel aan een onstuitbare epidemie ten prooi te vallen. De winkels die een spil waren geweest in het sociale leven van de Jordaan verdwenen en werden vervangen door supermarkten buiten de wijk; de Jordanezen die bleven, gingen forensen naar banen buiten de buurt - een verlies aan sociale binding dat pas achteraf in volle omvang is gezien.
Met het verlies van die sociale samenhang veranderde ook het beeld van de Jordaan, en niet voor de eerste keer. Het Theo Thijssen Museum, gewijd aan de uit de Jordaan afkomstige schrijver, onderscheidt drie fasen in de manier waarop de Jordaan opduikt in de Nederlandse literatuur. In de eerste fase, 'de verachte Jordaan’, wekt 'het volckje uyt de agterstraetjens’ vooral spot en bezorgdheid. Dat duurt tot ongeveer 1910, wanneer eerst Israël Querido (in zijn Jordaan-cyclus) en daarna Theo Thijssen (onder meer in Kees de Jongen) 'de romantische Jordaan’ begonnen te beschrijven: een wijk met grote armoede maar ook vol met boeiende mensen en een rijk sociaal leven. Nog veel later, in de jaren zeventig, duikt de 'broedplaats Jordaan’ op, waar kunstenaars en vrije geesten hun ideale biotoop vinden.
Wat de beeldvorming over de Jordaan betreft, is de 'romantische Jordaan’ vooral blijven hangen. Het bleef ook niet bij literatuur. In de jaren 1910 en 1920 kwam dezelfde visie op de Jordaan terug in populaire toneelstukken en op de radio, in de liedjes van (de Rotterdammer) Louis Davids: een wijk waar in de meiden 'nog fut zit’ en waar je 'die ouderwetse lol’ vond. De Jordaan bouwde een landelijke reputatie op als volkswijk pur sang en werd het decor van muzikale 'Jordaan-films’ in de jaren dertig, zoals De Jantjes en Bleeke Bet. Geïnspireerd door Louis Davids begon zich een liedjestraditie te vormen in de wijk, die eind jaren vijftig via de 'smartlappen’ van Johnny Jordaan en anderen heel Nederland bereikte.

MAAR ER SLOOP al een nieuw element in die smartlappen: nostalgie. In Bloemen voor de ramen beschrijft historica Jet Blokhuis hoe deze opleving van de Jordaan-cultuur samenviel met de leegloop van de wijk. Het was voor buitenstaanders niet duidelijk - en voor veel Jordanezen trouwens ook niet - dat deze opleving van de Jordaan-cultuur deels een reactie was op het verlies van de Jordaan zoals die was geweest. Van de weeromstuit werd de Jordaan in die liedjes dan ook mooier en mooier, zeker toen vanaf 1975 het Jordaan Festival nieuw leven werd ingeblazen, de zangwedstrijd die twintig jaar eerder de doorbraak had betekend van 'de zingende kelner’ Johnny Jordaan. De fantastische wijk die in de smartlappen opdook was 'deels gebaseerd op een illusie en deels achterhaald op het moment dat de smartlap werd geherintroduceerd’, schrijft Blokhuis. 'Sterker nog, deze verhalen werden bij elkaar gefantaseerd door schrijvers uit de amusementsindustrie, die je als de “erfgoedvormers” van dit imago kan beschouwen. Zij woonden in veel gevallen niet meer in een schamel huisje in de Jordaan, maar in Almere of Osdorp.’
Dat de Jordaan niet uitsluitend zo'n 'mooie, fijne’ buurt was geweest, wordt al gesuggereerd door het feit dat de Jordanezen de wijk massaal ontvluchtten toen ze daar eenmaal de kans toe kregen. Het sociale leven, de verbondenheid en gezelligheid waren zeker geen verzinsels, maar evengoed wogen die voor de overgrote meerderheid van de Jordanezen niet op tegen de lage leefkwaliteit in hun wijk.
'Wat mist in het ontstane beeld van de Jordaan, is dat de saamhorigheid een reactie was op de erbarmelijke omstandigheden in de wijk’, zegt Auke van der Woud in een telefonisch gesprek. 'Die verbondenheid bestond ook echt, want iedereen was arm en bij tegenspoed hielpen mensen elkaar omdat zij de volgende keer aan de beurt konden zijn. Maar alleen het beeld is overgebleven van de mensen die hun stoelen op straat zetten, niet de reden dat mensen daar zaten: omdat hun huizen smerig en klein waren.’
Van der Woud schreef vorig jaar het veelgeprezen Koninkrijk vol sloppen, over de vele verpauperde buurten die in Nederland ontstonden in de loop van de negentiende eeuw. Dergelijke wijken worden nu steevast 'volksbuurt’ genoemd, wat meteen positieve visioenen oproept. 'Het hele begrip “volksbuurt” is pas begin twintigste eeuw ontstaan’, zegt Van der Woud. 'Het beeld van de Jordaan als typische volksbuurt begon met Israël Querido, maar is daarna een heel eigen leven gaan leiden. Hij beschreef de Jordaan weliswaar als gezellig, maar ook als een plek waar veel haat en nijd en andere narigheid was. Je ziet dat die saamhorigheid steeds mythischer proporties is gaan aannemen. Hoe killer de samenleving in de twintigste en 21ste eeuw werd, hoe meer er in Nederland behoefte kwam aan het idee van zo'n buurt waar nog medemenselijkheid bestaat; een buurt waar de mensen nog om elkaar geven. Maar het idee van de gezellige volksbuurt is iets van het verleden. De arme wijken van nu worden niet meer als gezellig gezien.’
Het idee van de volksbuurt en de behoefte om de herinnering eraan te behouden bleef ook niet beperkt tot de Jordaan. In Amsterdam kregen ook de Kinkerbuurt, Noord en de Spaarndammerbuurt hun eigen museum, waar de nadruk op de mooie kanten van het verleden wordt gelegd; het Bijlmer Museum is in de maak. Utrecht heeft zijn Volksbuurtmuseum in Wijk C, de wijk die jammer genoeg wél aan nieuwbouwplannen ten prooi viel; Den Haag heeft zijn Volksbuurtmuseum in de Schilderswijk. Over de grens is er bijvoorbeeld het Tenement Museum in New York.
Als de populariteit van het Jordaan Festival een indicatie is, wordt de interesse voor het erfgoed van de Jordaan ook gestaag groter. Afgelopen jaar werd er zelfs een 'Wintereditie’ gehouden - in Zaandam - en knapte het festival uit zijn voegen op het tochtige busstation waar het naartoe verbannen werd nadat de Elandsgracht te klein werd. Ook oude foto’s van de Jordaan komen in trek: dit jaar werd De Jordaan van Dolf Toussaint opnieuw uitgegeven, zijn beroemde fotoboek uit 1965, en met de expositie in het Stadsarchief extra cachet gegeven. Het is een prachtige illustratie van 'de romantische Jordaan’, vol gezelligheid, levenslust en straatleven.
Toussaint zelf is niet meer in staat tot een interview; Frits Weeda wel, een andere fotograaf die de Jordaan in de jaren zestig vastlegde. 'Ik heb er vroeger gewoond en die tijd is natuurlijk voor altijd weg’, zegt hij. 'Daar zitten goede en slechte kanten aan. Als ik nu in Amsterdam kom, loop ik altijd door de Jordaan. Als je dan iemand ontmoet die je kent, haal je verhalen op, maar die kans is ondertussen heel klein geworden. Ik liep er laatst met een vriend, een echte Amsterdammer die natuurlijk overal op liep te mopperen. Maar we vonden het ook wel mooi, al die opgeknapte winkels. De hele wijk ziet er trouwens fantastisch uit, er was vroeger zo veel armoede en veel huizen stonden echt op instorten. We besloten wat te eten in een oud koffiehuis dat bij de markt lag. Het was er vroeger altijd bomvol, je had er heel lekkere broodjes en koffie. Nu zat er een andere zaak. Het was heel mooi ingericht maar ook helemaal leeg. Het voelde alsof iemand iets had afgepakt.’